1/80
Looks like no tags are added yet.
Balansvergelijking
Bezit = eigen vermogen + vreemd vermogen. Dus EV = bezit - schulden (netto bezit). Na elke mutatie blijft de balans in evenwicht.
Activa en passiva
Activa (debet, links): de bezittingen. Passiva (credit, rechts): hoe die bezittingen gefinancierd zijn, met eigen of vreemd vermogen.
Wanneer is iets een actief? (stramien)
Het komt voort uit een gebeurtenis in het verleden, levert waarschijnlijk economisch voordeel op, de onderneming heeft er beschikkingsmacht over en het is betrouwbaar te waarderen. Daarom staan zelf opgebouwde goodwill en merken meestal niet op de balans.
Vaste en vlottende activa
Vast: gaat langer dan een jaar mee en wordt afgeschreven (machine, pand). Vlottend: blijft kort in de onderneming (voorraad, debiteuren, kas).
Lang en kort vreemd vermogen
Lang: terugbetaling na meer dan een jaar (hypotheek, lening). Kort: binnen een jaar (crediteuren, belastingschuld, rood staan bij de bank).
Voorziening (balanspost)
Vreemd vermogen voor een verwachte toekomstige uitgave waarvan niet zeker is wanneer, hoeveel of aan wie, zoals een garantievoorziening.
Wat laten balans, W&V en kasstroomoverzicht zien?
Balans: standen op één moment. W&V: opbrengsten en kosten over een periode, dus de verandering in EV door de bedrijfsvoering. Kasstroomoverzicht: ontvangsten en uitgaven, dus de verandering in kas en bank.
Uitgave en kosten
Uitgave: er gaat geld uit kas of bank. Kosten: er wordt een productiemiddel opgeofferd, waardoor het EV daalt. Ze kunnen op verschillende momenten vallen.
Ontvangst en opbrengst
Ontvangst: er komt geld binnen. Opbrengst: er wordt output geleverd, waardoor het EV stijgt. Een verkoop op rekening is een opbrengst zonder ontvangst.
Uitgave nu, kosten later
Activeren: bijvoorbeeld een machine kopen. De kosten volgen via de afschrijvingen. Ook vooruitbetaalde huur (overlopend actief).
Kosten nu, uitgave later
Passiveren: bijvoorbeeld een voorziening vormen of nog te betalen huur. Je zet een post aan de passivazijde.
Kosten en uitgave tegelijk
Bijvoorbeeld energie of loon dat direct betaald wordt.
Afschrijving: effecten
Kosten maar geen uitgave. Boekwaarde machine daalt, EV daalt, dus balanstotaal daalt. Kas gelijk. Boekwaarde = aanschafwaarde - afschrijvingen.
Voorziening vormen: effecten
Kosten maar geen uitgave. Winst en EV dalen, voorziening stijgt (beide passivazijde), dus balanstotaal gelijk. Kas gelijk. Solvabiliteit daalt.
Voorziening aanwenden: effecten
Uitgave maar geen kosten (de kosten zijn al genomen). Voorziening en kas dalen, dus balanstotaal daalt. W&V verandert niet.
Aflossing: effecten
Geen kosten, alleen een uitgave. Lening en kas dalen, dus balanstotaal daalt. Komt nooit op de W&V. Rente wel.
Investering (contant): effecten
Uitgave, geen kosten. Kas daalt, machine stijgt, dus balanstotaal gelijk. Niet op de W&V.
Onttrekking en storting door de eigenaar
Onttrekking: kas en EV dalen. Storting: kas en EV stijgen. Geen van beide komt op de W&V, want het is geen bedrijfsactiviteit.
Verkoop op rekening: effecten
Opbrengst, geen ontvangst. Debiteuren stijgen, voorraad daalt met de inkoopwaarde, en het verschil is winst (EV stijgt). Kas gelijk.
Ontvangst van een debiteur
Ontvangst, geen opbrengst. Kas stijgt, debiteuren dalen, balanstotaal gelijk. Niet op de W&V.
Inkoop op rekening en betaling aan een crediteur
Inkoop op rekening: voorraad en crediteuren stijgen, geen kosten en geen uitgave. Betaling aan een crediteur: kas en crediteuren dalen, uitgave maar geen kosten.
Winst maar minder geld?
