1/68
Woordenlijst-flitskaarten voor Thema 7: Regeling. Bevat kernbegrippen over homeostase, regelkringen, het hormoonstelsel, het zenuwstelsel, reflexen, impulsgeleiding en het spierstelsel.
Homeostase
Het in stand houden van een dynamisch evenwicht in het inwendige milieu van organismen.
Dynamisch evenwicht
Een toestand waarin de waarde van een bepaalde factor continu schommelt rondom een vaste normwaarde.
Normwaarde
De specifieke ijkwaarde waar een regelkring omheen schommelt (zoals een lichaamstemperatuur van 36,4∘C of een bloedsuikerspiegel van 5,0mmol/L).
Inwendig milieu
Het vloeibare milieu binnen een organisme dat bestaat uit het bloed en de weefselvloeistof tussen de cellen.
Regelkring
Een regulerend systeem dat bestaat uit een sensor, een controlecentrum en een effector om een factor rondom een normwaarde te handhaven.
Negatieve terugkoppeling
Een regelmechanisme waarin een toename van het resultaat een remming van het proces veroorzaakt, en een afname van het resultaat het proces juist stimuleert.
Positieve terugkoppeling
Een regelmechanisme waarin een toename van het resultaat het proces verder stimuleert en versterkt.
Endocriene klier
Een hormoonklier zonder afvoerbuis die hormonen direct afgeeft aan het bloed (secretie).
Exocriene klier
Een klier die zijn product via een afvoerbuis afgeeft aan het uitwendige milieu of holtes in het lichaam (uitscheiding/excretie).
Doelwitorgaan
Een orgaan waarvan de cellen specifieke receptoren bezitten waaraan een bepaald hormoon kan binden om een reactie op gang te brengen of te stoppen.
Steroïdhormonen
In vet oplosbare hormonen (vaak afgeleid van cholesterol) die het celmembraan passeren en binden aan receptoren in het cytoplasma.
Hormoon-receptorcomplex
Het complex van een steroïdhormoon gebonden aan een receptor dat via kernporiën in het kernplasma binnendringt om specifieke genen aan of uit te zetten.
Peptidehormonen
In water oplosbare hormonen die het celmembraan niet kunnen passeren en binden aan een receptor op de buitenzijde van het celmembraan.
Second messenger
Een signaalmolecuul aan de binnenzijde van het celmembraan (zoals cAMP) dat geactiveerd wordt na binding van een peptidehormoon aan een membraanreceptor en de reactie in de cel verder regelt.
Signaalcascade
Een reactieketen waarbij een signaal via opeenvolgende moleculaire schakels in de cel wordt overgedragen en sterk wordt versterkt.
Neurosecretie
Het proces waarbij gespecialiseerde neuronen hormonen (neurohormonen) aanmaken en afgeven.
Releasing hormonen (RH)
Neurohormonen uit de hypothalamus die de endocriene cellen in de hypofysevoorkwab aanzetten tot de productie en secretie van specifieke hypofysehormonen.
Inhibiting hormonen (IH)
Neurohormonen uit de hypothalamus die de afgifte van bepaalde hormonen door de hypofysevoorkwab remmen.
Antidiuretisch hormoon (ADH)
Een neurohormoon uit de hypothalamus (afgegeven door de hypofyseachterkwab) dat de resorptie van water in de nieren stimuleert.
Thyroxine
Het jodiumbevattende schildklierhormoon dat de celstofwisseling en glucoseverbranding stimuleert en bijdraagt aan groei en ontwikkeling.
Eilandjes van Langerhans
Groepen endocriene cellen in de alvleesklier die glucagon (α-cellen) en insuline (β-cellen) produceren.
Insuline
Een hormoon uit de β-cellen van de eilandjes van Langerhans dat de opname van glucose door cellen en de opslag van glycogeen stimuleert, waardoor de bloedsuikerspiegel daalt.
Glucagon
Een hormoon uit de α-cellen van de eilandjes van Langerhans dat de omzetting van glycogeen in glucose stimuleert, waardoor de bloedsuikerspiegel stijgt.
Erytropoëtine (epo)
Een hormoon geproduceerd door de nieren bij zuurstofgebrek dat de productie van rode bloedcellen in het rode beenmerg stimuleert.
Adrenaline
Een hormoon uit het bijniermerg met een snelle werking dat vrijkomt bij acute stress en onder andere hartslag, ademhaling en glucoseafgifte verhoogt.
Cortisol
Een stresshormoon geproduceerd door de bijnierschors onder invloed van ACTH, dat de glucoseconcentratie in het bloed verhoogt en het afweersysteem onderdrukt.
Centrale zenuwstelsel (CZS)
Het anatomische deel van het zenuwstelsel gevormd door de grote hersenen, kleine hersenen, hersenstam en het ruggenmerg.
Perifere zenuwstelsel
Het netwerk van zenuwen dat alle organen en weefsels in het lichaam verbindt met het centrale zenuwstelsel.
Animale zenuwstelsel
Het functionele deel van het zenuwstelsel dat bewuste reacties, houding, bewegingen van skeletspieren en reflexen reguleert.
Autonome zenuwstelsel
Het vegetatieve zenuwstelsel dat onbewuste processen en de werking van inwendige organen regelt en niet onder invloed van de wil staat.
Receptoren (zintuigcellen)
Zintuigcellen die prikkels uit het milieu opvangen en deze omzetten in elektrische impulsen.
Conductoren
Neuronen (zenuwcellen) die impulsen voortgeleiden naar, binnen en vanuit het centrale zenuwstelsel.
