week 4 o&r

0.0(0)
Studied by 0 people
call kaiCall Kai
learnLearn
examPractice Test
spaced repetitionSpaced Repetition
heart puzzleMatch
flashcardsFlashcards
GameKnowt Play
Card Sorting

1/80

encourage image

There's no tags or description

Looks like no tags are added yet.

81 Terms

1
New cards

Balansvergelijking

Bezit = eigen vermogen + vreemd vermogen. Dus EV = bezit - schulden (netto bezit). Na elke mutatie blijft de balans in evenwicht.

2
New cards

Activa en passiva

Activa (debet, links): de bezittingen. Passiva (credit, rechts): hoe die bezittingen gefinancierd zijn, met eigen of vreemd vermogen.

3
New cards

Wanneer is iets een actief? (stramien)

Het komt voort uit een gebeurtenis in het verleden, levert waarschijnlijk economisch voordeel op, de onderneming heeft er beschikkingsmacht over en het is betrouwbaar te waarderen. Daarom staan zelf opgebouwde goodwill en merken meestal niet op de balans.

4
New cards

Vaste en vlottende activa

Vast: gaat langer dan een jaar mee en wordt afgeschreven (machine, pand). Vlottend: blijft kort in de onderneming (voorraad, debiteuren, kas).

5
New cards

Lang en kort vreemd vermogen

Lang: terugbetaling na meer dan een jaar (hypotheek, lening). Kort: binnen een jaar (crediteuren, belastingschuld, rood staan bij de bank).

6
New cards

Voorziening (balanspost)

Vreemd vermogen voor een verwachte toekomstige uitgave waarvan niet zeker is wanneer, hoeveel of aan wie, zoals een garantievoorziening.

7
New cards

Wat laten balans, W&V en kasstroomoverzicht zien?

Balans: standen op één moment. W&V: opbrengsten en kosten over een periode, dus de verandering in EV door de bedrijfsvoering. Kasstroomoverzicht: ontvangsten en uitgaven, dus de verandering in kas en bank.

8
New cards

Uitgave en kosten

Uitgave: er gaat geld uit kas of bank. Kosten: er wordt een productiemiddel opgeofferd, waardoor het EV daalt. Ze kunnen op verschillende momenten vallen.

9
New cards

Ontvangst en opbrengst

Ontvangst: er komt geld binnen. Opbrengst: er wordt output geleverd, waardoor het EV stijgt. Een verkoop op rekening is een opbrengst zonder ontvangst.

10
New cards

Uitgave nu, kosten later

Activeren: bijvoorbeeld een machine kopen. De kosten volgen via de afschrijvingen. Ook vooruitbetaalde huur (overlopend actief).

11
New cards

Kosten nu, uitgave later

Passiveren: bijvoorbeeld een voorziening vormen of nog te betalen huur. Je zet een post aan de passivazijde.

12
New cards

Kosten en uitgave tegelijk

Bijvoorbeeld energie of loon dat direct betaald wordt.

13
New cards

Afschrijving: effecten

Kosten maar geen uitgave. Boekwaarde machine daalt, EV daalt, dus balanstotaal daalt. Kas gelijk. Boekwaarde = aanschafwaarde - afschrijvingen.

14
New cards

Voorziening vormen: effecten

Kosten maar geen uitgave. Winst en EV dalen, voorziening stijgt (beide passivazijde), dus balanstotaal gelijk. Kas gelijk. Solvabiliteit daalt.

15
New cards

Voorziening aanwenden: effecten

Uitgave maar geen kosten (de kosten zijn al genomen). Voorziening en kas dalen, dus balanstotaal daalt. W&V verandert niet.

16
New cards

Aflossing: effecten

Geen kosten, alleen een uitgave. Lening en kas dalen, dus balanstotaal daalt. Komt nooit op de W&V. Rente wel.

17
New cards

Investering (contant): effecten

Uitgave, geen kosten. Kas daalt, machine stijgt, dus balanstotaal gelijk. Niet op de W&V.

18
New cards

Onttrekking en storting door de eigenaar

Onttrekking: kas en EV dalen. Storting: kas en EV stijgen. Geen van beide komt op de W&V, want het is geen bedrijfsactiviteit.

19
New cards

Verkoop op rekening: effecten

Opbrengst, geen ontvangst. Debiteuren stijgen, voorraad daalt met de inkoopwaarde, en het verschil is winst (EV stijgt). Kas gelijk.

20
New cards

Ontvangst van een debiteur

Ontvangst, geen opbrengst. Kas stijgt, debiteuren dalen, balanstotaal gelijk. Niet op de W&V.

21
New cards

Inkoop op rekening en betaling aan een crediteur

Inkoop op rekening: voorraad en crediteuren stijgen, geen kosten en geen uitgave. Betaling aan een crediteur: kas en crediteuren dalen, uitgave maar geen kosten.

