ethologie

0.0(0)
Studied by 0 people
call kaiCall Kai
Locked
learnLearn
examPractice Test
spaced repetitionSpaced Repetition
heart puzzleMatch
flashcardsFlashcards
GameKnowt Play
Card Sorting

1/68

encourage image

There's no tags or description

Looks like no tags are added yet.

Last updated 6:06 PM on 6/18/26
Name
Mastery
Learn
Test
Matching
Spaced
Call with Kai
Chat

No analytics yet

Send a link to your students to track their progress

69 Terms

1
New cards

wat is ethologie

de biologische studie van gedrag

2
New cards

traiune-brain theorie

steunt op vergelijkende functionele neuro-anatomie

3
New cards

primitieve reptiliaanse hersenen (hersenstam)

stimulus-respons, geen externe invloed

4
New cards

paleocortex (het limbisch systeem)

zorgt voor meer geheugen

5
New cards

neocortex

zorgt voor de verbeelding

6
New cards

gedrag

iedere uitwendig waarneembare activiteit van het organisme.

een eigenschap van het dier waarmee het zijn relatie tot het uitwendig milieu kan veranderen

7
New cards

gedrag kan beïnvloed worden

op alle niveaus van het organismen

door een tal van aspecten uit het milieu

8
New cards

4 vragen van tinbergen

  • welke oorzaken leiden tot dit gedrag (causaliteit)

  • hoe is het gedrag ontstaan in de loop van de evolutie (fylogenie)

  • hoe ontwikkeld gedrag zich (ontogenie)

  • waar dient gedrag voor (functie)


9
New cards

vragen van wiepkema

  • wat is het effect van leerprocessen op gedrag

  • zijn er modellen mogelijk die gedrag kunnen verklaren en concepten interpreteren

  • kan ethologiesche kennis iets zeggen over welzijn


10
New cards

reflexen

het eenvoudigste voorbeeld van oorzaak-gevolg

11
New cards

soorten stimulie

  1. priming stimulie

  2. releasing stimuli


12
New cards

priming stimuli

doen de probaliteit van een reactie in de toekomst toenemen

13
New cards

releasing stimuli

lokt onmiddelijke reactie uit

14
New cards

formatio reticularis

draagt bij aan de algemene waakzaamheid, lokt niet direct gedrag uit, maar draagt bij tot de verhoging of de verlaging van een drempelwaarde

15
New cards

umwelt

de zintuigelijke wereld

16
New cards

sleutelprikkel

een specifieke stimulus waarop dieren reageren met een welbepaald gedrag

sleutelprikkels zijn typisch rood

17
New cards

drempelwaarde

de minimale waarde die een sleutelprikkel moet hebben om een reactie uit te lokken (is niet constant)

18
New cards

heterogene summatie/prikkelsummatie

verschillende kwaliteiten van de stimulus kunnen opgeteld/afgetrokken worden

19
New cards

adaptieve waarde

het onmiddelijk adequaat reageren op een prikkel, is heel belangrijk om te kunnen overleven

20
New cards

supernomale prikkel

het gebeurt dat dieren sterker reageren op stimuli waarvan de intensiteit in de natuur niet te vinden is. (grotere eieren)

21
New cards

mimmicry

het gaan lijken op een ander om niet opgegeten te worden

22
New cards

batesian mimicry

niet eerlijk signaal

23
New cards

müllerian mimicry

eerlijk signaal

24
New cards

camouflage

eenvoudigste vorm van mimicry, komt ook voor bij planten, organisme gaat lijken op zijn omgeving om niet op te vallen

25
New cards

evaluatiesignalen

signalen die ‘eerlijk’ de kracht van de zender weergeven

26
New cards

conventionele signalen

signalen correleren met bepaalde positieve eigenschappen van de zender, maar liegen is moeilijk

27
New cards

interceptoren

nemen allerlei eigenschappen waar van het intern milieu

28
New cards

indirecte richting waarop hormonen gedrag beïnvloeden

via de toestand van de werking van organen

29
New cards

directe richting waarop hormonen het gedrag kunnen beïnvloeden

via gespecialiseerde neuronen in de hersenen zelf (+ oestrogeen)

30
New cards

conclusie m.b.t. de behandeling van hormonen op ratten

de aanwezigheid van testosteron in de vroege jeugd, zowel bij genetisch mannelijke als genetisch vrouwelijke dieren kan leiden tot het ontstaan van fenotypische mannelijke kenmerken qua gedrag

31
New cards

HPA

cascadesysteem dat in werking slaat wanneer het dier stress ervaart

32
New cards

feromonen

stof geproduceerd door een individu als informatie-overdracht naar een ander individu ( of groep). het is een signaal.

