eco uit

0.0(0)
Studied by 0 people
call kaiCall Kai
learnLearn
examPractice Test
spaced repetitionSpaced Repetition
heart puzzleMatch
flashcardsFlashcards
GameKnowt Play
Card Sorting

1/32

encourage image

There's no tags or description

Looks like no tags are added yet.

Last updated 1:28 PM on 9/29/26
Name
Mastery
Learn
Test
Matching
Spaced
Call with Kai
Chat

No analytics yet

Send a link to your students to track their progress

33 Terms

1
New cards

Wat is een behoefte?

Alles wat je nodig hebt of wilt hebben.

2
New cards

Wat zijn primaire producten?

Producten die je echt nodig hebt, zoals voedsel en kleding.

3
New cards

Wat zijn secundaire producten?

Luxeproducten die je niet echt nodig hebt.

4
New cards

Wat is een stoffelijk product?

Een product dat je kunt aanraken; dit heet een goed.

5
New cards

Wat is een onstoffelijk product?

Een product dat je niet kunt aanraken, zoals veiligheid, gezondheid of een dienst.

6
New cards

Wat is een dienst?

Een onstoffelijk product dat door iemand wordt geleverd, zoals de dienst van een dokter, politieagent of DJ.

7
New cards

Wat is consumptie?

Het kopen van goederen en diensten om je eigen behoeften te vervullen.

8
New cards

Wat zijn niet-duurzame consumptiegoederen?

Goederen die je maar één keer gebruikt; ook wel verbruiksgoederen genoemd.

9
New cards

Wat zijn duurzame consumptiegoederen?

Goederen die je meer dan één keer kunt gebruiken; ook wel gebruiksgoederen genoemd.

10
New cards

Waarvan hangt je koopgedrag onder andere af?

Van je inkomen, leeftijd, smaak, streekgewoonten en het klimaat.

11
New cards

Welke personen kunnen je koopgedrag beïnvloeden?

Familie, buren, vrienden en winkelpersoneel.

12
New cards

Noem 4 redenen waarom de totale consumptie toeneemt.

De bevolking groeit; inkomens stijgen; nieuwe producten creëren nieuwe behoeften; prijzen van consumptiegoederen stijgen.

13
New cards

Wat is schaarste?

Er zijn met de beschikbare productiemiddelen niet genoeg goederen om al onze behoeften te vervullen.

14
New cards

Waarom moet je voor schaarse goederen betalen?

Omdat er niet genoeg van beschikbaar zijn om alle behoeften te vervullen.

15
New cards

Wat gebeurt er met de prijs als een goed schaarser wordt?

De prijs wordt hoger.

16
New cards

Waarom moet je prioriteiten stellen?

Omdat je behoeften groter zijn dan je middelen en je geld maar één keer kunt uitgeven.

17
New cards

Wat gebeurt er met de welvaart als de schaarste afneemt?

De welvaart neemt toe.

18
New cards

Wat is welvaart in ruime zin?

De mate waarin je met je beschikbare middelen in je behoeften kunt voorzien.

19
New cards

Wat is welvaart in enge zin?

Het meten van je rijkdom door te kijken naar de koopkracht van je inkomen.

20
New cards

Wat is welzijn?

De mate waarin je je gelukkig voelt.

21
New cards

Wat is het verschil tussen welvaart en welzijn?

Welvaart gaat over de mate waarin je in behoeften kunt voorzien; welzijn gaat over hoe gelukkig je je voelt.

22
New cards

Wat is koopkracht?

De hoeveelheid goederen en diensten die je met je inkomen kunt kopen.

23
New cards

Wat gebeurt er met je koopkracht als je inkomen stijgt en prijzen gelijk blijven?

Je koopkracht stijgt.

24
New cards

Wat gebeurt er met je koopkracht als prijzen stijgen en je inkomen gelijk blijft?

Je koopkracht daalt.

25
New cards

Wat gebeurt er met je koopkracht als inkomen en prijzen even sterk stijgen?

Je koopkracht blijft gelijk.

26
New cards

Wanneer neemt je koopkracht toe?

Als je inkomen procentueel sterker stijgt dan de prijzen.

27
New cards

Wanneer neemt je koopkracht af?

Als de prijzen procentueel sterker stijgen dan je inkomen.

28
New cards

Hoe reken je een bedrag van week naar maand om?

Weekbedrag × 52 ÷ 12.

29
New cards

Hoe reken je een bedrag van maand naar jaar om?

Maandbedrag × 12.

30
New cards

Hoe reken je een bedrag van kwartaal naar jaar om?

Kwartaalbedrag × 4.

31
New cards

Hoe reken je een bedrag van jaar naar maand om?

Jaarbedrag ÷ 12.

32
New cards

Hoe reken je een bedrag van jaar naar week om?

Jaarbedrag ÷ 52.

33
New cards

Hoe reken je een bedrag van maand naar kwartaal om?

Maandbedrag × 3.