1/183
Looks like no tags are added yet.
het geld
l’argent
het zakgeld
l'argent de poche
het bankbiljet (-ten)
le billet de banque
het briefje (-s)
le billet
het betaalmiddel (-en)
le moyen de paiement
het kleingeld
la monnaie (ensemble de pièces)
het muntstuk (-ken)
la pièce de monnaie
de munt (-en)
la monnaie
de portefeuille (-s)
le portefeuille
de portemonnee (-s)
le porte-monnaie
het bedrag (-en)
le montant
duur ><
cher
goedkoop
bon marché
zuinig
économe
gierig
radin
betaalbaar
payable, abordable
de hoeveelheid (-heden)
la quantité
bedragen (bedroeg(en), h. bedragen)
s'élever à, se monter à
verdienen (verdiende(n), h. verdiend)
gagner (de l'argent en travaillant),mériter
de balans (-)
l'équilibre
blut zijn
être fauché
iets kwijt zijn
avoir perdu qqch, ne plus avoir qqch
de uitgave (-n)
la dépense
uitgeven (gaf/gaven uit, h. uitgegeven)
dépenser
de uitgavenpost
le poste de dépenses (dans un budget)
de spullen (-)
les affaires, les choses
de aankoop (-kopen)
l'achat
de winkelkar (-ren)
le caddie
de voeding (-)
l'alimentation
de kleding (-) de kleren
= les vêtements, l'habillement
de woning (-en)
l'habitation
de verwarming (-)
le chauffage
de grondstof (-fen)
la matière première
de afvalophaling (-)
l'enlèvement des déchets
het materiaal (materialen)
le matériau
de brandstof (-)
le combustible
het huishoudtoestel (-len)
l'appareil électroménager
het speelgoed (-) het spelletjes
les jouets
het onderhoud (-)
l'entretien
de herstelling (-en)
la réparation
de uitrusting (-en)
l'équipement
de verzekering (-en)
l'assurance
de dienst (-en)
le service
het geheel (-)
l'ensemble
dagelijks
quotidien(nement)
maandelijks
mensuel(lement)
jaarlijks
annuel(lement)
het overzicht (-)
la vue d'ensemble
iets besteden aan (besteedde(n), h. besteed)
consacrer qqch à
opbrengen (bracht(en) op, h. opgebracht)
rapporter
betalen (betaalde(n), h. betaald)
payer
cash betalen
payer cash
afronden (rondde(n) af , h. afgerond)
arrondir
kopen (kocht(en), h. gekocht) ><
acheter ><
verkopen (verkocht(en), h. verkocht)
vendre
op afbetaling kopen / op krediet kopen
acheter à crédit
lenen aan
prêter à
lenen van
emprunter à
de lening (-en)
le prêt
een lening aangaan (ging(en) aan, z. aangegaan), een lening afsluiten (sloot/sloten af , h. afgesloten)
contracter un prêt, faire un emprunt
een lening aflossen (loste(n) af , h. afgelost), een lening afbetalen (betaalde(n) af , h. afbetaald)
rembourser un prêt
huren (huurde, h. gehuurd) ><
louer ><
verhuren (verhuurde(n), h. verhuurd)
mettre en location
berekenen (berekende(n), h. berekend)
calculer, faire le compte
de berekening (-en)
le calcul
raden (raadde(n), h. geraden)
deviner
verrassen (verraste(n), h. verrast)
surprendre
de verrassing (-en)
la surprise
de huur (-)
le loyer
de euro (-
l'euro
de valuta (-'s)
la devise
de creditcard (-s)
= la carte de crédit
de kredietkaart (-en)
la carte de crédit
de bankkaart (-en)
= la carte de banque
de bankpas (-sen)
la carte de banque
de pincode (-s)
le code secret
de geldautomaat (-maten)
le distributeur de billets
de waarde (-n/-s)
la valeur
waard
valoir (autant)
het budget (-ten)
le budget
het vermogen (-s)
la fortune, les biens, le patrimoine
de rijkdom (-men) ><
la richesse ><
de armoede (-)
la pauvreté
de erfenis (-sen)
l'héritage
erven (erfde(n), h. geërfd)
hériter
de bank (-en)
la banque
de bankrekening (-en)
le compte en banque
storten (stortte(n), h. gestort)
verser
overschrijven (schreef/schreven over, h.overgeschreven) / overmaken (maakte(n) over, h. overgemaakt)
virer de l'argent
de overschrijving (-en)
le virement
de betaling (-en)
le paiement
het saldo (-'s)
le solde
de spaarrekening (-en)
le compte d'épargne
de zichtrekening (-en)
le compte à vue
sparen (spaarde(n), h. gespaard) ≠
épargner, mettre de côté ≠
besparen (bespaarde(n), h. bespaard)
économiser, utiliser moins
de besparing (-en)
les économies
(geld) opzijzetten
mettre (de l'argent) de côté
de tip (-s)
le conseil
verwachten (verwachtte(n), h. verwacht)
s'attendre à