1/59
Looks like no tags are added yet.
Biodiversiteit
de soortensamenstelling en de soortenrijkdom van een bepaald gebied
biologisch afbreekbaar
het omzetten van organische stoffen in anorganische stoffen door schimmels en bacteriën
biologische landbouw
landbouw zonder gebruik te maken van chemische bestrijdingsmiddelen en kunstmest
broeikaseffect
natuurlijk warmteisolerend effect van het broeikasgas CO2
broeikasgas
gas in de atmosfeer met een warmte-isolerende werking
duurzame ontwikkeling
ontwikkeling die niet ten koste gaat van de mogelijkheden van toekomstige generaties om in hun behoeften te voorzien
energietransitie
de overgang van energieproductie met fossiele brandstoffen naar energieproductie die gebaseerd is op hernieuwbare energiebronnen
eutrofiëring
verrijking van het oppervlaktewater met (an)organische voedingsstoffen
fossiele brandstoffen
organische stoffen in de bodem (sinks) in de vorm van bruin- en steenkool, aardolie en aardgas
gesloten kringloop
een kringloop waarbij stoffen zoals meststoffen ook weer terugkeren
gradiëntecosysteem
een ecosysteem dat inligt tussen twee andere ecosystemen die in elkaar overgaan
indicatorsoorten
soorten die een bepaald kenmerk van het milieu laten zien; biologen gebruiken indicatorsoorten om de mate van vervuiling van een ecosysteem aan te geven
kalkgesteenten
sinks van CaCO3, resten van schelpen
microklimaat
de lokale weersomstandigheden
microplastics
plastic bolletjes van een halve tot een paar mm groot
omslagpunt (kantelpunt)
een fase waarbij veranderingen in biotische en abiotische factoren in het ecosysteem de stabiliteit van een ecosysteem dusdanig ontregelen dat er een nieuw evenwicht ontstaat, met andere waarden voor biotische en abiotische factoren; een omslagpunt kan ook ontstaan door menselijke invloed, bijvoorbeeld door waterverontreiniging
open kringloop
een kringloop met toevoeging van meststoffen
overbevissing
treedt op wanneer de visvangst groter is dan het herstelvermogen van de populatie
ader
bloedvat dat het bloed vanaf de organen en de weefsels naar het hart brengt
AV-knoop
een groep speciale cellen in de wand tussen de beide boezems, geeft elektrische prikkels af waardoor de kamers samentrekken; is onderdeel van het prikkelgeleidingssysteem van het hart
bloedplaatjes
celfragmenten in het bloed, betrokken bij de bloedstolling
Bloedplasma
Bevat omschrijvingen van de belangrijkste, biologische, vetgedrukte begrippen. bloedplasma waterig deel van het bloed; bevat opgeloste stoffen zoals ionen, voedingsstoffen, afvalstoffen en hormonen en kleine hoeveelheden gassen
bloedstolling
het vormen van een stolsel om een bloedvat te dichten na een beschadiging
Bohr-effect
de extra O2-afgifte door oxiHb vanwege een hogere pCO2, een lagere pH en een hogere temperatuur
borstbuis
het grootste lymfevat in het menselijk lichaam; verzamelt alle lymfe en voert die terug naar het bloed
bovendruk (systolische druk)
de druk op het bloed die ontstaat doordat het hart bloed de slagaders in pompt
bundel van His
een bundel gespecialiseerd hartspierweefsel die vanuit de AV-knoop naar de rechter- en linkerkant van de hartpunt loopt
colloïd-osmotische druk
druk die ontstaat door de bloedeiwitten die als colloïden in het bloedplasma aanwezig zijn
diastole
fase in de hartcyclus waarin bloed via de boezems de kamers in stroomt
dubbele bloedsomloop
bloedsomloop waarbij het bloed tijdens één rondgang twee keer het hart passeert; bestaat uit een kleine en een grote bloedsomloop
ductus Botalli
een verbinding tussen de longslagader en de aorta van de kleine naar de grote bloedsomloop bij een ongeboren kind
