Biologische psychologie moeilijkste termen

0.0(0)
Studied by 0 people
call kaiCall Kai
learnLearn
examPractice Test
spaced repetitionSpaced Repetition
heart puzzleMatch
flashcardsFlashcards
GameKnowt Play
Card Sorting

1/35

flashcard set

Earn XP

Description and Tags

Moeilijkste termen of dingen die ik snel ga vergeten, alle HC's

Last updated 9:38 AM on 10/1/26
Name
Mastery
Learn
Test
Matching
Spaced
Call with Kai
Chat

No analytics yet

Send a link to your students to track their progress

36 Terms

1
New cards

Ontogenie Recapituleert Fylogenie’ (ORP-theorie)

Dat elk organisme tijdens de embryonale ontwikkeling dezelfde stadia doorloopt. Ontogenie = de leer van de individuele ontwikkeling

2
New cards

genetische heterogeniteit

dat ziektes of afwijkingen kunnen ontstaan door mutaties op genen (verschillend of hetzelfde)

3
New cards

penetrantie

hoevaak een afwijkend fenotype wordt waargenomen bij individuen met een afwijkend genotype = dus zelfs als je genetisch een afwijking hebt of ziekte, is deze niet altijd zichtbaar van buiten (fenotype)

4
New cards

mozaïcisme

niet alle cellen in het lichaam zijn genetisch identiek. In sommige cellen kan een fout zitten, maar niet in allemaal

5
New cards

fenocopieën

kenmerken die ontstaan door de omgeving, maar die lijken op een kenmerk dat normaal door genetische factoren wordt veroorzaakt.

6
New cards

kwantitatieve karaktertrek loci (QTL)

hoe verschillende genen op verschillende locaties op het chromosoom bijdrage aan een kwantitatieve eigenschap

7
New cards

DNA replicatie, transcriptie en translatie

knowt flashcard image
8
New cards

karyotype

volledige set chromosomen, dus de 23 paren

9
New cards

centromeer

het punt waarin de chromosomen dus aan elkaar vast zitten, bevat geen genetische informatie

10
New cards

telomeren

uiteinden van een chromosoom die dus de genetische informatie beschermen (zie afbeelding)

11
New cards

cytogenetische banden

de streepjes op het chromosoom, dus waar de genen gelocaliseerd zitten

12
New cards

gameten

ander woord voor geslachtscellen, de haploïde cellen (23 chromosomen)

13
New cards

autosomaal-dominant

het zit op een gewoon chromosoom (autosomaal) en dus hebben jongens en meisjes even veel kans om het te krijgen als ze de dominante allel overerven

14
New cards

fenylketonurie (FKU)

check dit stukje in de samenvatting! maar:

Fenylalaninehydroxylase (enzym) kan het aminozuur fenylalanine niet afbreken → de lever kan dit niet verwerken —> ophoping in de bloed —> slechte ontwikkeling van de hersenen → verstandelijke beperking of gedragsproblemen.

Fenylketonurie is recessief overgeërfd

15
New cards

2 functies van DNA

  1. Celreplicatie

  2. Eiwitsynthese → bepaalt de functie van de cel


16
New cards

polymorfisme (en SNP)

de verschillen in DNA-sequenties tussen individuen die aanwezig zijn met een frequentie van meer dan een procent in de populatie

  • Een single nucleotide polymorfisme (SNP) is hier een voorbeeld van = hier gaat het om een verschil in 1 enkele nucleotide


17
New cards

polymerasekettingreactie (PRC)

een bekende sequentie meerdere keren wordt gekopieerd. Wanneer er voldoende gekopieerd is om het zichtbaar te maken wordt een proces gebruikt dat elektroforese heet. Dit is een techniek om DNA-fragmenten te scheiden op basis van hun grootte. Het helpt onderzoekers om precies te zien hoe lang verschillende stukjes DNA zijn. In dit proces beweegt DNA door een agarose gelblok dat microscopische poriën bevat. DNA is negatief geladen en beweegt daardoor vanzelf richting de positieve pool. Kleine DNA-stukjes glijden makkelijker door de poriën van de gel en reizen sneller en verder dan de grotere DNA-stukjes.

18
New cards

translocatie en crossing over

Translocatie = uitwisseling van genen tussen niet-homologe (verschillende) chromosomen. Dit kan:

  • Gebalanceerd: de 2 chromosomen wisselen even veel af

  • Niet-gebalanceerd: de ene chromosoom geeft meer af dan de ander

Crossing over = 2 chromosomen die rechtstreeks genen uitwisselen, wat resulteert in niet-identieke chromatiden. Homologe chromosomen (dezelfde) dus.


