1/37
Looks like no tags are added yet.
affaiblir
verzwakken
applaudir
applaudisseren / toejuichen
avertir
verwittigen / waarschuwen
bondir
springen
convertir
converteren / omzetten
définir
vaststellen / bepalen
finir
eindigen / beëindigen
grandir
groeien
grossir
verdikken / verzwaren
investir
investeren
maigrir
vermageren
pâlir
bleek worden
rajeunir
verjongen
réfléchir
nadenken
refroidir
afkoelen
réussir
slagen / lukken
rôtir
braden
rougir
blozen
salir
vuil maken
vieillir
verouderen
dormir
slapen
mentir
liegen
partir
vertrekken
ressentir
ervaren / voelen
se repentir
berouw hebben
sentir
ruiken / voelen
se sentir (bien/mal)
zich (goed/slecht) voelen
servir
dienen / bedienen
se servir de
gebruiken
sortir
buitengaan / uitgaan
couvrir
dekken / bedekken
découvrir
ontdekken
entrouvrir
half openen
offrir
aanbieden / schenken
ouvrir
openen
recouvrir
volledig bedekken / overtrekken
rouvrir
opnieuw openen
souffrir
lijden