embryonale bloedsomloop
bloedsomloop van een ongeboren kind
lymfe
vloeistof in de lymfevaten, ontstaat uit weefselvloeistof die vanuit de weefsels in de lymfevaten komt
lymfeknopen
onderdeel van het lymfesysteem; spelen een belangrijke rol bij de afweer; in de lymfeknopen zijn grote hoeveelheden speciale witte bloedcellen opgeslagen
lymfesysteem
lymfevaten met lymfe en lymfeknopen met speciale witte bloedcellen
myoglobine (Mb)
moleculen in de hartspier en skeletspieren die bestaan uit één eiwitketen met één heemgroep; Mb heeft een hogere affiniteit voor O2 dan Hb, waardoor Mb een reservevoorraad O2 in spieren kan opslaan
navelstrengader
bloedvat van het embryo; brengt bloed via de navelstreng van de placenta naar het embryo
navelstrengslagader
bloedvat van het embryo; brengt bloed via de navelstreng van het embryo naar de placenta
oedeem
ophoping van vocht en eiwitten in een deel van het lichaam
onderdruk (diastolische druk)
de druk op het bloed tijdens de rustfase van het hart
open circulatiesysteem
het bloed (zonder bloedcellen) omspoelt de organen en de weefsels; een groot bloedvat aan de rugzijde met gespierde hartkamers houdt de stroming in stand
pCO2
de partiële spanning van CO2
pO2
de partiële spanning van O2
rode bloedcellen
cellen in het bloed die hemoglobine bevatten en betrokken zijn bij het transport van O2 en CO2
sinusknoop (boezemknoop)
een groep gespecialiseerde spiercellen in de wand van de rechterboezem die een elektrische prikkel afgeeft waardoor de spiervezels van de boezems samentrekken; begin van het prikkelgeleidingssysteem van het hart
filtratiedruk
het onder invloed van de bloeddruk uitpersen van bloedplasma via openingen tussen de cellen van een haarvat naar de weefselvloeistof; de kleine openingen houden rode bloedcellen, bloedplaatjes en grote eiwitmoleculen tegen
foramen
ovale (ovale venster) een opening tussen de rechter- en linkerboezem bij een ongeboren kind
gesloten bloedsomloop
het bloed stroomt in bloedvaten door het lichaam
grote bloedsomloop (bij mensen)
de weg van het bloed bij de afgifte van O2: van de linkerharthelft, via de organen, naar de rechterharthelft
haarvaten
dunste bloedvaten, waarvan de wand één cellaag dik is; hier vindt de uitwisseling van stoffen plaats
hartkleppen
kleppen tussen de boezem en de kamer; verhinderen het terugstromen van het bloed van de kamer naar de boezem als de kamers samentrekken
hartslagfrequentie
het aantal hartslagen per minuut
hemoglobine (Hb)
moleculen in rode bloedcellen die bestaan uit vier eiwitketens (globine) met elk een ijzerhoudende heemgroep; de heemgroep bindt O2 en CO2 en verhoogt daarmee de transportcapaciteit van het bloed voor O2 en CO2
kleine bloedsomloop (bij mensen)
de weg van het bloed bij de opname van O2: van de rechterharthelft via de longen naar de linkerharthelft
kleppen
stukjes weefsel in aders die de bloedstroom in één richting afsluiten; voorkomen terugstromen van bloed in bloedvaten en lymfe in lymfevaten
slagader
bloedvat dat bloed vanaf het hart naar de organen en de weefsels brengt
systole
fase in de hartcyclus waarbij eerst de boezems samentrekken en het bloed in de kamers persen, gevolgd door het samentrekken van de kamers, waarbij ze het bloed in de slagaders persen
weefselvloeistof
vocht rond de lichaamscellen dat de verbinding vormt tussen bloedplasma en cellen; via deze vloeistof wisselen cellen O2, CO2, voedingsstoffen en afvalstoffen uit met het bloedplasma
witte bloedcellen
cellen in het bloed die een rol spelen bij de afweer tegen ziekteverwekkers
enkele bloedsomloop
bloedsomloop waarbij het bloed tijdens één rondgang één keer het hart passeert