Ndls Dossier 2 - Geld en budget

0.0(0)
Studied by 0 people
call kaiCall Kai
learnLearn
examPractice Test
spaced repetitionSpaced Repetition
heart puzzleMatch
flashcardsFlashcards
GameKnowt Play
Card Sorting

1/183

encourage image

There's no tags or description

Looks like no tags are added yet.

184 Terms

1
New cards

het geld

l’argent

2
New cards

het zakgeld

l'argent de poche

3
New cards

het bankbiljet (-ten)

le billet de banque

4
New cards

het briefje (-s)

le billet

5
New cards

het betaalmiddel (-en)

le moyen de paiement

6
New cards

het kleingeld

la monnaie (ensemble de pièces)

7
New cards

het muntstuk (-ken)

la pièce de monnaie

8
New cards

de munt (-en)

la monnaie

9
New cards

de portefeuille (-s)

le portefeuille

10
New cards

de portemonnee (-s)

le porte-monnaie

11
New cards

het bedrag (-en)

le montant

12
New cards

duur ><

cher

13
New cards

goedkoop

bon marché

14
New cards

zuinig

économe

15
New cards

gierig

radin

16
New cards

betaalbaar

payable, abordable

17
New cards

de hoeveelheid (-heden)

la quantité

18
New cards

bedragen (bedroeg(en), h. bedragen)

s'élever à, se monter à

19
New cards

verdienen (verdiende(n), h. verdiend)

gagner (de l'argent en travaillant),mériter

20
New cards

de balans (-)

l'équilibre

21
New cards

blut zijn

être fauché

22
New cards

iets kwijt zijn

avoir perdu qqch, ne plus avoir qqch

23
New cards

de uitgave (-n)

la dépense

24
New cards

uitgeven (gaf/gaven uit, h. uitgegeven)

dépenser

25
New cards

de uitgavenpost

le poste de dépenses (dans un budget)

26
New cards

de spullen (-)

les affaires, les choses

27
New cards

de aankoop (-kopen)

l'achat

28
New cards

de winkelkar (-ren)

le caddie

29
New cards

de voeding (-)

l'alimentation

30
New cards

de kleding (-) de kleren

= les vêtements, l'habillement

31
New cards

de woning (-en)

l'habitation

32
New cards

de verwarming (-)

le chauffage

33
New cards

de grondstof (-fen)

la matière première

34
New cards

de afvalophaling (-)

l'enlèvement des déchets

35
New cards

het materiaal (materialen)

le matériau

36
New cards

de brandstof (-)

le combustible

37
New cards

het huishoudtoestel (-len)

l'appareil électroménager

38
New cards

het speelgoed (-) het spelletjes

les jouets

39
New cards

het onderhoud (-)

l'entretien

40
New cards

de herstelling (-en)

la réparation

41
New cards

de uitrusting (-en)

l'équipement

42
New cards

de verzekering (-en)

l'assurance

43
New cards

de dienst (-en)

le service

44
New cards

het geheel (-)

l'ensemble

45
New cards

dagelijks

quotidien(nement)

46
New cards

maandelijks

mensuel(lement)

47
New cards

jaarlijks

annuel(lement)

48
New cards

het overzicht (-)

la vue d'ensemble

49
New cards

iets besteden aan (besteedde(n), h. besteed)

consacrer qqch à

50
New cards

opbrengen (bracht(en) op, h. opgebracht)

rapporter

51
New cards

betalen (betaalde(n), h. betaald)

payer

52
New cards

cash betalen

payer cash

53
New cards

afronden (rondde(n) af , h. afgerond)

arrondir

54
New cards

kopen (kocht(en), h. gekocht) ><

acheter ><

55
New cards

verkopen (verkocht(en), h. verkocht)

vendre

56
New cards

op afbetaling kopen / op krediet kopen

acheter à crédit

57
New cards

lenen aan

prêter à

58
New cards

lenen van

emprunter à

59
New cards

de lening (-en)

le prêt

60
New cards

een lening aangaan (ging(en) aan, z. aangegaan), een lening afsluiten (sloot/sloten af , h. afgesloten)

contracter un prêt, faire un emprunt

61
New cards

een lening aflossen (loste(n) af , h. afgelost), een lening afbetalen (betaalde(n) af , h. afbetaald)

rembourser un prêt

62
New cards

huren (huurde, h. gehuurd) ><

louer ><

63
New cards

verhuren (verhuurde(n), h. verhuurd)

mettre en location

64
New cards

berekenen (berekende(n), h. berekend)

calculer, faire le compte

65
New cards

de berekening (-en)

le calcul

66
New cards

raden (raadde(n), h. geraden)

deviner

67
New cards

verrassen (verraste(n), h. verrast)

surprendre

68
New cards

de verrassing (-en)

la surprise

69
New cards

de huur (-)

le loyer

70
New cards

de euro (-

l'euro

71
New cards

de valuta (-'s)

la devise

72
New cards

de creditcard (-s)

= la carte de crédit

73
New cards

de kredietkaart (-en)

la carte de crédit

74
New cards

de bankkaart (-en)

= la carte de banque

75
New cards

de bankpas (-sen)

la carte de banque

76
New cards

de pincode (-s)

le code secret

77
New cards

de geldautomaat (-maten)

le distributeur de billets

78
New cards

de waarde (-n/-s)

la valeur

79
New cards

waard

valoir (autant)

80
New cards

het budget (-ten)

le budget

81
New cards

het vermogen (-s)

la fortune, les biens, le patrimoine

82
New cards

de rijkdom (-men) ><

la richesse ><

83
New cards

de armoede (-)

la pauvreté

84
New cards

de erfenis (-sen)

l'héritage

85
New cards

erven (erfde(n), h. geërfd)

hériter

86
New cards

de bank (-en)

la banque

87
New cards

de bankrekening (-en)

le compte en banque

88
New cards

storten (stortte(n), h. gestort)

verser

89
New cards

overschrijven (schreef/schreven over, h.overgeschreven) / overmaken (maakte(n) over, h. overgemaakt)

virer de l'argent

90
New cards

de overschrijving (-en)

le virement

91
New cards

de betaling (-en)

le paiement

92
New cards

het saldo (-'s)

le solde

93
New cards

de spaarrekening (-en)

le compte d'épargne

94
New cards

de zichtrekening (-en)

le compte à vue

95
New cards

sparen (spaarde(n), h. gespaard) ≠

épargner, mettre de côté ≠

96
New cards

besparen (bespaarde(n), h. bespaard)

économiser, utiliser moins

97
New cards

de besparing (-en)

les économies

98
New cards

(geld) opzijzetten

mettre (de l'argent) de côté

99
New cards

de tip (-s)

le conseil

100
New cards

verwachten (verwachtte(n), h. verwacht)

s'attendre à