1/65
Looks like no tags are added yet.
Esthetica
Oorspronkelijk afgeleid van het Griekse woord voor 'zintuiglijke waarneming' of 'gewaarwording'. Dit is een zelfstandige filosofische discipline, geïntroduceerd door Alexander Baumgarten in 1735, die zich richt op het bestuderen van zintuiglijke kennis, de criteria voor goede smaak en een definitie van goede kunst.
Kunstfilosofie
Een normatieve benadering die rationeel reflecteert op de aard, criteria, waarden en normen van kunst. Dit omvat vragen zoals \"Wat maakt een esthetisch oordeel mogelijk?\" Het betreft een theoretische reflectie, in tegenstelling tot kunstwetenschappen die empirisch en feitelijk onderzoek doen naar kunstgeschiedenis en context.
Everyday Aesthetics
Een pragmatistische benadering, beïnvloed door John Dewey, die stelt dat esthetische ervaringen niet beperkt zijn tot 'hoge kunst' in musea. In plaats daarvan zijn ze ook aanwezig in alledaagse activiteiten zoals koken of het ervaren van de natuur.
Mimesis
Het klassieke concept dat de nabootsing, imitatie of weergave van de (zintuiglijke) werkelijkheid beschrijft. Het is geen exacte kopie, maar een creatieve handeling die poogt door te dringen tot de essentie of het innerlijke leven van het object.
Catharsis
Het louterende en reinigende gevoel dat een toeschouwer ervaart volgens Aristoteles, wanneer hij of zij zich kan inleven in een geloofwaardig nagebootste tragedie in het theater.
Schemata
Dit theoretische concept, volgens Ernst Gombrich, stelt dat een kunstenaar niet start vanuit de 'pure' fysieke realiteit, maar altijd begint vanuit een mentaal concept of visueel sjabloon.
Making and Matching
Een proces, zoals beschreven door Gombrich, waarbij een kunstenaar een voorstelling van de werkelijkheid opbouwt ('making') en deze voortdurend aanpast ('matching') volgens aangeleerde, historische stijlen, wat impliceert dat waarneming altijd gecultiveerd is.
Conventioneel Realisme
De opvatting van Nelson Goodman dat realisme in kunst niet gaat om absolute gelijkenis met de natuur, maar om maatschappelijke conventies. Een kunstwerk is 'realistisch' als het voldoet aan het heersende representatiesysteem van de cultuur en tijd waarin het is gemaakt.
Expressietheorie
Een kunstfilosofisch perspectief dat de waarde van kunst zoekt in de relatie tussen de kunstenaar en het kunstwerk. De focus ligt op het uitdrukken en overdragen van de innerlijke gevoelswereld of intuïtie van de maker naar de toeschouwer.
Formalisme
Een benadering die het kunstwerk puur als een zelfstandige vorm beschouwt. Historische, emotionele of representatieve contexten worden genegeerd; de esthetische waarde ligt uitsluitend in de interne relaties tussen formele elementen zoals lijnen, kleuren en texturen.
Significante Vorm
De formele organisatie van lijnen en kleuren, zoals geïntroduceerd door Clive Bell en Roger Fry, die in staat is bij de toeschouwer een specifieke, autonome 'esthetische emotie' op te roepen, onafhankelijk van het verhaal dat wordt afgebeeld.
Apollinisch
De kunstzinnige drijfveer, volgens Friedrich Nietzsche, die staat voor orde, zonlicht, harmonie, dromen, rationaliteit en de volmaaktheid van de individuele vorm.
Dionysisch
De existentiële drijfveer, zoals beschreven door Nietzsche, die chaos, wijn, extase en het ervaren van een mystieke oereenheid vertegenwoordigt waarin het individu zichzelf verliest. De Griekse tragedie en ware kunst ontstaan uit de perfecte synthese van beide drijfveren.
Discursieve symbolen
Symbolen die we in gewone taal en wetenschap gebruiken. Ze hebben een duidelijke, lineaire structuur en definieerbare betekenis, en kunnen woord voor woord worden vertaald, volgens vaste grammaticale regels.
Intuïtieve symbolen
Volgens Langer vertegenwoordigt een kunstwerk geen directe, letterlijke weergave van een emotie, maar fungeert het als een symbool van de menselijke gevoelsstructuur. Kunst creëert een 'virtuele vorm' die via intuïtie inzicht biedt in emoties of het innerlijke leven.
Gesamtkunstwerk
Het romantische concept, voortgebracht door Richard Wagner, dat een alomvattend kunstwerk beschrijft waarin verschillende disciplines (muziek, woord, decor, dans, en kostuums) samenkomen tot één overweldigende esthetische ervaring.