22
New cards

Winst maar minder geld?

Kan, omdat winst over opbrengsten en kosten gaat en de kas over ontvangsten en uitgaven. Voorbeeld: verkopen op rekening geven winst, maar het geld komt pas later.

23
New cards

Indeling W&V (2:377)

Opbrengst verkopen - operationele kosten = bedrijfsresultaat; - rente = winst voor belasting; - belasting = nettowinst.

24
New cards

Drie soorten kasstromen

Operationeel: de gewone bedrijfsactiviteiten (inkoop, verkoop, huur, loon). Investering: aanschaf of verkoop van vaste activa. Financiering: lenen, aflossen, storten, onttrekken, dividend.

25
New cards

Winst berekenen met vermogensvergelijking

Winst = EV eind - EV begin - stortingen + onttrekkingen (en + dividend). Aflossingen en investeringen veranderen het EV niet, dus die tel je niet mee.

26
New cards

Openingsbalans en financieringstekort

Investeringsplan (wat nodig is, inclusief inbreng in natura en geactiveerde verbouwing) min financieringsplan (EV + leningen + crediteuren) = tekort. Debiteuren horen er bij de start niet op, want er is nog niets verkocht.

27
New cards

Continuïteitsbeginsel (2:384 lid 3)

Je waardeert ervan uitgaand dat de onderneming blijft bestaan (going concern). Ontbreekt dat vooruitzicht, dan waardeer je op liquidatiewaarde.

28
New cards

Liquidatiewaarde

Wat de bezittingen opbrengen als ze op korte termijn moeten worden verkocht. Lager dan de boekwaarde.

29
New cards

Realisatiebeginsel (2:384 lid 2)

Winst mag pas worden genomen als hij gerealiseerd is. Meestal is dat het moment van levering, omdat dan het risico overgaat op de afnemer. Niet vooruitlopen op toekomstige winst.

30
New cards

Matchingbeginsel (2:362 lid 5)

Kosten worden toegerekend aan de periode waarin de bijbehorende opbrengst valt. Daarom wordt een machine geactiveerd en over de jaren afgeschreven.

31
New cards

Voorzichtigheidsbeginsel (2:384 lid 2)

Verliezen en risico's die nu al te voorzien zijn, neem je direct als kosten, ook al volgt de uitgave later (voorziening). Botst met matching.

32
New cards

Waarderingsgrondslagen (2:384 lid 1)

Historische kosten (verkrijgings- of vervaardigingsprijs) of actuele waarde.

33
New cards

Vier soorten actuele waarde (Besluit actuele waarde)

Vervangingswaarde: wat het kost om een gelijkwaardig middel te kopen. Bedrijfswaarde: wat het middel nog oplevert bij doorgebruik, als het niet vervangen wordt. Marktwaarde: wat het op de markt opbrengt. Opbrengstwaarde: verkoopprijs min nog te maken kosten, als de activiteit op korte termijn stopt.

34
New cards

Schijnwinst en herwaardering

Waardestijging van een actief dat je nog hebt, is geen gerealiseerde winst maar schijnwinst. Niet verkocht: ongerealiseerde herwaardering. Wel verkocht: gerealiseerde herwaardering.

35
New cards

Boekwaarde en marktwaarde van een onderneming

Boekwaarde = EV op de balans (intrinsieke waarde). Marktwaarde = de contante waarde van de verwachte toekomstige kasstromen, bij een beursnotering koers × aantal aandelen. Verschil zonder aanwijsbare post = goodwill.

36
New cards

Goodwill op de balans?

Zelf opgebouwde goodwill nooit. Betaalde goodwill bij een overname wel.

37
New cards

Contante waarde en eindwaarde

E = C × (1 + i)^n en C = E / (1 + i)^n. Geld van later is nu minder waard, omdat je het in de tussentijd had kunnen beleggen.

38
New cards

Waardoor wordt de marktwaarde bepaald?

Door de verwachte kasstromen, de rente en het risico. Rente plus risicotoeslag samen vormen het geëiste rendement.

39
New cards

Aandeel en obligatie: risico

Obligatie: vaste rente, dus alleen neerwaarts risico (de onderneming betaalt niet). Aandeel: zowel neerwaarts als opwaarts risico, want het dividend schommelt.

40
New cards

Transactiekostentheorie (Coase)

Ondernemingen bestaan omdat de markt kosten met zich meebrengt (zoeken, onderhandelen, contracten sluiten en controleren). Zijn die kosten binnen een onderneming lager, dan organiseer je het daar in plaats van via de markt.

