1/314
Looks like no tags are added yet.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai | Chat |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
hacer
(tr) bevel geven, zorgen dat iets gebeurt, (-se) worden, (tr) doen, handelen, maken, uitrichten
dejar
(aux) laten, toelaten, (intr de) stoppen, (tr) achterlaten, loslaten
empezar
(tr) aanvangen, beginnen, (intr a) beginnen met iets te doen, (intr por) iets eerst doen
poner
(se a) beginnen, starten, (se) iets aantrekken, zich kleden, (se) worden, (se) ondergaan (zon), (tr) aantrekken, een kledingstuk aandoen, (tr) plaatsen, zetten
repetir
(tr) herhalen, (tr) nazeggen, (tr) blijven zitten
volver
(aux a) opnieuw, herhalen, (-se) zich omdraaien, (-se) worden, (intr) terugkomen, terugkeren, (tr) omdraaien, keren
nacer
(intr) ontspringen, onstaan, (intr) geboren worden
preparar
(se) zich klaarmaken, zich voorbereiden, (tr) bereiden, klaarmaken
durar
(intr) aanhouden, duren, voortduren
quedar
(intr bien/mal) goed/slecht staan, overkomen, (se) blijven, (se) eindigen, geraken, (intr) worden, een effect ondergaan, (intr) afspreken, (se con tr.) houden, voor zich houden
seguir
(intr gerundio) doorgaan, verderdoen, (tr) achter iets aangaan, na iets komen, volgen op, (tr) volgen, gehoorzamen, respecteren
terminar
(intr) aflopen, eindigen, (intr de + inf) klaar zijn met iets, (tr) afwerken, beëindigen, volbrengen
acabar
(-se) eindigen, (tr) beëindigen, (intr) eindigen, (intr de) net, zojuist
pasar
(intr) overgaan, verlopen, voorbijgaan, (-se) overdrijven, (intr) gebeuren, (tr) pas geven, passen, (tr) tijd doorbrengen
dejar
(intr de) stoppen, (aux) laten, toelaten, (tr) achterlaten, loslaten
estar
(intr) zich bevinden, zijn
haber
(imp) zijn, bestaan
cambiar
(intr de) veranderen, (tr) corrigeren, rechtzetten, verbeteren, (-se) zich omkleden, (tr por) ruilen, wisselen
cometer
(tr) begaan, plegen
conducir
(tr) besturen, leiden, (tr) rijden, sturen, voeren
mandar
(tr) aanvoeren, bevelen, commanderen, (tr) sturen
tocar
(tr) aan de beurt zijn, (tr) een instrument spelen, muziek spelen, (tr) aanraken, raken
vivir
(tr) beleven, (intr) leven, (intr) wonen
montar
(tr) monteren, in elkaar steken
terminar
(tr) afwerken, beëindigen, eindigen, volbrengen, (intr) aflopen, (intr de + inf) klaar zijn met iets, (intr) aflopen, eindigen
deshacer
(tr) losmaken, afbreken, uit elkaar halen
levantar
(se) opstaan, rechtstaan, (tr) oprichten, tillen, heffen
acostar
(se) gaan liggen, (se con) naar bed gaan met iemand, (se) gaan slapen, (tr) naar bed brengen
sentar
(se) gaan zitten
ir
(-se) vertrekken, weggaan, zich verwijderen, (intr) gaan, lopen, zich begeven
andar
(intr) gaan, lopen, (intr en) rijden
ir andando
(intr) te voet gaan
caminar
(intr) lopen, wandelen
pasar por
(intr) voorbij komen, ergens zijn
pasear
(intr) wandelen, (-se) flaneren, kuieren, slenteren, (tr) uitlaten
abrir
(se) vertrekken, ervandoor gaan, (se a) bereid zijn, (tr) opendoen, openen, openmaken
bajar
(intr) afdalen, dalen, uitstappen, zakken, (tr) downloaden, (tr) laten zakken
subir
(tr) beklimmen, (tr) klimmen, naar boven gaan, opgaan, stijgen
venir
(intr) komen
girar
(intr) draaien, ronddraaien
dar la vuelta
omdraaien
levantar
(tr) oprichten, tillen, heffen, (-se) opstaan, rechtstaan
