1/73
Comprehensive vocabulary flashcards covering the key terms and definitions from Chapter 2: World - Global Perspectives, including prosperity differences, population distribution, cultural areas, political systems, work, demography, and migration.
analfabetisme
Het niet kunnen lezen en schrijven.
beroepsbevolking
Dat deel van de bevolking dat tegen betaling een beroep uitoefent plus de werklozen; de beroepsbevolking wordt ingedeeld in de primaire, secundaire en tertiaire sector.
bruto binnenlands product per hoofd (bbp/hoofd)
De toegevoegde waarde van alle goederen en diensten die door binnen- en buitenlandse ondernemingen in een land in 1 jaar worden geproduceerd, gedeeld door het aantal inwoners.
bruto nationaal product per hoofd (bnp/hoofd)
De toegevoegde waarde van alle goederen en diensten die door nationale ondernemingen worden geproduceerd; dit kan ook in het buitenland zijn.
bruto regionaal product per hoofd (brp/hoofd)
Het inkomen per inwoner binnen een regio.
Human Development Index (HDI)
Zie VN-ontwikkelingsindex.
inkomen
Wat er binnenkomt aan salaris, winst, rente, etc.
koopkracht
De hoeveelheid goederen of diensten die je in een land voor 1 dollar kunt kopen.
levensverwachting
Het aantal jaren dat iemand gemiddeld nog te leven heeft, gelet op de huidige sterftekans; de levensverwachting bij geboorte wordt het meest gebruikt.
ruimtelijke ongelijkheid
Grote en ongewenste verschillen in ontwikkeling tussen gebieden.
sociale ongelijkheid
Grote en ongewenste verschillen in welvaart en ontwikkelingskansen tussen de verschillende groepen (klassen) van de bevolking.
VN-ontwikkelingsindex
Maatstaf samengesteld uit de koopkracht, alfabetiseringsgraad en de levensverwachting om de maatschappelijke ontwikkeling vast te stellen (zie ook Human Development Index).
wereldsysteem
Een indeling van de wereld in centrum, semiperiferie en periferie naar ontwikkelingsgraad en verbondenheid door onderlinge handelsrelaties.
bevolkingsdichtheid
Het gemiddeld aantal inwoners per vierkante kilometer.
bevolkingsspreiding
De manier waarop de bevolking over een gebied verdeeld is.
culturele diffusie
De verspreiding van een cultuurelement.
cultuurgebied
Gebied waarin culturen voorkomen die sterk op elkaar lijken.
godsdienst
Een manier en systeem van verering van één of meerdere goden.
taal
Een gesproken en geschreven communicatiemiddel waarmee door middel van een woordenschat en grammaticaregels een boodschap overgebracht kan worden.
democratisch gehalte
De mate waarin het politieke stelsel (bestuur) van een land democratisch is.
mensenrechten
Universele basisrechten van de mens zoals recht op vrijheid, gelijkheid en rechtvaardigheid.
samenwerkingsverband
Samenwerking op economisch of politiek terrein tussen een groep van landen, vaak binnen een regio.
de-industrialisatie
Het verdwijnen of sterk afnemen van de industriële activiteit in een gebied; dit heeft sociaal-economische gevolgen, bijvoorbeeld voor de soort werkgelegenheid.
internationale arbeidsverdeling
De specialisatie van werkgelegenheid in de verschillende delen van de wereld.
bevolkingsgroei
Ontwikkeling van het aantal mensen in een gebied als gevolg van geboorte, sterfte en migratie.
demografisch transitiemodel
De gefaseerde overgang van een hoog geboorte- en sterftecijfer naar een laag geboorte- en sterftecijfer.
demografische druk
Het niet-actieve deel van de bevolking (0−19 jaar en >65 jaar) uitgedrukt als percentage van de actieve bevolking (20−65 jaar).
kindersterfte
Het aantal kinderen per duizend levendgeborenen dat voor de vijfde verjaardag overlijdt.
leeftijdsopbouw
De verdeling van de bevolking over de verschillende leeftijdsklassen of cohorten.
vruchtbaarheidscijfer
Gemiddeld aantal levendgeboren kinderen dat een vrouw in haar leven krijgt.
(im)mobiliteit
De (on)mogelijkheid tot het verplaatsen van personen, goederen of berichten.
pullfactor
Een reden waarvoor iemand naar een ander land verhuist.
pushfactor
Een reden waarvoor iemand uit een land vertrekt.
selectieve migratie
Migratie van een groep mensen op grond van een kenmerk als leeftijd, geloofsovertuiging, geslacht, opleidingsniveau.
verstedelijking
De toename van het aandeel van de bevolking dat in de stad woont.
verstedelijkingsgraad
Het percentage van de bevolking dat in de stad woont.
verstedelijkingstempo
De snelheid waarmee de verstedelijkingsgraad per jaar toeneemt.
Analfabetisme (Illiteracy)
Het niet kunnen lezen en schrijven.
Beroepsbevolking (Labor Force)
Dat deel van de bevolking dat tegen betaling een beroep uitoefent plus de werklozen; de beroepsbevolking wordt ingedeeld in de primaire, secundaire en tertiaire sector.
