1/53
Looks like no tags are added yet.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai | Chat |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
Psychische energie
De bron van energie binnen een persoon die alle menselijke activiteit motiveert volgens het behoud van energie.
Libido
Het levensinstinct, oorspronkelijk gericht op zelfbehoud en seks, later verbreed naar alle pleziergerichte driften.
Thanatos
Het doodsinstinct, gericht op vernietiging, agressie en schade aan anderen of jezelf.
Psychisch determinisme
Het principe dat niets bij toeval gebeurt, elke gedachte, handeling of gevoel heeft een oorzaak in de geest.
Bewuste (Conscious)
Alles waar je op dit moment aan denkt of wat je nu waarneemt.
Voorbewuste (Preconscious)
Informatie waar je nu niet aan denkt, maar die je gemakkelijk kunt oproepen.
Onbewuste (Unconscious)
Het grootste deel van de geest, bevattende onacceptabele wensen, herinneringen en impulsen.
Blindsight (Blindzien)
Fenomeen waarbij mensen met visuele hersenschade voorwerpen kunnen aanwijzen zonder ze bewuste te zien.
Deliberation-without-attention
Het effect waarbij het onbewuste beter is in het nemen van complexe beslissingen dan het bewuste.
Id
Het meest primitieve deel van de persoonlijkheid dat driften en behoeften onmiddellijk wil bevredigen.
Werkt via lustprincipe en primary process thinking
Lustprincipe (Pleasure principle)
Het principe van het Id: 'Ik wil het en ik wil het nu.'
Ego
Het deel van de persoonlijkheid dat rekening houdt met de werkelijkheid en realistische manieren zoekt om wensen te bevredigen.
Werkt via realiteitsprincipe en secundaire process thinking
Secundairy process thinking en reality testing
Opstellen van een realistisch actieplan en dit toetsen aan de werkelijkheid om behoeften op een veilig en maatschappelijk acceptabel moment te bevredigen
Realiteitsprincipe (Reality principle)
Principe van Ego
Begrijpen dat je niet elke impuls meteen kunt uitvoeren en rekening moet houden met de werkelijkheid.
Superego
Ontwikkelt zich door internalisering van waarden en maatschappelijke normen; stelt perfectionistische standaarden.
Verschil tussen het ego-ideaal en het geweten (Conscience)
Ego-ideaal omvat de morele standaarden en regels voor gedrag waarnaar men streeft
Het geweten bevat de regels over gedrag dat door ouders wordt afgekeurd en bestraft
Introjectie
Proces waarbij het kind de normen, waarden en morele standaarden van de ouders overneemt om hun liefde te behouden en straf te vermijden
Ego-uitputting (Ego depletion)
Het idee dat zelfbeheersing psychische energie kost, waardoor tijdelijk minder energie overblijft voor volgende taken.
Ego strength
Het vermogen van het Ego om effectief te zijn ondanks conflicten tussen de eisen van het Id, de Superego en de realiteit
Conversion reaction
Afweermechanisme waarbij een intens innerlijk conflict wordt omgezet in fysieke symptomen om angst te vermijden
Objectieve angst
Angst als reactie op reƫle, externe dreigingen.
Neurotische angst
Angst door een conflict tussen het Id en het Ego (dat een onacceptabele drift ontsnapt).
Morele angst
Schuldgevoel of angst door een conflict tussen het Ego en het Superego.
Verdringing (Repression)
Het buiten het bewustzijn houden van bedreigende of onacceptabele gedachten, herinneringen of impulsen.
Ontkenning (Denial)
Weigeren de realiteit van een pijnlijke of bedreigende situatie in te zien.
Verplaatsing (Displacement)
Een onacceptabele impuls richten op een minder dreigend doelwit.
Rationalisatie
Het achteraf bedenken van een acceptabele verklaring voor gedrag om de echte reden te verhullen.
Reactieformatie
Je gedragen op een manier die precies tegenovergesteld is aan een onacceptabele impuls die je voelt.
Projectie
Het toeschrijven van je eigen onacceptabele kwaliteiten of gevoelens aan anderen.
