20 (1+2+3)

0.0(0)
Studied by 0 people
call kaiCall Kai
learnLearn
examPractice Test
spaced repetitionSpaced Repetition
heart puzzleMatch
flashcardsFlashcards
GameKnowt Play
Card Sorting

1/314

encourage image

There's no tags or description

Looks like no tags are added yet.

Last updated 7:34 AM on 10/16/26
Name
Mastery
Learn
Test
Matching
Spaced
Call with Kai
Chat

No analytics yet

Send a link to your students to track their progress

315 Terms

1
New cards

hacer

(tr) bevel geven, zorgen dat iets gebeurt, (-se) worden, (tr) doen, handelen, maken, uitrichten

2
New cards

dejar

(aux) laten, toelaten, (intr de) stoppen, (tr) achterlaten, loslaten

3
New cards

empezar

(tr) aanvangen, beginnen, (intr a) beginnen met iets te doen, (intr por) iets eerst doen

4
New cards

poner

(se a) beginnen, starten, (se) iets aantrekken, zich kleden, (se) worden, (se) ondergaan (zon), (tr) aantrekken, een kledingstuk aandoen, (tr) plaatsen, zetten

5
New cards

repetir

(tr) herhalen, (tr) nazeggen, (tr) blijven zitten

6
New cards

volver

(aux a) opnieuw, herhalen, (-se) zich omdraaien, (-se) worden, (intr) terugkomen, terugkeren, (tr) omdraaien, keren

7
New cards

nacer

(intr) ontspringen, onstaan, (intr) geboren worden

8
New cards

preparar

(se) zich klaarmaken, zich voorbereiden, (tr) bereiden, klaarmaken

9
New cards

durar

(intr) aanhouden, duren, voortduren

10
New cards

quedar

(intr bien/mal) goed/slecht staan, overkomen, (se) blijven, (se) eindigen, geraken, (intr) worden, een effect ondergaan, (intr) afspreken, (se con tr.) houden, voor zich houden

11
New cards

seguir

(intr gerundio) doorgaan, verderdoen, (tr) achter iets aangaan, na iets komen, volgen op, (tr) volgen, gehoorzamen, respecteren

12
New cards

terminar

(intr) aflopen, eindigen, (intr de + inf) klaar zijn met iets, (tr) afwerken, beëindigen, volbrengen

13
New cards

acabar

(-se) eindigen, (tr) beëindigen, (intr) eindigen, (intr de) net, zojuist

14
New cards

pasar

(intr) overgaan, verlopen, voorbijgaan, (-se) overdrijven, (intr) gebeuren, (tr) pas geven, passen, (tr) tijd doorbrengen

15
New cards

dejar

(intr de) stoppen, (aux) laten, toelaten, (tr) achterlaten, loslaten

16
New cards

estar

(intr) zich bevinden, zijn

17
New cards

haber

(imp) zijn, bestaan

18
New cards

cambiar

(intr de) veranderen, (tr) corrigeren, rechtzetten, verbeteren, (-se) zich omkleden, (tr por) ruilen, wisselen

19
New cards

cometer

(tr) begaan, plegen

20
New cards

conducir

(tr) besturen, leiden, (tr) rijden, sturen, voeren

21
New cards

mandar

(tr) aanvoeren, bevelen, commanderen, (tr) sturen

22
New cards

tocar

(tr) aan de beurt zijn, (tr) een instrument spelen, muziek spelen, (tr) aanraken, raken

23
New cards

vivir

(tr) beleven, (intr) leven, (intr) wonen

24
New cards

montar

(tr) monteren, in elkaar steken

25
New cards

terminar

(tr) afwerken, beëindigen, eindigen, volbrengen, (intr) aflopen, (intr de + inf) klaar zijn met iets, (intr) aflopen, eindigen

26
New cards

deshacer

(tr) losmaken, afbreken, uit elkaar halen

27
New cards

levantar

(se) opstaan, rechtstaan, (tr) oprichten, tillen, heffen

28
New cards

acostar

(se) gaan liggen, (se con) naar bed gaan met iemand, (se) gaan slapen, (tr) naar bed brengen

29
New cards

sentar

(se) gaan zitten

30
New cards

ir

(-se) vertrekken, weggaan, zich verwijderen, (intr) gaan, lopen, zich begeven

31
New cards

andar

(intr) gaan, lopen, (intr en) rijden

32
New cards

ir andando

(intr) te voet gaan

33
New cards

caminar

(intr) lopen, wandelen

34
New cards

pasar por

(intr) voorbij komen, ergens zijn

35
New cards

pasear

(intr) wandelen, (-se) flaneren, kuieren, slenteren, (tr) uitlaten

36
New cards

abrir

(se) vertrekken, ervandoor gaan, (se a) bereid zijn, (tr) opendoen, openen, openmaken