Kan, omdat winst over opbrengsten en kosten gaat en de kas over ontvangsten en uitgaven. Voorbeeld: verkopen op rekening geven winst, maar het geld komt pas later.
Indeling W&V (2:377)
Opbrengst verkopen - operationele kosten = bedrijfsresultaat; - rente = winst voor belasting; - belasting = nettowinst.
Drie soorten kasstromen
Operationeel: de gewone bedrijfsactiviteiten (inkoop, verkoop, huur, loon). Investering: aanschaf of verkoop van vaste activa. Financiering: lenen, aflossen, storten, onttrekken, dividend.
Winst berekenen met vermogensvergelijking
Winst = EV eind - EV begin - stortingen + onttrekkingen (en + dividend). Aflossingen en investeringen veranderen het EV niet, dus die tel je niet mee.
Openingsbalans en financieringstekort
Investeringsplan (wat nodig is, inclusief inbreng in natura en geactiveerde verbouwing) min financieringsplan (EV + leningen + crediteuren) = tekort. Debiteuren horen er bij de start niet op, want er is nog niets verkocht.
Continuïteitsbeginsel (2:384 lid 3)
Je waardeert ervan uitgaand dat de onderneming blijft bestaan (going concern). Ontbreekt dat vooruitzicht, dan waardeer je op liquidatiewaarde.
Liquidatiewaarde
Wat de bezittingen opbrengen als ze op korte termijn moeten worden verkocht. Lager dan de boekwaarde.
Realisatiebeginsel (2:384 lid 2)
Winst mag pas worden genomen als hij gerealiseerd is. Meestal is dat het moment van levering, omdat dan het risico overgaat op de afnemer. Niet vooruitlopen op toekomstige winst.
Matchingbeginsel (2:362 lid 5)
Kosten worden toegerekend aan de periode waarin de bijbehorende opbrengst valt. Daarom wordt een machine geactiveerd en over de jaren afgeschreven.
Voorzichtigheidsbeginsel (2:384 lid 2)
Verliezen en risico's die nu al te voorzien zijn, neem je direct als kosten, ook al volgt de uitgave later (voorziening). Botst met matching.
Waarderingsgrondslagen (2:384 lid 1)
Historische kosten (verkrijgings- of vervaardigingsprijs) of actuele waarde.
Vier soorten actuele waarde (Besluit actuele waarde)
Vervangingswaarde: wat het kost om een gelijkwaardig middel te kopen. Bedrijfswaarde: wat het middel nog oplevert bij doorgebruik, als het niet vervangen wordt. Marktwaarde: wat het op de markt opbrengt. Opbrengstwaarde: verkoopprijs min nog te maken kosten, als de activiteit op korte termijn stopt.
Schijnwinst en herwaardering
Waardestijging van een actief dat je nog hebt, is geen gerealiseerde winst maar schijnwinst. Niet verkocht: ongerealiseerde herwaardering. Wel verkocht: gerealiseerde herwaardering.
Boekwaarde en marktwaarde van een onderneming
Boekwaarde = EV op de balans (intrinsieke waarde). Marktwaarde = de contante waarde van de verwachte toekomstige kasstromen, bij een beursnotering koers × aantal aandelen. Verschil zonder aanwijsbare post = goodwill.
Goodwill op de balans?
Zelf opgebouwde goodwill nooit. Betaalde goodwill bij een overname wel.
Contante waarde en eindwaarde
E = C × (1 + i)^n en C = E / (1 + i)^n. Geld van later is nu minder waard, omdat je het in de tussentijd had kunnen beleggen.
Waardoor wordt de marktwaarde bepaald?
Door de verwachte kasstromen, de rente en het risico. Rente plus risicotoeslag samen vormen het geëiste rendement.
Aandeel en obligatie: risico
Obligatie: vaste rente, dus alleen neerwaarts risico (de onderneming betaalt niet). Aandeel: zowel neerwaarts als opwaarts risico, want het dividend schommelt.
Transactiekostentheorie (Coase)
Ondernemingen bestaan omdat de markt kosten met zich meebrengt (zoeken, onderhandelen, contracten sluiten en controleren). Zijn die kosten binnen een onderneming lager, dan organiseer je het daar in plaats van via de markt.