Sublimatie
Het omzetten van onacceptabele driften in sociaal wenselijke activiteiten (het gezondste afweermechanisme).
Orale fase
Eerste 18 maanden
Plezier via mond, lippen en tong.
Conflict rondom stoppen met voeding.
Anale fase
18 maanden tot 3 jaar
Focus op zindelijkheidstraining en controle over ontlasting.
Fallische fase
3 tot 5 jaar
Bewustzijn van genitaliƫn
Gekenmerkt door het Oedipus- (jongens) of Electracomplex (meisjes)
Latentiefase
Vanaf 6 jaar tot puberteit
Rustige periode waarin energie naar leren en vriendschappen gaat.
Genitale fase
Puberteit en verder
Focus op volwassen seksualiteit en gezonde relaties.
Goed bereiken van deze fase vereist volgens Freud dat eerdere conflicten voldoende zijn opgelost.
Vrije associatie
Therapeutische techniek waarbij de patiƫnt ontspannen alles deelt wat in de geest opkomt zonder censuur.
Manifeste inhoud
De feitelijke gebeurtenissen en verhalen in een droom.
Latente inhoud
De verborgen, symbolische betekenis achter de manifeste inhoud van een droom.
Projectieve technieken
Methoden zoals de Rorschach-inktvlekkentest waarbij ambigue stimuli de persoonlijkheid en onbewuste conflicten weerspiegelen.
Weerstand (Resistance)
Het onbewust tegenhouden of ontwijken van bedreigend onbewust materiaal tijdens therapie.
Overdracht (Transference)
Het proces waarbij een patiƫnt gevoelens over belangrijke personen uit het verleden verplaatst naar de therapeut.
Id vs. Ego vs. Superego
Id = wat wil ik? (driften/onmiddellijke bevrediging)
Ego = wat kan realistisch?
Superego = wat hoort/mag volgens normen en moraal?
Primary vs. Secondary process thinking
Primary process thinking = fantasie/denken zonder rekening te houden met logica of realiteit (Id).
Secondary process thinking = logisch en realistisch nadenken over hoe een behoefte bevredigd kan worden (Ego).
Fixatie (Fixation)
Een conflict in een psychoseksuele fase wordt onvoldoende opgelost ā psychische energie blijft aan die fase gebonden ā kenmerken kunnen later terugkomen in de persoonlijkheid.
Erogene zone
Het gebied in het lichaam dat de focus is van seksuele energie in die fase
Orale fixatie
Te veel/weinig bevrediging in orale fase
ā later bijvoorbeeld afhankelijkheid of orale gewoonten zoals roken, eten of nagelbijten.
Anale fixatie
Problemen rond zindelijkheid/controle
ā later extreem netjes, precies en star óf juist slordig gedrag.
Oedipuscomplex (fallische fase)
Jongen verlangt naar moeder en ziet vader als concurrent ā castratieangst ā identificeert zich met vader.
Projectieve hypothese
Wat iemand ziet in een ambigue stimulus weerspiegelt volgens Freud de eigen persoonlijkheid, conflicten en verdrongen verlangens.
Belangrijkste kritiek op Freud
Moeilijk wetenschappelijk te testen
Beperkte onderzoeksgroep
Te veel nadruk op seks/agressie en vroege jeugd
Negatief mensbeeld
Bekritiseerde visie op vrouwen
Electracomplex + penis envy (fallische fase)
Meisje ontdekt volgens Freud dat ze geen penis heeft (penis envy), geeft haar moeder hiervan de schuld en richt zich op haar vader ā uiteindelijk identificeert ze zich weer met haar moeder.
One-way mental gate (eenrichtingspoort) van het onbewuste
Blokkeert traumatische of angstwekkende gedachten actief, om het Ego te beschermen
Anale-expulsieve kenmerken
Kinderen die rebelleren door zich te ontlasten op momenten en plaatsen die ouders niet willen, worden later slordig, wreed en vijandig
Anale-retentieve kenmerken
Kinderen die zich te veel beheersen ontwikkelen een rigide en overdreven nette persoonlijkheid, vaak gekenmerkt door gierigheid, koppigheid en ordening