37
New cards

bajar

(intr) afdalen, dalen, uitstappen, zakken, (tr) downloaden, (tr) laten zakken

38
New cards

subir

(tr) beklimmen, (tr) klimmen, naar boven gaan, opgaan, stijgen

39
New cards

venir

(intr) komen

40
New cards

girar

(intr) draaien, ronddraaien

41
New cards

dar la vuelta

omdraaien

42
New cards

levantar

(tr) oprichten, tillen, heffen, (-se) opstaan, rechtstaan

43
New cards

traer

(tr) brengen, meebrengen

44
New cards

llevar

(tr) meenemen, (tr) aanhebben, brengen, dragen

45
New cards

tomar

(tr) nemen, pakken, vastpakken, doen (tr) kiezen, (tr) drinken, consumeren

46
New cards

coger

(tr) grijpen, nemen, (tr am.) neuken

47
New cards

tocar

(tr) aanraken, raken, (tr) een instrument spelen, muziek spelen, (tr) aan de beurt zijn

48
New cards

buscar

(tr) zoeken, (tr) halen, ophalen

49
New cards

devolver

(tr) teruggeven, terugbetalen

50
New cards

tener

(tr) hebben, houden, vasthouden

51
New cards

reservar

(tr) reserveren

52
New cards

recibir

(tr) accepteren, krijgen, ontvangen

53
New cards

compartir

(tr) delen, samen bezitten, hetzelfde bezitten, (tr) uitwisselen

54
New cards

quitar

(tr) wegnemen, (-se) uitdoen, een kledingstuk uittrekken

55
New cards

separar

(tr) afscheiden, afzonderen, (tr) losmaken, scheiden

56
New cards

cerrar

(tr) afsluiten, dichtdoen, dichtmaken, sluiten

57
New cards

abrir

(tr) opendoen, openen, openmaken, (-se a) bereid zijn, (-se) vertrekken ervandoor gaan

58
New cards

dejar

(tr) achterlaten, loslaten, (aux) laten, toelaten, (intr de) stoppen

59
New cards

completar

(tr) aanvullen, completeren, voltooien

60
New cards

pedir

(tr) verzoeken, vragen, (tr) bestellen

61
New cards

tener que (aux)

moeten

62
New cards

deber

(aux) dienen, moeten, (tr) verschuldigd zijn

63
New cards

necesitar

(tr) nodig hebben, vereisen

64
New cards

poder

(aux) kunnen, mogen

65
New cards

presentar

(tr) aanbieden, indienen, presenteren, vertonen, (tr) iemand voorstellen

66
New cards

casar

(intr con) passen, overeenstemmen, rijmen, (-se con) in het huwelijk treden, (tr) trouwen

67
New cards
68
New cards

ocasionar

(tr) aanrichten, teweegbrengen, veroorzaken

69
New cards

provocar

(tr) veroorzaken, leiden tot, (tr) provoceren, tarten, uitdagen

70
New cards

resultar

(intr) blijken, resulteren, uitkomen

71
New cards

bloquear

(tr) blokkeren, vergrendelen, versperren

72
New cards

brotar

(intr) ontkiemen, opkomen, uitlopen

73
New cards

iniciar

(intr) beginnen, een aanvang nemen, (tr) starten, (tr) inwijden

74
New cards

inaugurar

(tr) inhuldigen, inwijden, openen

75
New cards

estrenar

(tr) voor het eerst gebruiken, in première gaan

76
New cards

desenvolver

(se) verlopen, gebeuren, (se) zijn plan trekken, (tr) uitnemen, openmaken

77
New cards

concluir

(intr) eindigen, ('tr) afleiden, besluiten, concluderen

78
New cards

finalizar

(tr) aflopen, eindigen, (tr) afwerken, afronden

79
New cards

vencer

(intr) vervallen, verstrijken, (tr) overwinnen, verslaan, zegevieren

80
New cards

abandonar

(tr) stoppen, tr) opgeven, (tr) verlaten, vertrekken uit

81
New cards

detener

(tr) tegenhouden, doen stilstaan, (-se) blijven staan, stilhouden, stoppen, (tr) ophouden, vasthouden, (tr) aanhouden, arresteren, inrekenen

82
New cards

suceder

(intr) gebeuren, opvolgen, voorkomen

83
New cards

ocurrir

(intr) gebeuren, voorkomen, voorvallen

84
New cards

estar a la vista

in het zicht zijn

85
New cards

adaptar

(tr) aanpassen, (-se a) zich aanpassen

86
New cards

convertir

(tr) omzetten, veranderen, (-se) zich bekeren, (se en) veranderen, evolueren

87
New cards

modificar

(tr) modificeren, wijzigen

88
New cards

transformar

(tr) transformeren, veranderen

89
New cards

desarrollar

(se) evolueren, (tr) maken, ontwikkelen

90
New cards

evolucionar

(intr) evolueren, ontwikkelen

91
New cards

mejorar

(tr) opknappen, verbeteren, (-se) beter worden, genezen

92
New cards

alcanzar

(tr) bereiken, behalen, iets realiseren, (tr) ergens arriveren, (tr) raken

93
New cards

lograr

(tr) lukken, slagen

94
New cards

florecer

(intr) bloeien, floreren, opbloeien, succesvol zijn, (intr) bloem dragen

95
New cards

fracasar

(intr) mislukken

96
New cards

complicar

(tr) compliceren, (se) moeilijk worden

97
New cards

fallar

(intr) falen, mislukken, (tr) uitspraak doen

98
New cards

gastar

(se) eroderen, kapot gaan, verslijten, (tr) gebruiken, uitgeven, verbruiken

99
New cards

absorber

(tr) absorberen, (tr) opslurpen

100
New cards

madurar

(intr) rijpen, volwassen worden