19
New cards

monosomie en trisomie

Monosomie = bij alle 23 paren, is er 1 paar die maar 1 chromatide heeft. Zoals bijv. het syndroom van Turner

Trisomie = uit alle 23 paren, heeft 1 paar 3 chromatide, zoals bij Trisomie 21 (het syndroom van down)

20
New cards

Polyploïde

meer dan 2 chromatide in een chromosoom. VB: triploïdie

21
New cards

triploïdie

er zijn drie van elke type chromosoom. Dit is fataal en leidt tot miskraam of vroegtijdige dood → niet levensvatbaar.

22
New cards

epigenetica

het aan en uitzetten van genen zonder dat het je DNA volgorde aanpast, dit besluit dus ook welke eiwitten worden getranscribeerd → en verklaard verschillen in fenotype bij monozygote tweelingen

23
New cards

erfelijkheidsgraad

bij een erfelijkheidsgraad van:

  • 1 = alle variatie is toe te schrijven aan genetica

  • 0 = alle variatie is toe te schrijven aan omgevingsinvloeden


24
New cards

concordantiegraad

geeft het percentage van hoeveel een bepaalde eigenschap of aandoening bij beide personen van een paar (tweelingen) voorkomt. Bij een concordantiegraad van:

  • gedeelde ervaringen = verhogen de concordantiegraad

  • niet-gedeelde ervaringen = verlagen de concordantiegraad


25
New cards

endofenotype

legt dus een theoretische link tussen de genen die de stoornis veroorzaken (bijvoorbeeld ADHD) en de geobserveerde symptomen (bijvoorbeeld impulsiviteit) en vormt een verklaring van de fysieke symptomen naar gedrag (bijvoorbeeld verminderde gedragsinhibitie).

Criteria voor het identificeren van endofenotypes zijn onder andere:

  • Er moet een associatie zijn met het fenotype en de stoornis in de populatie

  • Het moet genetisch overdraagbaar zijn

  • Het endofenotype moet zich in een individu uiten, of de persoon op dat moment symptomen van de stoornis heeft of niet.

  • Het fenotype en de stoornis komen samen voor in de familie

  • Niet-aangedane familieleden van een patiënt vertonen het endofenotype vaker dan mensen in de algemene bevolking.


26
New cards

depressie: genetisch of niet?

50/50 toe te schrijven aan genetica en omgevingsinvloeden.

De erfelijkheid van depressie wordt geschat op 40-50%.

Mensen met familiegeschiedenis van depressie hebben 2-3x hoger risico op ontwikkeling van depressie.

Er is geen depressiegen.

27
New cards

endoplasmatisch reticulum (ER), ruwe en gladde ERs

endoplasmatisch reticulum = hierin vindt de eiwitaanmaak plaats

  • Ruw ER: bevat veel ribosomen, hier bevindt zich de meeste eiwitaanmaak

  • Glad ER: opslagplaats calcium, aanmaak van vetzuren en steroïden vindt hier plaats

Uiteindelijk stuurt het ER eiwitten door naar het Golgi-apparaat

28
New cards

ribosomen

deze lezen de codons van de aminozuren en maken eiwitten hiervan. Bevinden zich in het ruwe ER.

29
New cards

arborization

vertakking van dendrieten en axonen

30
New cards

axonheuvel

hier gaat de informatie vanuit de dendrieten heen en wordt het actiepotentiaal gegenereerd

31
New cards

presynaptisch terminaal

vanaf hier wordt communicatie chemisch (door bijv. neurotranmitters, ionen, of eiwitten die binden aan postsynaptisch neuron).

32
New cards

metabotrope receptoren

neurotransmitter komt op metabotrope receptor → G-eiwit wordt geactiveerd → deze activeerde second messangers → deze zorgen voor verandering in de cel.

33
New cards

3 manieren van celverbindingen

  • desmosoom

  • strakke verbindingen

  • gap junctions: pre- en postsynaptische membraan zitten aan elkaar vast door het gat dat hiertussen zit. Hierdoor kunnen ionen snel uitgewisseld worden


34
New cards

desmosoom

celverbinding, losse elastiekachtige eiwitverbinding die in het celmembraan zitten. VB: huidweefsel.

35
New cards

golgi-apparaat

uit het ER komen hier eiwitten naar toe, waar het omzetten en opslaan van eiwitten plaats vindt en waarna ze naar andere bestemmingen worden getransporteerd.

36
New cards