1/68
Looks like no tags are added yet.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai | Chat |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
wat is ethologie
de biologische studie van gedrag
traiune-brain theorie
steunt op vergelijkende functionele neuro-anatomie
primitieve reptiliaanse hersenen (hersenstam)
stimulus-respons, geen externe invloed
paleocortex (het limbisch systeem)
zorgt voor meer geheugen
neocortex
zorgt voor de verbeelding
gedrag
iedere uitwendig waarneembare activiteit van het organisme.
een eigenschap van het dier waarmee het zijn relatie tot het uitwendig milieu kan veranderen
gedrag kan beïnvloed worden
op alle niveaus van het organismen
door een tal van aspecten uit het milieu
4 vragen van tinbergen
welke oorzaken leiden tot dit gedrag (causaliteit)
hoe is het gedrag ontstaan in de loop van de evolutie (fylogenie)
hoe ontwikkeld gedrag zich (ontogenie)
waar dient gedrag voor (functie)
vragen van wiepkema
wat is het effect van leerprocessen op gedrag
zijn er modellen mogelijk die gedrag kunnen verklaren en concepten interpreteren
kan ethologiesche kennis iets zeggen over welzijn
reflexen
het eenvoudigste voorbeeld van oorzaak-gevolg
soorten stimulie
priming stimulie
releasing stimuli
priming stimuli
doen de probaliteit van een reactie in de toekomst toenemen
releasing stimuli
lokt onmiddelijke reactie uit
formatio reticularis
draagt bij aan de algemene waakzaamheid, lokt niet direct gedrag uit, maar draagt bij tot de verhoging of de verlaging van een drempelwaarde
umwelt
de zintuigelijke wereld
sleutelprikkel
een specifieke stimulus waarop dieren reageren met een welbepaald gedrag
sleutelprikkels zijn typisch rood
drempelwaarde
de minimale waarde die een sleutelprikkel moet hebben om een reactie uit te lokken (is niet constant)
heterogene summatie/prikkelsummatie
verschillende kwaliteiten van de stimulus kunnen opgeteld/afgetrokken worden
adaptieve waarde
het onmiddelijk adequaat reageren op een prikkel, is heel belangrijk om te kunnen overleven
supernomale prikkel
het gebeurt dat dieren sterker reageren op stimuli waarvan de intensiteit in de natuur niet te vinden is. (grotere eieren)
mimmicry
het gaan lijken op een ander om niet opgegeten te worden
batesian mimicry
niet eerlijk signaal
müllerian mimicry
eerlijk signaal
camouflage
eenvoudigste vorm van mimicry, komt ook voor bij planten, organisme gaat lijken op zijn omgeving om niet op te vallen
evaluatiesignalen
signalen die ‘eerlijk’ de kracht van de zender weergeven
conventionele signalen
signalen correleren met bepaalde positieve eigenschappen van de zender, maar liegen is moeilijk
interceptoren
nemen allerlei eigenschappen waar van het intern milieu
indirecte richting waarop hormonen gedrag beïnvloeden
via de toestand van de werking van organen
directe richting waarop hormonen het gedrag kunnen beïnvloeden
via gespecialiseerde neuronen in de hersenen zelf (+ oestrogeen)
conclusie m.b.t. de behandeling van hormonen op ratten
de aanwezigheid van testosteron in de vroege jeugd, zowel bij genetisch mannelijke als genetisch vrouwelijke dieren kan leiden tot het ontstaan van fenotypische mannelijke kenmerken qua gedrag
HPA
cascadesysteem dat in werking slaat wanneer het dier stress ervaart
feromonen
stof geproduceerd door een individu als informatie-overdracht naar een ander individu ( of groep). het is een signaal.