Schoonheid (Kant)
Datgene wat onbaatzuchtig behaagt en universeel goedgekeurd wordt, los van strikt rationeel begrip of morele nut, wat resulteert in een reflexief smaakoordeel.
Gemeenschappelijke zin (Sensus Communis)
Het a priori gegeven in de menselijke geest, volgens Kant, dat ons ertoe brengt te verwachten en voelen dat anderen hetzelfde esthetische oordeel zouden moeten delen.
Het Sublieme (Das Erhabene)
Een esthetische ervaring van overweldigende, grenzeloze natuur die aanvankelijk vrees en nietigheid oproept, maar zich uiteindelijk uitdrukt in een verheven, moreel gevoel van intellectuele overwinning, zoals Burke en Kant uiteen zetten.
Dialectisch Denken (Hegel)
Het filosofische proces waarin de werkelijkheid en menselijke geschiedenis zich ontvouwen door de dynamiek van tegenstellingen: een stelling (these) roept haar tegendeel (antithese) op, waarna beide worden verzoend in een hogere synthese.
Absolute Geest
Het historische proces van de mensheid, volgens Hegel, die leidt tot volledige zelfbewustwording en waarheid, zich uitdrukkend in kunst, religie en filosofie.
Einde van de Kunst
De stelling van Hegel, later hernomen door Arthur Danto, dat kunst in de moderne tijd haar hoogste religieuze en filosofische functie heeft verloren en nu reflexief om haar eigen status vraagt.
Onderbouw en Bovenbouw
De marxistische analyse die stelt dat de onderbouw (economische basis) de vorm en inhoud van de bovenbouw (cultuur, religie, recht, politiek, en kunst) bepaalt.
Weerspiegelingstheorie
Het concept, binnen het marxisme door Georg Lukács uitgewerkt, dat betoogt dat ware kunst altijd de socio-economische en historische realiteit van haar tijd weerspiegelt.
Reïficatie (Verzakelijking)
Het proces waarbij menselijke relaties en de artistieke arbeid worden omgevormd tot zielloze, commerciële transacties, waarbij het kunstwerk losgetrokken wordt van de maker.
Warenfetisjisme
De kapitalistische conditie waarin de ruilwaarde van een kunstwerk de gebruikswaarde volledig overschaduwt, wat leidt tot een dominantie van prijs boven intrinsieke waarde.
Aura
De unieke, historische en rituele tastbaarheid van een origineel kunstwerk; dit betreft de eenmalige verschijning ervan volgens Walter Benjamin.
Technisch-mechanische Reproduceerbaarheid
Het fenomeen waarbij moderne technologieën zoals fotografie de mogelijkheid bieden om kunstwerken massaal te reproduceren, waardoor de aura en autonomie van kunst kunnen verdwijnen, maar ook de weg opent naar politieke bewustwording.
Optisch-onbewuste
De visuele dimensies van de werkelijkheid die niet zichtbaar zijn voor het blote oog, maar worden geactiveerd door mechanische media zoals slow motion of close-ups.
Esthetisering van de Politiek
Het fascistische mechanisme dat door Benjamin wordt bekritiseerd, waarbij politieke macht en destructie als een esthetisch spektakel worden verpakt.
Descriptief kunstoordeel
Een objectief oordeel over een kunstwerk dat beschrijft wat het is of hoe het tot stand gekomen is, zonder persoonlijke waardering.
Normatief waardeoordeel
Een subjectief oordeel over hoe iets zou moeten zijn, gebaseerd op bepaalde idealen of waarden.
Fenomenologische Reductie (Epoché)
Een methodologische handeling volgens Edmund Husserl, waarbij alle wetenschappelijke en culturele vooringenomenheden worden 'tussen haakjes' gezet om terug te keren naar pure, ongefilterde zintuiglijke waarneming.
Eidos (Wezen)
De essentiële, onveranderlijke kern of structuur van een fenomeen dat overblijft na een proces van 'vrije variatie' in de geest.
Ontologie
De filosofische discipline die zich bezighoudt met de zijnsleer en de fundamentele vraag stelt naar het bestaan en de aard van de werkelijkheid.
Epistemologie (Kennisleer)
De discipline die de aard, oorsprong, voorwaarden en grenzen van onze kennis onderzoekt, met vragen als \"Hoe kennen we de werkelijkheid?\".
