1/35
Kernbegrippen en definities voor het eindexamen filosofie rond de thema's 'Wat maakt de mens?', lichamelijkheid, fenomenologie, antropologische wetten en metaforen (Descartes, Sheets-Johnstone, Plessner, De Beauvoir, Fanon, Lakoff & Johnson, Vroon & Draaisma).
Wezen van de mens (als essentie)
De opvatting van het wezen als de kern of unieke eigenschappen die bepalen wat een mens is, horend bij een mensbeeld dat vanuit een derdepersoonsperspectief objectief wordt geformuleerd.
Wezen van de mens (als bestaan)
De opvatting van het wezen als het subjectieve 'zijn' van de mens, waarbij de geleefde bestaanservaring (hoe het is om een mens te zijn) vanuit het eerstepersoonsperspectief centraal staat.
Eerstepersoonsperspectief
Het perspectief van binnen naar buiten kijken vanuit de eigen subjectieve bestaanservaring (hoe iets voelt of beleefd wordt), kenmerkend voor de fenomenologie en het existentialisme.
Derdepersoonsperspectief
Het perspectief van buiten naar binnen kijken, gericht op het van buitenaf objectief waarnemen, meten en categoriseren van eigenschappen van de mens, kenmerkend voor de empirische wetenschap.
Ethische dimensie van mensbeelden
Het principe dat mensbeelden nooit louter descriptief (beschrijvend) zijn, maar altijd ook normatief (voorschrijvend): ze bepalen impliciet hoe een mens zou moeten leven of handelen.
Dualisme (Descartes)
De filosofie van René Descartes waarin de mens bestaat uit twee strikt gescheiden substanties: een denkende, immateriële geest (res cogitans) en een uitgebreid, mechanisch lichaam (res extensa).
Res cogitans
Het denkende ding volgens Descartes: het immateriële, bewuste denkvermogen van de mens.
Res extensa
Het uitgebreide ding volgens Descartes: de materiële, ruimtelijke werkelijkheid die functioneert als een machine volgens mechanische wetmatigheden, waaronder het menselijk lichaam.
Fenomenologie
De filosofische stroming die de werkelijkheid onderzoekt en beschrijft vanuit de directe, geleefde ervaring en het eerstepersoonsperspectief, gericht op de betekenisgeving door het lichaam in de wereld.
Pre-reflectieve ervaring
De directe, intuïtieve lichamelijke gewaarwording die voorafgaat aan het bewuste nadenken en nog niet gekleurd is door theoretische concepten of vooroordelen.
Lichaamsschema (Sheets-Johnstone)
Het onbewuste, pre-reflectieve besef van de ruimtelijkheid van het eigen lichaam en de mogelijkheden die je ermee hebt, waardoor bewegingen als een samenhangend 'hier-zijn' worden ervaren.
Sensomotorisch lichaam
Het lichaam opgevat als een bewegend en waarnemend geheel, waarin handelen en zintuiglijke ervaring direct met elkaar verbonden zijn.
Proprioceptie
Het vermogen om de relatieve positie en oriëntatie van de eigen lichaamsdelen in de ruimte waar te nemen zonder ernaar te hoeven kijken.
Kinesthesie
Het zintuiglijke gevoel van het bewegende lichaam dat van binnenuit wordt ervaren tijdens fysieke handelingen.
Fenomenologische benadering van dans
De benadering van Maxine Sheets-Johnstone waarbij dans primair wordt begrepen vanuit hoe de danser zélf het samenspel van krachten, richtingen en ruimtelijke vormen ervaart (eerstepersoonsperspectief), in plaats van hoe het er van buitenaf uitziet.
Centrische positionaliteit
De positionele verhouding (typisch voor dieren) waarbij een organisme een centrum van ervaring heeft en gericht is op de omgeving, maar niet op zichzelf kan reflecteren of buiten dat centrum kan treden.
Excentrische positionaliteit
De unieke menselijke situatie volgens Helmuth Plessner waarbij de mens zowel samenvalt met zijn centrum (zijn lichaam is) als afstand kan nemen van dit centrum om over zichzelf na te denken (zijn lichaam heeft).
Het lichaam zijn (Leib)
De toestand waarin je direct samenvalt met je lichamelijke gewaarwordingen, zoals bij het ervaren van pijn, vermoeidheid of emoties.
Het lichaam hebben (Körper)
De toestand waarin de mens zijn eigen lichaam van buitenaf beschouwt als een fysiek object of instrument dat kan worden aangestuurd en beoordeeld.
