1/39
Looks like no tags are added yet.
Sociale psychologie
Het wetenschappelijk onderzoek naar hoe jouw gedachten, gevoelens en gedrag worden beïnvloed door de werkelijke of ingebeelde aanwezigheid van andere mensen.
Sociale brein hypothese
De theorie dat primaten (zoals mensen) verhoudingsgewijs zulke grote hersenen hebben ontwikkeld puur om te kunnen omgaan met ingewikkelde sociale groepen.
Ingroup
De 'eigen groep' waar jij jezelf bij voelt horen (zoals je eigen vriendengroep, club of land).
Outgroup
De 'andere groep' waar jij jezelf niet toe rekent.
Ingroup favoritisme
De neiging om mensen uit je eigen groep automatisch aardiger te vinden, beter te behandelen en meer te bevoordelen dan mensen uit een andere groep.
Outgroup homogeniteitseffect
Het idee dat je mensen uit de 'andere groep' allemaal op elkaar vindt lijken ("zij zijn allemaal hetzelfde"), terwijl je in je eigen groep juist veel verschillen ziet.
Sociale facilitatie (Mere presence effect)
Het verschijnsel dat je beter en sneller presteert op een makkelijke of goed aangeleerde taak zodra er publiek meekijkt.
Sociale inhibitie
Het verschijnsel dat je juist slechter presteert op een moeilijke of nieuwe taak doordat er publiek kijkt en je spanning stijgt.
Social loafing (Sociaal lummelen)
De neiging van mensen om minder hard hun best te doen als ze in een groep samenwerken dan wanneer ze de taak in hun eentje uitvoeren.
Deindividuatie
Het verliezen van je eigen identiteit, zelfbeheersing en persoonlijke waarden wanneer je opgaat in een grote, anonieme menigte (zoals bij rellen of in de Stanford Prison-studie).
Conformiteit
Je eigen gedrag, mening of kleding aanpassen aan de ongeschreven regels van een groep om erbij te horen of gelijk te hebben (zoals in het lijnen-experiment van Asch).
Informatieve sociale invloed
Meegaan met de groep omdat je oprecht denkt dat de anderen het beter weten of meer informatie hebben dan jij.
Normatieve sociale invloed
Meegaan met de groep puur om niet uitgelachen, afgewezen of buitengesloten te worden.
Compliance (Inschikkelijkheid)
Ja zeggen tegen een rechtstreeks verzoek van een ander (bijvoorbeeld een gunst doen of iets kopen).
Foot-in-the-door techniek
Een overtuigingstruc waarbij je iemand eerst om iets heel kleins vraagt, waarna de kans veel groter is dat diegene later 'ja' zegt op een veel groter verzoek.
Door-in-the-face techniek
Een overtuigingstruc waarbij je eerst een extreem groot en onredelijk verzoek doet (dat geweigerd wordt), om direct daarna je eigenlijke (kleinere) verzoek te doen, wat dan redelijk lijkt.
Gehoorzaamheid (Obedience)
Het opvolgen van bevelen van iemand met een duidelijke autoriteit of machtspositie (zoals in het schok-experiment van Milgram).
Attitude (Houding)
Een vrij stabiele mening of evaluatie die je hebt over een persoon, groep, idee of voorwerp (positief, negatief of neutraal).
Expliciete attitude
Een mening die je je bewust bent en die je rechtstreeks hardop kunt uitspreken.
Impliciete attitude
Een onbewuste, automatische houding of reactie die je gedrag en keuzes beïnvloedt zonder dat je er erg in hebt.
Cognitieve dissonantie
Een heel vervelend, ongemakkelijk gevoel dat ontstaat wanneer je eigen gedrag niet klopt met je overtuigingen of meningen (waardoor je snel je mening gaat aanpassen).
Centrale route naar persuasie
Mensen overtuigen door ze te laten nadenken over sterke, inhoudelijke argumenten (werkt het beste als men erg gemotiveerd is).
Perifere route naar persuasie
Mensen overtuigen via snelle, oppervlakkige prikkels (zoals een knappe spreekster, een vrolijk muziekje of een bekend merk).
Causale attributie
De verklaring of reden die je in je eigen hoofd bedenkt voor waarom iemand (of jijzelf) bepaald gedrag vertoont.
Persoonlijke (Interne) attributie
Het gedrag van iemand verklaren vanuit zijn of haar karakter, vaardigheden of persoonlijkheid ("hij is gewoon lomp").
Situationele (Externe) attributie
Het gedrag van iemand verklaren vanuit de omstandigheden of de situatie ("hij had vast haast of pech").
Fundamentele attributiefout
de neiging om het gedrag van anderen meteen te wijten aan hun karakter/ persoonlijkheid (dispositie), terwijl we de situatie helemaal vergeten
Self-serving bias (Zelfdienende bias)
Je eigen succes toeschrijven aan je geweldige karakter of inzet, maar je eigen fouten of mislukkingen afschuiven op de situatie.
Stereotype
Een versimpeld, vaststaand beeld of schema in je hoofd over de kenmerken van een specifieke groep mensen.
Vooroordeel (Prejudice)
Een negatief gevoel of een afwijzende houding tegenover iemand puur vanwege diens lidmaatschap van een bepaalde groep.
Discriminatie
Het ongelijk behandelen of benadelen van mensen puur op basis van de groep waartoe ze behoren.
Prosociaal gedrag
Elk gedrag dat bedoeld is om een ander te helpen of te ondersteunen (zoals een deur openhouden of geld doneren).
Altruïsme
Een ander helpen uit oprechte zorg, zelfs als dat jouzelf moeite, geld of gevaar kost zonder dat je er iets voor terugverwacht.
Bystander effect (Omstander-effect)
Het verschijnsel dat hoe meer mensen getuige zijn van een noodsituatie, hoe kleiner de kans is dat iemand echt te hulp schiet.
Diffusie van verantwoordelijkheid
Het gevoel dat je eigen verantwoordelijkheid 'verdund' wordt in een groep, doordat je denkt dat iemand anders wel zal ingrijpen.
Wat is het verschil tussen informatieve en normatieve sociale invloed bij conformeren?
Bij informatieve invloed ga je mee met de groep omdat je denkt dat zij de juiste informatie hebben, terwijl je bij normatieve invloed meegaat puur om niet buiten de boot te vallen of gek gevonden te worden.
Hoe verklaart de 'foot-in-the-door' techniek dat mensen uiteindelijk instemmen met grote verzoeken?
Mensen willen graag dat hun gedrag consequent blijft; nadat ze eenmaal 'ja' hebben gezegdt op een heel klein verzoek, voelen ze zich verplicht om ook bij het grotere vervolgverzoek 'ja' te zeggen.
Wat is de fundamentele attributiefout en geef een alledaags voorbeeld?
Het is de neiging om gedrag van anderen te snel aan hun karakter te wijten in plaats van aan de situatie (bijv. denken dat de cassière die niet glimlacht een 'onaardig mens' is, terwijl ze eigenlijk net verschrikkelijk nieuws heeft gekregen).
Hoe lost ons brein het nare gevoel van cognitieve dissonantie op?
Als je gedrag haaks staat op je mening (bijv. roken terwijl je weet dat het slecht is), past je brein vaak je overtuiging aan ("ach, het valt vast wel mee met die risico's") om de spanning weg te nemen.
Welke twee belangrijke oorzaken zorgen voor het bystander effect (omstander-effect) bij noodsituaties?
Diffusie van verantwoordelijkheid (denken dat een ander wel helpt) en ambiguïteit (twijfel of het wel echt een noodgeval is doordat niemand anders paniek laat zien)