Het Zijn (Sein)
De ongrijpbare, diepere grondslag die ervoor zorgt dat dingen überhaupt bestaan. Het is de achtergrond waarin de werkelijkheid zich aan ons openbaart.
De Zijnden (Seienden)
Alle concrete en tastbare entiteiten die in de wereld bestaan, zoals bomen, hamers, stoelen, en kunstwerken.
Dasein
De term die Heidegger gebruikt voor de mens. Het verwijst naar de unieke menselijke ervaring van het bestaan en de openheid voor het Zijn.
Zijnsvergetelheid
Heideggers kritiek op de westerse filosofie die ons ertoe heeft gebracht de diepere betekenis van het Zijn te vergeten, door de focus op natuurwetenschappen.
Dingvergetelheid
Het verlengstuk van zijnsvergetelheid die opmerkt hoe we objecten en gebruiksvoorwerpen enkel als manipulabele consumptie-eenheden beschouwen.
In-het-werk-stellen van de Waarheid
Heideggers visie waarin kunst wordt gezien als een dynamisch proces dat de verborgen aard van de dingen openbaart.
Lichamelijke Intentionaliteit
Het principe, volgens Maurice Merleau-Ponty, dat onze waarneming van de wereld intrinsiek verbonden is met ons fysieke lichaam.
Semiotiek
De methodologische studie van tekens, betekenissystemen en de culturele werking ervan.
Icoon
Een teken, volgens Charles Peirce, dat verwijst naar zijn object op basis van puur gelijkenis.
Index
Een teken dat een causaal of natuurwetenschappelijk verband heeft met de werkelijkheid, zoals rook die vuur aangeeft.
Symbool
Een teken waarvan de betekenis berust op maatschappelijke conventies, zoals woorden of kleuren.
Betekenaar (Signifiant - Sa)
De materiële en zintuiglijk waarneembare vorm van een teken, zoals woorden of schilderkunst.
Betekenis (Signifié - Sé)
Het mentale concept dat door de betekenaar wordt opgeroepen, samen vormend het teken (Signe).
Denotatie
De directe en letterlijke betekenis van een teken.
Connotatie
De secundaire, subjectieve of cultureel gelaagde betekenis die bovenop de denotatie komt.
Mythe (Roland Barthes)
Een ideologisch betekenissysteem dat culturele connotaties presenteert als natuurlijk en vanzelfsprekend.
Deconstructie
Een kritische leesstrategie waarmee teksten altijd interne tegenstrijdigheden laten zien.
Différance
Een concept van Derrida dat aantoont dat betekenis in taal nooit vaststaand is en altijd afhankelijk van context.
Parergon
Dat wat zich bevindt op de grens tussen het kunstwerk en de buitenwereld, zoals de lijst van een schilderij.
Archipel-idee
Een postmodern idee dat kennis beschouwt als een verzameling van onafhankelijke eilanden, die zich verzet tegen totalitaire verhalen.
Negatieve Esthetica (Lyotard)
Een esthetica die de plicht van avant-garde kunstenaars benadrukt om gevestigde vormen te doorbreken.
Simulacrum
Een representatie die geen reëel origineel meer heeft en in de hedendaagse mediamaatschappij zijn grenzen verliest.
Diepteloosheid
Een kenmerk van postmoderne cultuur waarin kunst zich richt op oppervlakkige effecten, historische imitaties en ontbrekend historisch besef.
Micro-emotive Art
Een stroming binnen de conceptuele kunst die zich richt op het vastleggen van subtiele alledaagse verschijnselen met minimale artistieke aanpassing.
Relationele Esthetiek (Esthétique Relationnelle)
Het model van Nicolas Bourriaud dat stelt dat de essentie van kunst ligt in het creëren van sociale interacties en tijdelijke gemeenschappen.
Relationeel Antagonisme
De kritiek van Claire Bishop op Bourriaud, die aanstipt dat participatieve kunst inhoudelijke frictie moet opzoeken.
Useful Art (Arte Útil) / Bruikbare kunst
Een praktijk die de esthetische autonomie verwerpt voor direct praktische bruikbaarheid in sociale verandering.
Commons (Gemeengoed) als Esthetiek
Een kunstpraktijk die is gebaseerd op het principe van gedeelde bronnen die toegankelijk zijn voor iedereen.
Kunstkritiek
Een tekstuele praktijk die zich richt op het informeren, beschrijven en waarderen van kunsttentoonstellingen.
Lyrische / Creatieve Kunstkritiek
Een vorm van kunstkritiek die gebruikmaakt van literair proza en metaforen, waardoor de grens vervaagt tussen kritiek en kunst.