33
New cards

aanpassingen aan gedrag door

ontogenese en leerprocessen

fylogenese

34
New cards

ontogenese

dier kan zich aanpassen aan het milieu door zijn gedrag te veranderen

35
New cards

fylogenese

het genetisch geheugen; adaptaties die over de generaties heen door natuurlijke selectie ontstaan zijn

36
New cards

switch genes

genen die instaan voor de keuze tussen twee mogelijke alternatieven in de ontwikkeling, switch genes beheersen het al dan niet optreden van 1 van de 2. het wel of niet optreden heeft te maken met een drempelwaarde. dus ze bepalen de waarde van de drempelwaarde

37
New cards

algemene modaliteiten

de invloed van genen op het temperament; de gedragspatronen zijn hetzelfde, maar ze verschillen in de intensiteit

38
New cards

heritabiliteit/erfelijkheid

geeft aan in welke mate een eigenschap geselecteerd kan worden. het is een momentopname, zegt iets over de populatie, niets over de erfelijkheid

39
New cards

selectiedifferentiaal

het verschil van gemiddelde of ingemiddlede van uw parentale populatie en uw populatie waarmee je gaat selecteren

40
New cards

gain

het verschil van gemiddelde of ingemiddelde van uw parentale populatie naar uw F1 populatie (hoeveelheid winst die je hebt gemaakt (in staartlengte))

41
New cards

isogene stammen

door een langdurige inteelt tussen broers en zussen is men tot stammen gekomen van die van hetzelfde geslacht exact dezelfde genen hebben en homozygoot zijn

42
New cards

3 soorten experimenten voor pre- en postnatale effecten

  • wederzijdse kruising stam A/ stam B

  • cross-fostering

  • transplanteren van de ovaria


43
New cards

knock-out

het uitschakelen van een gen dat codeert voor een eiwit

44
New cards

biologische evolutie

verandering in de loop van de tijd van de genetisch samenstelling van de leden van een populatie

45
New cards

microëvolutie

veranderingen die plaatsgrijpen binnen een beperkt aantal generaties (1e stap van soortvorming)

46
New cards

macroëvolutie

veranderingen die plaatsgrijpen over eeuwen/ millenia

47
New cards

homologe gedragspatronen

gedragingen binnen verschillende populaties die geheel of gedeeltelijk afstammen van gemeenschappelijke voorouders

48
New cards

analoge gedragspatronen

gelijkaardige gedragingen die doorheen de evolutie ontstaan zijn bij niet-verwante populaties door gelijkaardige selectie-druk van het milieu

49
New cards

ritualisatie

een evolutieproces waarbij intentiebewegingen en oversprongbewegingen gemodificeerd worden tot zij een sociale waarde bekomen

50
New cards

intentiebeweging

je wilt een gedrag starten, maar je maakt het niet af

51
New cards

overspronggedrag

wassen, gapen, als dier in stress

52
New cards

emancipatie

geritualiseerde gedragingen zijn ongevoelig voor factoren die belangrijk waren bij het ontstaan ervan in de oorspronkelijke context

53
New cards

ontologie

hoe ontstaat gedrag in de loop van het leven van een individu

54
New cards

epigenetica

verandering in genexpressie zonder verandering in DNA-sequentie, het vormt in feite een brug tussen fenotype en genotype

55
New cards

isolatieproeven van Kasper Hauser

proeven bij dieren om te kijken wat aangeboren en aangeleerd gedrag was, veel kritiek op want

  • zelfperceptie

  • overdacht van informatie tussen contexten

  • alternatieve compensatieprocessen


56
New cards

maturatie/rijping

gedragsverandering bepaald door de groei van het organisme

57
New cards

neotonie

behoud van kenmerken typisch voor juveniel stadium tijdens adulte periode

58
New cards

regressie

tijdens volwassen stadium treedt opnieuw gedrag uit de jeugd op

59
New cards

fixed action patterns

  • vrij gesteriotypeerde gedragspatronen

  • komen voor bij alle individuen van een stam/ras/soort

  • vaak als reactie op specifieke sleutelprikkels


60
New cards

epigenie

jeugdervaringen kunnen, meer dan latere leerprocessen, vaste geheugenbeelden doen ontstaan die vaak het gedrag voor het leven doen bepalen.

61
New cards

gevoelige periode

de maturatie bepaald het begin:

  • sensorisch: het jong moet stimuli waarnemen

  • motorisch: het jong moet kunnen oriënteren en stimulus naderen

de gevoelige periode eindigt wanneer het dier voldoende vertrouwd is met de stimulus en het onderscheid kan maken met andere stimuli.

resultaat = het ontstaan van een voorkeur


62
New cards

motivatie

het proces dat bepaald welk gedrag optreed en wanneer

63
New cards

setpoint en alliesthesie

punt waarop de actuele situatie te veel afwijkt van de norm, en we starten de feedbackloop

=ook: dezelfde prikkel anders waarnemen

64
New cards

motivatietoestand

binnen een bepaalde tijdspanne is een dier onderhevig aan een aantal motivaties, er kan uiteindelijk maar 1 gedrag tegelijkertijd worden uitgevoerd. (behavioral common final path)

65
New cards

karakteristieken van doelgericht gedrag

  1. appetitief gedrag

  2. consummatorische gedrag

  3. fase van verzadiging


66
New cards

appetitief gedrag

het doel zoeken

67
New cards

consummatorisch gedrag

de bevrediging zelf, afsluiten van de gedragssequentie

68
New cards

fase van verzadiging

na bereiken van het doel zal drempelwaarde stijgen

69
New cards