Agencytheorie
De principaal (opdrachtgever, bijvoorbeeld een aandeelhouder) laat een agent (bijvoorbeeld een manager) werk doen. De agent weet meer (informatieasymmetrie) en kan zijn eigen belang volgen. Oplossingen: controle (monitoringskosten) of beloning op basis van resultaat.
Twee agencyconflicten in de financiering
Tussen management en aandeelhouders, en tussen aandeelhouders en obligatiehouders. Onderneming (bedrijfseconomisch)
Naaischool-arrest (HR 1914)
Onderneming = "zaak die men opzet of drijft om geldelijke voordelen te behalen". Winst is het doel, de onderneming het middel.
Nexus of contracts
De onderneming als knooppunt van contracten met stakeholders (werknemers, aandeelhouders, leveranciers, schuldeisers). Ieder levert iets en krijgt een tegenprestatie (loon, rente, dividend): dat is zijn claim op de onderneming.
Disciplineringsmechanismen
Faillissement ruimt ondernemingen op die waarde vernietigen. De dreiging van een vijandige overname dwingt bestuurders waarde te creëren.
Vier vakgebieden van de bedrijfseconomie
Strategie en marketing, interne organisatie, financiering, accounting.
Bedrijfskolom en value chain
Bedrijfskolom: de weg van een product van eerste producent tot consument. Elke schakel voegt waarde toe; samen vormen ze de value chain. Het begrip kan ook binnen één onderneming worden gebruikt.
Strategic fit
De bedrijfsmiddelen moeten aansluiten bij wat de omgeving vraagt. Sluit het product niet aan (misalignment), dan mislukt de onderneming.
Hoe overbrugt een onderneming het tijdsverschil tussen uitgaven en ontvangsten?
Met kasgeld, bankkrediet of door de betaling aan leveranciers uit te stellen (leverancierskrediet). Daarvoor heeft ze de vermogensmarkt nodig.
KvK-criteria voor een onderneming
Levering van goederen of diensten, tegen vergoeding, regelmatig deelnemen aan het economisch verkeer, meer dan één opdrachtgever, werk naar eigen inzicht. Twijfel: ook meer dan 15 uur per week. Stille maatschap die jaren minstens € 10.000 omzet: substance-begrip.
Drie visies op de onderneming (Van Schilfgaarde)
Reëel: alleen een vermogensobject. Instrumenteel: verband van goederen en mensen dat een eigenaar voor een doel gebruikt. Institutioneel: organisatie van mensen waarin ook werknemers meebeslissen; winst is middel, geen hoofddoel.
Onderdelen ondernemingsplan
Doel en strategie, omgevings- en interne analyse (SWOT), marketingplan, productieplan, financieel plan.
Onderdelen financieel plan
Investeringsbegroting, financieringsplan, liquiditeitsbegroting (verwacht kasstroomoverzicht) en geprognosticeerde W&V, met best case en worst case.
Waarom maak je een geprognosticeerd kasstroomoverzicht?
Om te voorspellen of er kastekorten of -overschotten komen. Ook banken en investeerders gebruiken het financieel plan om te beoordelen of ze geld in de onderneming steken.
Twee problemen bij het opstellen van de balans
Indeling balans volgens model D
Activa: A vaste activa (immaterieel, materieel, financieel), B vlottende activa (voorraden, vorderingen en overlopende activa, effecten, liquide middelen). Passiva: A eigen vermogen, B voorzieningen, C langlopende schulden, D kortlopende schulden en overlopende passiva.
Onderdelen van het eigen vermogen (model D)
Gestort en opgevraagd kapitaal, agio, herwaarderingsreserve, wettelijke en statutaire reserves, overige reserves, onverdeelde winst.
Definitie actief (Stramien alinea 49)
Middel voortgekomen uit gebeurtenissen in het verleden, waarover de rechtspersoon beschikkingsmacht heeft en waaruit naar verwachting economische voordelen zullen vloeien.
Verwerkingscriteria
Het toekomstige voordeel is waarschijnlijk en de waarde is betrouwbaar vast te stellen. Pas dan komt een post op de balans. Personeel en eigen goodwill voldoen niet.
Definitie vreemd en eigen vermogen (Stramien)
Vreemd vermogen: bestaande verplichting uit het verleden die naar verwachting leidt tot een uitstroom van middelen. Eigen vermogen: wat overblijft van de activa na aftrek van al het vreemd vermogen.