aanpassingen aan gedrag door
ontogenese en leerprocessen
fylogenese
ontogenese
dier kan zich aanpassen aan het milieu door zijn gedrag te veranderen
fylogenese
het genetisch geheugen; adaptaties die over de generaties heen door natuurlijke selectie ontstaan zijn
switch genes
genen die instaan voor de keuze tussen twee mogelijke alternatieven in de ontwikkeling, switch genes beheersen het al dan niet optreden van 1 van de 2. het wel of niet optreden heeft te maken met een drempelwaarde. dus ze bepalen de waarde van de drempelwaarde
algemene modaliteiten
de invloed van genen op het temperament; de gedragspatronen zijn hetzelfde, maar ze verschillen in de intensiteit
heritabiliteit/erfelijkheid
geeft aan in welke mate een eigenschap geselecteerd kan worden. het is een momentopname, zegt iets over de populatie, niets over de erfelijkheid
selectiedifferentiaal
het verschil van gemiddelde of ingemiddlede van uw parentale populatie en uw populatie waarmee je gaat selecteren
gain
het verschil van gemiddelde of ingemiddelde van uw parentale populatie naar uw F1 populatie (hoeveelheid winst die je hebt gemaakt (in staartlengte))
isogene stammen
door een langdurige inteelt tussen broers en zussen is men tot stammen gekomen van die van hetzelfde geslacht exact dezelfde genen hebben en homozygoot zijn
3 soorten experimenten voor pre- en postnatale effecten
wederzijdse kruising stam A/ stam B
cross-fostering
transplanteren van de ovaria
knock-out
het uitschakelen van een gen dat codeert voor een eiwit
biologische evolutie
verandering in de loop van de tijd van de genetisch samenstelling van de leden van een populatie
microëvolutie
veranderingen die plaatsgrijpen binnen een beperkt aantal generaties (1e stap van soortvorming)
macroëvolutie
veranderingen die plaatsgrijpen over eeuwen/ millenia
homologe gedragspatronen
gedragingen binnen verschillende populaties die geheel of gedeeltelijk afstammen van gemeenschappelijke voorouders
analoge gedragspatronen
gelijkaardige gedragingen die doorheen de evolutie ontstaan zijn bij niet-verwante populaties door gelijkaardige selectie-druk van het milieu
ritualisatie
een evolutieproces waarbij intentiebewegingen en oversprongbewegingen gemodificeerd worden tot zij een sociale waarde bekomen
intentiebeweging
je wilt een gedrag starten, maar je maakt het niet af
overspronggedrag
wassen, gapen, als dier in stress
emancipatie
geritualiseerde gedragingen zijn ongevoelig voor factoren die belangrijk waren bij het ontstaan ervan in de oorspronkelijke context
ontologie
hoe ontstaat gedrag in de loop van het leven van een individu
epigenetica
verandering in genexpressie zonder verandering in DNA-sequentie, het vormt in feite een brug tussen fenotype en genotype
isolatieproeven van Kasper Hauser
proeven bij dieren om te kijken wat aangeboren en aangeleerd gedrag was, veel kritiek op want
zelfperceptie
overdacht van informatie tussen contexten
alternatieve compensatieprocessen
maturatie/rijping
gedragsverandering bepaald door de groei van het organisme
neotonie
behoud van kenmerken typisch voor juveniel stadium tijdens adulte periode
regressie
tijdens volwassen stadium treedt opnieuw gedrag uit de jeugd op
fixed action patterns
vrij gesteriotypeerde gedragspatronen
komen voor bij alle individuen van een stam/ras/soort
vaak als reactie op specifieke sleutelprikkels
epigenie
jeugdervaringen kunnen, meer dan latere leerprocessen, vaste geheugenbeelden doen ontstaan die vaak het gedrag voor het leven doen bepalen.
gevoelige periode
de maturatie bepaald het begin:
sensorisch: het jong moet stimuli waarnemen
motorisch: het jong moet kunnen oriënteren en stimulus naderen
de gevoelige periode eindigt wanneer het dier voldoende vertrouwd is met de stimulus en het onderscheid kan maken met andere stimuli.
resultaat = het ontstaan van een voorkeur
motivatie
het proces dat bepaald welk gedrag optreed en wanneer
setpoint en alliesthesie
punt waarop de actuele situatie te veel afwijkt van de norm, en we starten de feedbackloop
=ook: dezelfde prikkel anders waarnemen
motivatietoestand
binnen een bepaalde tijdspanne is een dier onderhevig aan een aantal motivaties, er kan uiteindelijk maar 1 gedrag tegelijkertijd worden uitgevoerd. (behavioral common final path)
karakteristieken van doelgericht gedrag
appetitief gedrag
consummatorische gedrag
fase van verzadiging
appetitief gedrag
het doel zoeken
consummatorisch gedrag
de bevrediging zelf, afsluiten van de gedragssequentie
fase van verzadiging
na bereiken van het doel zal drempelwaarde stijgen