41
New cards

Agencytheorie

De principaal (opdrachtgever, bijvoorbeeld een aandeelhouder) laat een agent (bijvoorbeeld een manager) werk doen. De agent weet meer (informatieasymmetrie) en kan zijn eigen belang volgen. Oplossingen: controle (monitoringskosten) of beloning op basis van resultaat.

42
New cards

Twee agencyconflicten in de financiering

Tussen management en aandeelhouders, en tussen aandeelhouders en obligatiehouders. Onderneming (bedrijfseconomisch)

43
New cards

Naaischool-arrest (HR 1914)

Onderneming = "zaak die men opzet of drijft om geldelijke voordelen te behalen". Winst is het doel, de onderneming het middel.

44
New cards

Nexus of contracts

De onderneming als knooppunt van contracten met stakeholders (werknemers, aandeelhouders, leveranciers, schuldeisers). Ieder levert iets en krijgt een tegenprestatie (loon, rente, dividend): dat is zijn claim op de onderneming.

45
New cards

Disciplineringsmechanismen

Faillissement ruimt ondernemingen op die waarde vernietigen. De dreiging van een vijandige overname dwingt bestuurders waarde te creëren.

46
New cards

Vier vakgebieden van de bedrijfseconomie

Strategie en marketing, interne organisatie, financiering, accounting.

47
New cards

Bedrijfskolom en value chain

Bedrijfskolom: de weg van een product van eerste producent tot consument. Elke schakel voegt waarde toe; samen vormen ze de value chain. Het begrip kan ook binnen één onderneming worden gebruikt.

48
New cards

Strategic fit

De bedrijfsmiddelen moeten aansluiten bij wat de omgeving vraagt. Sluit het product niet aan (misalignment), dan mislukt de onderneming.

49
New cards

Hoe overbrugt een onderneming het tijdsverschil tussen uitgaven en ontvangsten?

Met kasgeld, bankkrediet of door de betaling aan leveranciers uit te stellen (leverancierskrediet). Daarvoor heeft ze de vermogensmarkt nodig.

50
New cards

KvK-criteria voor een onderneming

Levering van goederen of diensten, tegen vergoeding, regelmatig deelnemen aan het economisch verkeer, meer dan één opdrachtgever, werk naar eigen inzicht. Twijfel: ook meer dan 15 uur per week. Stille maatschap die jaren minstens € 10.000 omzet: substance-begrip.

51
New cards

Drie visies op de onderneming (Van Schilfgaarde)

Reëel: alleen een vermogensobject. Instrumenteel: verband van goederen en mensen dat een eigenaar voor een doel gebruikt. Institutioneel: organisatie van mensen waarin ook werknemers meebeslissen; winst is middel, geen hoofddoel.

52
New cards

Onderdelen ondernemingsplan

Doel en strategie, omgevings- en interne analyse (SWOT), marketingplan, productieplan, financieel plan.

53
New cards

Onderdelen financieel plan

Investeringsbegroting, financieringsplan, liquiditeitsbegroting (verwacht kasstroomoverzicht) en geprognosticeerde W&V, met best case en worst case.

54
New cards

Waarom maak je een geprognosticeerd kasstroomoverzicht?

Om te voorspellen of er kastekorten of -overschotten komen. Ook banken en investeerders gebruiken het financieel plan om te beoordelen of ze geld in de onderneming steken.

55
New cards

Twee problemen bij het opstellen van de balans

  1. Inventarisatie: staat alles erop? Immateriële zaken (kennis, personeel, reputatie) vaak niet. 2. Waardering: wat is het bezit of de schuld waard? Daardoor is een balans subjectief.
56
New cards

Indeling balans volgens model D

Activa: A vaste activa (immaterieel, materieel, financieel), B vlottende activa (voorraden, vorderingen en overlopende activa, effecten, liquide middelen). Passiva: A eigen vermogen, B voorzieningen, C langlopende schulden, D kortlopende schulden en overlopende passiva.

57
New cards

Onderdelen van het eigen vermogen (model D)

Gestort en opgevraagd kapitaal, agio, herwaarderingsreserve, wettelijke en statutaire reserves, overige reserves, onverdeelde winst.

58
New cards

Definitie actief (Stramien alinea 49)

Middel voortgekomen uit gebeurtenissen in het verleden, waarover de rechtspersoon beschikkingsmacht heeft en waaruit naar verwachting economische voordelen zullen vloeien.

59
New cards

Verwerkingscriteria

Het toekomstige voordeel is waarschijnlijk en de waarde is betrouwbaar vast te stellen. Pas dan komt een post op de balans. Personeel en eigen goodwill voldoen niet.

60
New cards

Definitie vreemd en eigen vermogen (Stramien)

Vreemd vermogen: bestaande verplichting uit het verleden die naar verwachting leidt tot een uitstroom van middelen. Eigen vermogen: wat overblijft van de activa na aftrek van al het vreemd vermogen.