Eigen vermogen als schuld aan de eigenaar
De onderneming 'leent' het EV van de eigenaar en heeft een schuld aan hem. Met EV kun je niets betalen: het is geen geld maar een saldo (bezit min schulden).
Functionele en categoriale kostenindeling
Functioneel: kosten per functie (kostprijs omzet, verkoopkosten, algemene beheerskosten), zoals model F. Categoriaal: kosten per soort (lonen, grondstoffen, sociale lasten, afschrijvingen).
Horizontale en verticale W&V
Horizontaal: kosten links, opbrengsten rechts, saldo aan de kant met de laagste telling. Verticaal: opbrengsten min kosten onder elkaar.
Reële en financiële sfeer
Reëel: uitgaven en ontvangsten door het omzetten van input in output (betaling crediteur, ontvangst debiteur). Financieel: aantrekken en afstoten van vermogen (lening, aflossing, rente, dividend).
Is het kasstroomoverzicht wettelijk verplicht?
Nee. De Raad voor de Jaarverslaggeving geeft er richtlijnen voor.
Directe en indirecte methode
Direct: de werkelijke ontvangsten en uitgaven. Indirect: vertrekt vanuit de winst, telt afschrijvingen erbij en corrigeert voor veranderingen in werkkapitaal.
Onderdelen jaarverslag
Jaarrekening (balans, W&V, toelichting; 2:361), bestuursverslag, overige gegevens.
Doel van de jaarrekening (2:362 lid 1)
Kapstokartikel: volgens normen die in het maatschappelijk verkeer aanvaardbaar zijn een verantwoord inzicht geven in vermogen, resultaat en, zo mogelijk, solvabiliteit en liquiditeit.
Substance over form (2:362 lid 4)
De economische werkelijkheid telt, niet de juridische vorm.
Resultaatbepaling en vermogensvergelijking
Resultaatbepaling: opbrengsten min kosten (W&V). Vermogensvergelijking: EV eind min EV begin, gecorrigeerd voor kapitaalverkeer met de eigenaar (stortingen eraf, onttrekkingen erbij).
Balansmutatiestaat
Overzicht met per balanspost de beginstand, alle mutaties en de eindstand. Daaruit kun je de W&V afleiden.
Monetaire activa en passiva
Monetair actief: vordering op geld door een financieringscontract of nog niet afgewikkelde transactie (kas, debiteuren, uitgeleend geld). Monetair passief: schuld in geld (crediteuren, lening, bankkrediet).
Dynamische balans
Balans gericht op toerekening van ontvangsten en uitgaven aan periodes. Naast monetaire posten en EV: opbrengsten/nog geen ontvangsten, uitgaven/nog geen kosten, ontvangsten/nog geen opbrengsten, kosten/nog geen uitgaven.
Vooruitbetaling door een afnemer
Ontvangst maar nog geen opbrengst. Kas stijgt, en er ontstaat een leveringsverplichting aan de passivazijde. Pas bij levering valt die weg en is er opbrengst.
Vooruitbetaalde huur
Uitgave nu, kosten later. Staat als overlopend actief op de balans tot de periode waarvoor betaald is.
Activeringsprobleem en toerekeningsprobleem
Activering: wat zet je op de balans? Toerekening: aan welke periode wijs je een ontvangst of uitgave toe? Dat laatste speelt omdat ondernemingen meerdere productiecycli doorlopen.
Liquidatiebalans
Balans op liquidatiewaarde bij ontbinding. Toont of de bezittingen de schulden dekken. Zo niet, dan is het EV negatief en krijgen concurrente schuldeisers maar een deel.
Doelen van een onderneming (value chain)
Value creation (waarde maken), sustaining (voortbestaan), capturing (groei).
Arbeidsdeling en comparatieve voordelen
Specialiseren in wat je relatief goed kunt, levert samen meer output op. Dat vraagt coördinatie: via prijzen op de markt of binnen een onderneming.
Residual claimant
Wie krijgt wat overblijft nadat alle anderen betaald zijn, zoals een aandeelhouder of een manager die deelt in het resultaat. Daardoor is hij gemotiveerd om te controleren.
Asset specificity
Bij herhaalde afspraken met specifieke investeringen kan de wederpartij opportunistisch gedrag vertonen. Dat maakt contracten duur, en dan is het goedkoper om het binnen één onderneming te organiseren.