1/54
Een overzicht van Franse en Nederlandse woordenschat over sport en vrijetijdsbesteding op basis van de lesnotities.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai | Chat |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
de bal
le ballon
het doelpunt
le but
de hobby
le passe-temps
de kampioen
le champion / la championne
het kampioenschap
le championnat
de passie
la passion
selecteren
sélectionner
het spel
le jeu
de speler/speelster
le joueur / la joueuse
de supporter
le/la supporter
de vrije tijd
le temps libre
vieren
fêter
de wedstrijd
le match
winnen
gagner
het zwembad
la piscine
le stade
het stadion
terminer
(be)eindigen
la victoire
de overwinning
remporter
winnen, behalen
rigoler
lachen, plezier maken
se détendre
ontspannen
s'entraîner
trainen
se réunir
samenkomen
s'opposer à
zich verzetten tegen, zich meten met
le spectacle
het schouwspel, het spektakel
le spectateur / la spectatrice
de toeschouwer
le sport collectif
de teamsport
la course
de race, de wedstrijd
ludique
speels
la défaite
de nederlaag
marquer
scoren
le défi
de uitdaging
le monde du sport
de sportwereld
le divertissement
de ontspanning, het vermaak
l'enjeu (m)
de inzet, het belang
l'occupation (f)
de bezigheid, de tijdsbesteding
participer à
deelnemen aan
l'entraîneur / entraîneuse
de trainer/trainster, de coach
perdre
verliezen
la pétanque
jeu de boules
l'équipe (f)
het team, de ploeg
l'événement (m)
het evenement, de gebeurtenis
les loisirs (m)
de vrijetijdsbesteding
pratiquer
beoefenen
la randonnée
de wandeling
récréatif / récréative
recreatief
l'accomplissement (m)
de prestatie, de verwezenlijking
l'appartenance (f)
het lidmaatschap, het behoren tot
l'arbitre (m/f)
de scheidsrechter
l'association (f)
de vereniging
célèbre
beroemd
codifier
codificeren, vastleggen
collectionner
verzamelen
commencer
beginnen
commun(e)
gemeenschappelijk