1/14
Looks like no tags are added yet.
Actieve sociale domesticatie
Betekent dat domesticatie niet uitsluitend plaatsvindt door genetische selectie, maar ook door epigenetische aanpassingen als reactie op langdurige omgevingsfactoren zoals sociale interactie met mensen. Volgens deze theorie ontstaat domesticatie door de langdurige aanwezigheid van een domestic niche, waarin dieren met mensen samenleven in een omgeving met minder stress en agressie dan in hun natuurlijke omgeving.
In de theorie van actieve sociale domesticatie wordt gesteld dat stressvermindering door mens-dierinteracties een belangrijke factor is.
Cross gereguleerd; calming systeem (oxitocine en serotonine) en HPA-AS (stress respons, cortisol)
Deze twee systemen zijn cross-gereguleerd, wat betekent dat ze elkaar wederzijds beïnvloeden. Volgens de figuur zorgt een verhoogde activiteit van het calming system (door oxytocine en serotonine) voor een remming van de HPA-as, wat leidt tot een verdere vermindering van stress. Deze cross-regulatie helpt een positieve feedbacklus te creëren waarin sociale binding en kalmte worden versterkt, wat cruciaal is voor het.
Wie nemen een huisdier en is het meest gehecht
Percentage huisdieren het hoogst.
Eerst jong getrouwde stellen zonder kinderen
Middel parents (bijv. Pubers)
Older parents
Wie zijn het meest gehecht?:
Single
Net getrouwd
De vier voorwaarden die moeten worden vervuld om van hechting te spreken
Het huisdier biedt een veilige basis (secure base)
Een veilige haven (safe haven) voor het kind
Er is sprake van verdriet bij afscheiding van het huisdier (seperation distress)
Het kind zoekt nabijheid tot het huisdier (proximity seeking).
PET-effect
De wetenschappelijke benaming voor de positieve invloed die huisdieren hebben op de fysieke en mentale gezondheid van mensen.
Moderator (in het PET-effect)
Een moderator is een variabele die de relatie tussen twee andere variabelen (de voorspeller en een uitkomst) beïnvloedt. Afhankelijk van de waarde van de moderator is het verband tussen de voorspeller en de uitkomst sterker of zwakker.
Drie categorieën van moderatoren die de impact van huisdieren op welzijn kunnen beïnvloeden
Leefomstandigheden
Levensfasen
Aard van de relatie met het huisdier
In het artikel bespreken Rodriguez et al. vier bronnen van variabiliteit die bijdragen aan de inconsistentie in de resultaten van het onderzoek naar het pet-effect.
• Variabiliteit in methoden en meetinstrumenten
• Variabiliteit in mensen
• Variabiliteit in dieren
• Variabiliteit in de interacties tussen mens en dier
In HAI-onderzoek worden dieren vaak beschouwd als belangrijke participanten, maar er is sprake van aanzienlijke variabiliteit tussen dierlijke deelnemers.
• Factor 1: Soortvariabiliteit
➢ Uiteenlopende dieren worden onderzocht, zoals zoogdieren, vogels, en exotische dieren, wat leidt tot heterogene uitkomsten.
➢ Voorbeeld: specifieke gedragskenmerken en fysiologie van een dier bepalen hoe het met mensen interageert.
• Factor 2: Binnen-soort variatie
➢ Binnen een diersoort, zoals honden, kunnen factoren als ras, grootte, en temperament de interactie beïnvloeden.
➢ Voorbeeld: grote honden kunnen meer activiteit stimuleren dan kleine honden, terwijl kleine honden vaker gedragsproblemen vertonen.
• Factor 3: Achtergrond en training van dieren
➢ De geschiedenis van socialisatie, training en eerdere interacties van het dier met mensen beïnvloedt het gedrag tijdens onderzoek.
➢ Voorbeeld: therapiehonden met uitgebreide training vertonen mogelijk meer consistente en voorspelbare gedragingen.
Vier theorieën die gebruikt worden om de effecten van AAI te verklaren
Biofiliehypothese: Deze hypothese stelt dat mensen van nature een aantrekkingskracht voelen tot dieren en de natuur.
Hechtingstheorie: Deze theorie stelt dat mensen, net als in relaties met andere mensen, ook sterke emotionele hechting kunnen aangaan met dieren.
