1/72
Comprehensive vocabulary and grammar review flashcards covering travel and holiday terms, verbs, connectors, and key grammatical structures from Fiche 2.
un voyage
een reis
une mer
een zee
une ville
een stad
un pays
een land
un train
een trein
un hôtel
een hotel
un rêve
een droom
une culture
een cultuur
une route
een weg
un avion
een vliegtuig
une plage
een strand
un séjour
een verblijf
un billet
een ticket
une valise
een koffer
un passeport
een paspoort
un musée
een museum
une forêt
een woud
une montagne
een berg
un monument
een monument
beau / belle
mooi
nouveau / nouvelle
nieuw
loin
ver
près
dichtbij
différent(e)
verschillend
partir
vertrekken
arriver
aankomen
visiter
bezoeken
découvrir
ontdekken
essayer
proberen
voir
zien
connaître
kennen
espérer
hopen
comprendre
begrijpen
réserver
reserveren
revenir
terugkomen
rêver de
dromen van
se préparer
zich voorbereiden
voyager
reizen
emporter
meebrengen (voorwerpen)
amener
meebrengen (personen)
emmener
meenemen (personen)
suivre
volgen
quitter
verlaten
retourner
terugkeren
tout d'abord
allereerst
en fait
eigenlijk, in feite
cependant
nochtans, toch
d'ailleurs
trouwens, bovendien
premièrement
ten eerste
deuxièmement
ten tweede
finalement
uiteindelijk, ten slotte
donc
dus, bijgevolg
en tout cas
in elk geval
un voyage en train
een treinreis
un guide
een gids
une carte
een kaart
un aéroport
een luchthaven
une gare
een station
un itinéraire
een route
une réservation
een reservering
un guide touristique
een reisgids (boek)
des vacances (f. pl)
een vakantie
fatigant(e)
vermoeiend
agréable
aangenaam
typique
typisch
inoubliable
onvergetelijk
explorer
verkennen
photographier
fotograferen
goûter
proeven
atterrir
landen
décoller
opstijgen
louer
huren
se perdre
verdwalen