Bruto binnenlands product per hoofd (bbp/hoofd) (Gross Domestic Product per Capita)
De toegevoegde waarde van alle goederen en diensten die door binnen- en buitenlandse ondernemingen in een land in 1 jaar worden geproduceerd, gedeeld door het aantal inwoners.
Bruto nationaal product per hoofd (bnp/hoofd) (Gross National Product per Capita)
De toegevoegde waarde van alle goederen en diensten die door nationale ondernemingen worden geproduceerd; dit kan ook in het buitenland zijn.
Bruto regionaal product per hoofd (brp/hoofd) (Gross Regional Product per Capita)
Het inkomen per inwoner binnen een regio.
Human Development Index (HDI)
Zie VN-ontwikkelingsindex.
Inkomen (Income)
Wat er binnenkomt aan salaris, winst, rente, etc.
Koopkracht (Purchasing Power)
De hoeveelheid goederen of diensten die je in een land voor 1 dollar kunt kopen.
Levensverwachting (Life Expectancy)
Het aantal jaren dat iemand gemiddeld nog te leven heeft, gelet op de huidige sterftekans; de levensverwachting bij geboorte wordt het meest gebruikt.
Ruimtelijke ongelijkheid (Spatial Inequality)
Grote en ongewenste verschillen in ontwikkeling tussen gebieden.
Sociale ongelijkheid (Social Inequality)
Grote en ongewenste verschillen in welvaart en ontwikkelingskansen tussen de verschillende groepen (klassen) van de bevolking.
VN-ontwikkelingsindex (UN Development Index)
Maatstaf samengesteld uit de koopkracht, alfabetiseringsgraad en de levensverwachting om de maatschappelijke ontwikkeling vast te stellen (zie ook Human Development Index).
Wereldsysteem (World System)
Een indeling van de wereld in centrum, semiperiferie en periferie naar ontwikkelingsgraad en verbondenheid door onderlinge handelsrelaties.
Bevolkingsdichtheid (Population Density)
Het gemiddeld aantal inwoners per vierkante kilometer.
Bevolkingsspreiding (Population Distribution)
De manier waarop de bevolking over een gebied verdeeld is.
Culturele diffusie (Cultural Diffusion)
De verspreiding van een cultuurelement.
Cultuurgebied (Cultural Area)
Gebied waarin culturen voorkomen die sterk op elkaar lijken.
Godsdienst (Religion)
Een manier en systeem van verering van één of meerdere goden.
Taal (Language)
Een gesproken en geschreven communicatiemiddel waarmee door middel van een woordenschat en grammaticaregels een boodschap overgebracht kan worden.
Democratisch gehalte (Democratic Level)
De mate waarin het politieke stelsel (bestuur) van een land democratisch is.
Mensenrechten (Human Rights)
Universele basisrechten van de mens zoals recht op vrijheid, gelijkheid en rechtvaardigheid.
Samenwerkingsverband (Cooperative Alliance)
Samenwerking op economisch of politiek terrein tussen een groep van landen, vaak binnen een regio.
De-industrialisatie (De-industrialization)
Het verdwijnen of sterk afnemen van de industriële activiteit in een gebied; dit heeft sociaal-economische gevolgen, bijvoorbeeld voor de soort werkgelegenheid.
Internationale arbeidsverdeling (International Division of Labor)
De specialisatie van werkgelegenheid in de verschillende delen van de wereld.
Bevolkingsgroei (Population Growth)
Ontwikkeling van het aantal mensen in een gebied als gevolg van geboorte, sterfte en migratie.
Demografisch transitiemodel (Demographic Transition Model)
De gefaseerde overgang van een hoog geboorte- en sterftecijfer naar een laag geboorte- en sterftecijfer.
Demografische druk (Demographic Pressure)
Het niet-actieve deel van de bevolking (0−19 jaar en >65 jaar) uitgedrukt als percentage van de actieve bevolking (20−65 jaar).
Kindersterfte (Child Mortality)
Het aantal kinderen per duizend levendgeborenen dat voor de vijfde verjaardag overlijdt.
Leeftijdsopbouw (Age Structure)
De verdeling van de bevolking over de verschillende leeftijdsklassen of cohorten.
Vruchtbaarheidscijfer (Fertility Rate)
Gemiddeld aantal levendgeboren kinderen dat een vrouw in haar leven krijgt.
(Im)mobiliteit ((Im)mobility)
De (on)mogelijkheid tot het verplaatsen van personen, goederen of berichten.
Pullfactor (Pull Factor)
Een reden waarvoor iemand naar een ander land verhuist.
Pushfactor (Push Factor)
Een reden waarvoor iemand uit een land vertrekt.
Selectieve migratie (Selective Migration)
Migratie van een groep mensen op grond van een kenmerk als leeftijd, geloofsovertuiging, geslacht, opleidingsniveau.
Verstedelijking (Urbanization)
De toename van het aandeel van de bevolking dat in de stad woont.
Verstedelijkingsgraad (Degree of Urbanization)
Het percentage van de bevolking dat in de stad woont.
Verstedelijkingstempo (Rate of Urbanization)
De snelheid waarmee de verstedelijkingsgraad per jaar toeneemt.