Sociale-ondersteuning-/social-buffertheorie: Deze theorie suggereert dat de aanwezigheid van een dier kan fungeren als een bron van sociale steun en als een buffer in stressvolle situaties
Biopsychosociaal model: Dit model, geïntroduceerd door Engel (1978), biedt een omvattend raamwerk door zowel biologische en psychologische als sociale factoren te combineren. Het model stelt dat de interactie met dieren een combinatie teweegbrengt van fysieke reacties (zoals verlaagde cortisolniveaus), psychologische voordelen (zoals verminderde angst of depressie) en verbeterde sociale relaties (zoals meer sociale interactie)
Diergerelateerde factoren die het welzijn van de mens beïnvloeden in interactie met dieren (4)
Attituden ten opzichte van dieren: De houding van mensen ten opzichte van dieren heeft belangrijke implicaties voor de uitkomsten van HAI. Dit kan komen door de attitude op zich; een interactie met een hond zorgt bij iemand met een positieve attitude jegens honden voor ontspanning, maar bij iemand met een negatieve attitude voor angst.
Typen interacties met dieren: De invloed van dieren op het welbevinden is ook afhankelijk van het type interactie. Met een huisdier is er een andere interactie dan met wilde dieren of wanneer je werkt met dieren.
Dier-gerelateerde activiteiten: Het effect van het dier op ons welzijn is ook afhankelijk van de specifieke activiteiten die we met het dier uitvoeren. Het meeste onderzoek is gericht op activiteiten met huisdieren, maar daarnaast kan je ook denken aan activiteiten met andere diersoorten en in andere contexten.
Het verlies of de dood van een dier: De dood van een huisdier kan leiden tot een rouwproces vergelijkbaar met dat na het verlies van een mens, maar dit wordt niet altijd erkend of begrepen door de omgeving (disenfranchised grief).
Het concept 'One Welfare' benadrukt dat menselijke factoren cruciaal zijn voor het welzijn van dieren, 6 componenten
1. Mens-Dier Interacties:
• Interacties tussen mensen en dieren kunnen het welzijn van dieren verbeteren of verslechteren. Negatieve ervaringen, zoals schreeuwen of fysiek straffen, wekken angst op en verminderen de groei van dieren.
• Positieve ervaringen, zoals zacht aaien, verminderen stress bij huisdieren en verhogen het welzijn.
2. Consistentie en Bekendheid: Voorspelbare en consistente interacties helpen dieren zich aan te passen en stress te verminderen. Dieren die regelmatig met dezelfde verzorgers omgaan, vertonen minder angstgedrag.
3. Erkenning van Dierlijke Individualiteit: Eigenschappen als leeftijd en persoonlijkheid beïnvloeden hoe dieren reageren op menselijke interacties. Het erkennen van individuele verschillen is belangrijk voor goed dierenbeheer.
4. Attitudes van Verzorgers: De houding van mensen tegenover dieren beïnvloedt hun gedrag. Positieve attitudes leiden tot betere verzorging en welzijn van dieren.
5. Kennis en Ervaring: Kennis van dierenverzorging is essentieel voor het welzijn van dieren.
6. Welzijn van Verzorgers: Het welzijn van verzorgers heeft invloed op het welzijn van dieren. Stress en slechte gezondheid bij verzorgers kunnen leiden tot verwaarlozing van dieren.
In het onderzoek (Glenk) worden drie benaderingen voor het meten van dierenwelzijn besproken
Fysiologische indicatoren: Voordelen: objectief en direct meetbaar (bijvoorbeeld cortisol en hartslag). Beperkingen: gevoelig voor externe factoren zoals diurnale ritmes, omgevingstemperatuur en fysieke inspanning.
Gedragsobservaties: Voordelen: geeft inzicht in context-specifieke reacties en natuurlijke gedragspatronen. Beperkingen: misinterpretaties leiden tot variatie in inter- en intrarater reliability scores en dus een lagere betrouwbaarheid.
Subjectieve evaluaties: Voordelen: praktisch en snel uitvoerbaar, met input van ervaren begeleiders of eigenaren. Beperkingen: sterk beïnvloed door persoonlijke interpretaties en bias.
Om de meerwaarde van een levend dier voor een interventie te bepalen, spreekt Marino (artikel) over de werkzaamheid (efficacy) en de specificiteit (specificity) van AAT (of een andere vorm van AAI).
De werkzaamheid geeft aan of er daadwerkelijk een therapeutische verbetering wordt waargenomen. De specificiteit geeft aan of dit resultaat specifiek door de aanwezigheid van het levende dier komt.
Bedreigingen voor de validiteit van onderzoek naar AAI/AAT
Placebo effect: verbetering door de verwachting dat het zal verbeteren.
Novelty effect: effecten van de nieuwheid van de ervaring.
Construct confounding: effect van meerdere componenten die niet van elkaar kunnen worden gescheiden.
Demand characteristics: deelnemers herkennen de hypothesen van de onderzoeker en passen hun antwoorden daarop aan.
Experimenter expectancy effects: het effect van verwachtingen van de onderzoeker (een bias bij het interpreteren van resultaten).