Onbepaaldheid van de mens
Plessners opvatting dat de mens van nature geen vastomlijnde essentie of levenswijze heeft, maar door zijn excentrische positie zelf keuzes moet maken om zijn bestaan vorm te geven.
Natuurlijke kunstmatigheid
Plessners eerste antropologische wet: de mens is van nature een gebrekkig wezen en moet noodzakelijkerwijs gebruikmaken van techniek, cultuur en middelen om te overleven en zichzelf te verwerkelijken.
Bemiddelde onmiddellijkheid
Plessners tweede antropologische wet: de directe (onmiddellijke) ervaring van de mens met de wereld verloopt altijd indirect (bemiddeld) via het lichaam, de zintuigen en expressiemiddelen.
Expressiviteit (Plessner)
Het menselijke vermogen en verlangen om innerlijke subjectieve belevingen uit te drukken in uiterlijke, gedeelde vormen zoals taal, kunst en symbolen.
Medewereld
Het door Helmuth Plessner beschreven sociale en culturele domein waarin mensen elkaars expressies delen, waardoor ervaringen een gezamenlijke betekenis en geschiedenis krijgen.
Utopische standplaats
Plessners derde antropologische wet: het menselijke verlangen naar een definitieve thuisbasis en houvast (zoals in religie), dat altijd tragisch strandt omdat de excentrische mens elke vaste standplaats weer relativeert en bevraagt.
Lachen en wenen (Plessner)
A-symbolische, lichamelijke reacties die optreden wanneer de mens in een 'onbeantwoordbare situatie' belandt waar reflectie te kort schiet, waardoor het bewuste wezen de controle verliest en terugvalt in puur lichaam-zijn.
Sociale constructie van vrouwelijkheid (De Beauvoir)
Het inzicht van Simone de Beauvoir dat vrouw-zijn geen aangeboren biologische essentie is, maar ontstaat doordat meisjes via opvoeding en maatschappelijke verwachtingen worden gevormd ('Men wordt niet als vrouw geboren, men wordt het').
Male gaze
De dominante mannelijke blik in kunst en maatschappij die vrouwen reduceert tot visueel lust- of esthetisch object, waardoor vrouwen zichzelf ook vanuit een derdepersoonsperspectief gaan beoordelen.
De witte blik (Fanon)
Het oordelende derdepersoonsperspectief van de koloniale en witte meerderheid waardoor mensen van kleur gereduceerd worden tot stereotypen en hun huidskleur, wat leidt tot zelfvervreemding.
Historisch-raciaal lichaamsschema (Fanon)
De theorie van Frantz Fanon dat het natuurlijke lichaamsschema van een mens van kleur wordt overschreven en vervormd door de historische associaties, verhalen en vooroordelen van de dominante witte cultuur.
Double consciousness
Het gevoel van innerlijke gespletenheid waarbij men naar zichzelf kijkt door de ogen van een dominante groep die op je neerziet, leidend tot een strijd tussen twee identiteiten binnen één lichaam.
Lichamelijke metaforen
Volgens George Lakoff en Mark Johnson de overdrachtelijke taaluitingen waarin concrete lichamelijke ervaringen worden gebruikt om abstracte mentale en emotionele toestanden te begrijpen en te communiceren.
Oriëntatiemetaforen
Metaforen gebaseerd op de fysieke oriëntatie van het menselijk lichaam in de ruimte, waarbij 'boven' typisch gekoppeld wordt aan positieve concepten (geluk, bewustzijn, gezondheid, meer, macht) en 'beneden' aan negatieve concepten (droevig, bewusteloos, ziekte, minder).
Ontologische metaforen
Metaforen waarin abstracte entiteiten, handelingen of emoties worden behandeld als tastbare, fysieke objecten of substanties (bijvoorbeeld: 'de geest als breekbaar voorwerp' of 'de geest als machine').
Historische contingentie van mensbeelden (Vroon & Draaisma)
De theorie dat onze metaforen en mensbeelden niet universeel of noodzakelijk zijn, maar historisch toevallig en afhankelijk van de dominante technologieën en wetenschappelijke inzichten van een tijdperk.
Mechanistische metaforen
Technologische vergelijkingen (zoals klok, stoommachine of computer) die leiden tot een mensbeeld waarin de mens causaal verklaard kan worden, gedetermineerd en voorspelbaar is, en functioneert naar efficiëntie.