61
New cards

Eigen vermogen als schuld aan de eigenaar

De onderneming 'leent' het EV van de eigenaar en heeft een schuld aan hem. Met EV kun je niets betalen: het is geen geld maar een saldo (bezit min schulden).

62
New cards

Functionele en categoriale kostenindeling

Functioneel: kosten per functie (kostprijs omzet, verkoopkosten, algemene beheerskosten), zoals model F. Categoriaal: kosten per soort (lonen, grondstoffen, sociale lasten, afschrijvingen).

63
New cards

Horizontale en verticale W&V

Horizontaal: kosten links, opbrengsten rechts, saldo aan de kant met de laagste telling. Verticaal: opbrengsten min kosten onder elkaar.

64
New cards

Reële en financiële sfeer

Reëel: uitgaven en ontvangsten door het omzetten van input in output (betaling crediteur, ontvangst debiteur). Financieel: aantrekken en afstoten van vermogen (lening, aflossing, rente, dividend).

65
New cards

Is het kasstroomoverzicht wettelijk verplicht?

Nee. De Raad voor de Jaarverslaggeving geeft er richtlijnen voor.

66
New cards

Directe en indirecte methode

Direct: de werkelijke ontvangsten en uitgaven. Indirect: vertrekt vanuit de winst, telt afschrijvingen erbij en corrigeert voor veranderingen in werkkapitaal.

67
New cards

Onderdelen jaarverslag

Jaarrekening (balans, W&V, toelichting; 2:361), bestuursverslag, overige gegevens.

68
New cards

Doel van de jaarrekening (2:362 lid 1)

Kapstokartikel: volgens normen die in het maatschappelijk verkeer aanvaardbaar zijn een verantwoord inzicht geven in vermogen, resultaat en, zo mogelijk, solvabiliteit en liquiditeit.

69
New cards

Substance over form (2:362 lid 4)

De economische werkelijkheid telt, niet de juridische vorm.

70
New cards

Resultaatbepaling en vermogensvergelijking

Resultaatbepaling: opbrengsten min kosten (W&V). Vermogensvergelijking: EV eind min EV begin, gecorrigeerd voor kapitaalverkeer met de eigenaar (stortingen eraf, onttrekkingen erbij).

71
New cards

Balansmutatiestaat

Overzicht met per balanspost de beginstand, alle mutaties en de eindstand. Daaruit kun je de W&V afleiden.

72
New cards

Monetaire activa en passiva

Monetair actief: vordering op geld door een financieringscontract of nog niet afgewikkelde transactie (kas, debiteuren, uitgeleend geld). Monetair passief: schuld in geld (crediteuren, lening, bankkrediet).

73
New cards

Dynamische balans

Balans gericht op toerekening van ontvangsten en uitgaven aan periodes. Naast monetaire posten en EV: opbrengsten/nog geen ontvangsten, uitgaven/nog geen kosten, ontvangsten/nog geen opbrengsten, kosten/nog geen uitgaven.

74
New cards

Vooruitbetaling door een afnemer

Ontvangst maar nog geen opbrengst. Kas stijgt, en er ontstaat een leveringsverplichting aan de passivazijde. Pas bij levering valt die weg en is er opbrengst.

75
New cards

Vooruitbetaalde huur

Uitgave nu, kosten later. Staat als overlopend actief op de balans tot de periode waarvoor betaald is.

76
New cards

Activeringsprobleem en toerekeningsprobleem

Activering: wat zet je op de balans? Toerekening: aan welke periode wijs je een ontvangst of uitgave toe? Dat laatste speelt omdat ondernemingen meerdere productiecycli doorlopen.

77
New cards

Liquidatiebalans

Balans op liquidatiewaarde bij ontbinding. Toont of de bezittingen de schulden dekken. Zo niet, dan is het EV negatief en krijgen concurrente schuldeisers maar een deel.

78
New cards

Doelen van een onderneming (value chain)

Value creation (waarde maken), sustaining (voortbestaan), capturing (groei).

79
New cards

Arbeidsdeling en comparatieve voordelen

Specialiseren in wat je relatief goed kunt, levert samen meer output op. Dat vraagt coördinatie: via prijzen op de markt of binnen een onderneming.

80
New cards

Residual claimant

Wie krijgt wat overblijft nadat alle anderen betaald zijn, zoals een aandeelhouder of een manager die deelt in het resultaat. Daardoor is hij gemotiveerd om te controleren.

81
New cards

Asset specificity

Bij herhaalde afspraken met specifieke investeringen kan de wederpartij opportunistisch gedrag vertonen. Dat maakt contracten duur, en dan is het goedkoper om het binnen één onderneming te organiseren.