traer
(tr) brengen, meebrengen
llevar
(tr) meenemen, (tr) aanhebben, brengen, dragen
tomar
(tr) nemen, pakken, vastpakken, doen (tr) kiezen, (tr) drinken, consumeren
coger
(tr) grijpen, nemen, (tr am.) neuken
tocar
(tr) aanraken, raken, (tr) een instrument spelen, muziek spelen, (tr) aan de beurt zijn
buscar
(tr) zoeken, (tr) halen, ophalen
devolver
(tr) teruggeven, terugbetalen
tener
(tr) hebben, houden, vasthouden
reservar
(tr) reserveren
recibir
(tr) accepteren, krijgen, ontvangen
compartir
(tr) delen, samen bezitten, hetzelfde bezitten, (tr) uitwisselen
quitar
(tr) wegnemen, (-se) uitdoen, een kledingstuk uittrekken
separar
(tr) afscheiden, afzonderen, (tr) losmaken, scheiden
cerrar
(tr) afsluiten, dichtdoen, dichtmaken, sluiten
abrir
(tr) opendoen, openen, openmaken, (-se a) bereid zijn, (-se) vertrekken ervandoor gaan
dejar
(tr) achterlaten, loslaten, (aux) laten, toelaten, (intr de) stoppen
completar
(tr) aanvullen, completeren, voltooien
pedir
(tr) verzoeken, vragen, (tr) bestellen
tener que (aux)
moeten
deber
(aux) dienen, moeten, (tr) verschuldigd zijn
necesitar
(tr) nodig hebben, vereisen
poder
(aux) kunnen, mogen
presentar
(tr) aanbieden, indienen, presenteren, vertonen, (tr) iemand voorstellen
casar
(intr con) passen, overeenstemmen, rijmen, (-se con) in het huwelijk treden, (tr) trouwen
ocasionar
(tr) aanrichten, teweegbrengen, veroorzaken
provocar
(tr) veroorzaken, leiden tot, (tr) provoceren, tarten, uitdagen
resultar
(intr) blijken, resulteren, uitkomen
bloquear
(tr) blokkeren, vergrendelen, versperren
brotar
(intr) ontkiemen, opkomen, uitlopen
iniciar
(intr) beginnen, een aanvang nemen, (tr) starten, (tr) inwijden
inaugurar
(tr) inhuldigen, inwijden, openen
estrenar
(tr) voor het eerst gebruiken, in première gaan
desenvolver
(se) verlopen, gebeuren, (se) zijn plan trekken, (tr) uitnemen, openmaken
concluir
(intr) eindigen, ('tr) afleiden, besluiten, concluderen
finalizar
(tr) aflopen, eindigen, (tr) afwerken, afronden
vencer
(intr) vervallen, verstrijken, (tr) overwinnen, verslaan, zegevieren
abandonar
(tr) stoppen, tr) opgeven, (tr) verlaten, vertrekken uit
detener
(tr) tegenhouden, doen stilstaan, (-se) blijven staan, stilhouden, stoppen, (tr) ophouden, vasthouden, (tr) aanhouden, arresteren, inrekenen
suceder
(intr) gebeuren, opvolgen, voorkomen
ocurrir
(intr) gebeuren, voorkomen, voorvallen
estar a la vista
in het zicht zijn
adaptar
(tr) aanpassen, (-se a) zich aanpassen
convertir
(tr) omzetten, veranderen, (-se) zich bekeren, (se en) veranderen, evolueren
modificar
(tr) modificeren, wijzigen
transformar
(tr) transformeren, veranderen
desarrollar
(se) evolueren, (tr) maken, ontwikkelen
evolucionar
(intr) evolueren, ontwikkelen
mejorar
(tr) opknappen, verbeteren, (-se) beter worden, genezen
alcanzar
(tr) bereiken, behalen, iets realiseren, (tr) ergens arriveren, (tr) raken
lograr
(tr) lukken, slagen
florecer
(intr) bloeien, floreren, opbloeien, succesvol zijn, (intr) bloem dragen
fracasar
(intr) mislukken
complicar
(tr) compliceren, (se) moeilijk worden
fallar
(intr) falen, mislukken, (tr) uitspraak doen
gastar
(se) eroderen, kapot gaan, verslijten, (tr) gebruiken, uitgeven, verbruiken
absorber
(tr) absorberen, (tr) opslurpen
madurar
(intr) rijpen, volwassen worden