Effectoren
Spieren of klieren die reageren op impulsen door samen te trekken of stoffen af te scheiden.
Gliacellen
Ondersteunende cellen in zenuwweefsel die zorgen voor stevigheid, bescherming, voeding, myelinevorming en ionenhomeostase rond neuronen.
Dendriet
Een sterk vertakte uitloper van een neuron die impulsen ontvangt en naar het cellichaam toe geleidt.
Axon
Een uitloper van een neuron die impulsen van het cellichaam af geleidt.
Myelineschede
Een isolerende omhulling rondom axonen gevormd door cellen van Schwann, onderbroken door insnoeringen.
Synaps
De contactplaats tussen een axon en een doelwitcel waar impulsoverdracht plaatsvindt via neurotransmitters.
Sensorische neuronen
Gevoelszenuwcellen met één lange dendriet en een kort axon die impulsen vanaf receptoren naar het centrale zenuwstelsel geleiden.
Motorische neuronen
Bewegingszenuwcellen met meerdere korte dendrieten en één lang axon die impulsen van het centrale zenuwstelsel naar effectoren geleiden.
Schakelneuronen
Neuronen die volledig binnen het centrale zenuwstelsel liggen en impulsen overdragen tussen andere neuronen.
Grijze stof
Weefsel in het centrale zenuwstelsel dat voornamelijk bestaat uit cellichamen van schakel- en motorische neuronen.
Witte stof
Weefsel in het centrale zenuwstelsel dat voornamelijk bestaat uit gemyeliniseerde uitlopers van neuronen.
Verlengde merg
Het onderste deel van de hersenstam dat overgaat in het ruggenmerg, waar zenuwbanen kruisen en vitale reflexcentra liggen.
Reflex
Een vaste, snelle en onbewuste reactie op een bepaalde prikkel.
Reflexboog
Het traject dat impulsen afleggen bij een reflex: van receptor via een sensorisch neuron en het ruggenmerg of de hersenstam naar een motorisch neuron en effector.
Orthosympatisch zenuwstelsel
Deel van het autonome zenuwstelsel dat actief is bij lichamelijke inspanning en stress; stimuleert verbranding en remt vertering.
Parasympatisch zenuwstelsel
Deel van het autonome zenuwstelsel dat actief is tijdens rust en herstel; stimuleert assimilatie en spijsvertering.
Rustpotentiaal
Het verschil in elektrische lading van ongeveer −70mV over het membraan van een neuron wanneer er geen impuls wordt geleid.
Prikkeldrempel
De minimale membraanpotentiaal (ongeveer −50mV) die bereikt moet worden om een actiepotentiaal te laten ontstaan volgens het alles-of-nietsprincipe.
Depolarisatie
De fase waarin de membraanpotentiaal minder negatief wordt door de plotselinge instroom van Na+-ionen.
Repolarisatie
De herstelfase van de membraanpotentiaal na een actiepotentiaal, veroorzaakt door het sluiten van de Na+-kanalen en het uitstromen van K+-ionen.
Hyperpolarisatie
Een tijdelijke toestand waarin de membraanpotentiaal negatiever is dan de normale rustpotentiaal (<−70mV).
Refractaire periode
De korte herstelperiode na een actiepotentiaal waarin een neuron ongevoelig of minder gevoelig is voor nieuwe prikkels.
Sprongsgewijze impulsgeleiding
De snelle verplaatsing van impulsen waarbij de actiepotentiaal van insnoering naar insnoering 'springt' langs een gemyeliniseerd axon.
Impulsfrequentie
Het aantal impulsen dat per tijdseenheid (meestal per milliseconde) door een neuron wordt voortgeleid.
Exciterend postsynaptisch potentiaal (EPSP)
Een kleine depolarisatie van het postsynaptische membraan die ontstaat doordat neurotransmitters ionkanalen voor Na+ openen.
Inhiberend postsynaptisch potentiaal (IPSP)
Een kleine hyperpolarisatie van het postsynaptische membraan door het selectief openen van ionkanalen voor K+ of Cl−.
Summatie
Het optellen van gelijktijdige of kort na elkaar optredende EPSP's en IPSP's in het postsynaptische membraan.
Glad spierweefsel
Spierweefsel opgebouwd uit langwerpige eencellige spiercellen met één kern, autonoom geïnnerveerd en niet snel vermoeid rakend.
Dwarsgestreept spierweefsel
Spierweefsel opgebouwd uit meerkernige spiervezels met een gestreept patroon, animaal geïnnerveerd en hechtend aan het skelet of de huid.
Motorische eenheid
Het functionele geheel van één motorisch neuron samen met alle spiervezels die daardoor worden aangestuurd.
Motorisch eindplaatje
De synaps tussen een vertakking van een motorisch axon en het celmembraan van een skeletspiervezel waar acetylcholine vrijkomt.
Tonus
De lichte constante spierspanning die in rusttoestand aanwezig is om de lichaamshouding te handhaven.
Spierspoeltje
Een zintuigje tussen spiervezels dat de uitrekking en rekveranderingen van een spier registreert.
Peesspoeltje
Een zintuigje op de overgang van spier naar pees dat de spanning op de pees registreert en beschermt tegen overbelasting.
Antagonisten
Spieren waarvan de samentrekking een tegengesteld effect heeft op de beweging van een gewricht (zoals biceps en triceps).
Rode spiervezels
Langzame spiervezels met veel mitochondriën en goede doorbloeding die niet snel vermoeid raken en getraind worden bij duurtraining.
Witte spiervezels
Snelle spiervezels met minder mitochondriën die zeer krachtig en snel samentrekken, maar snel vermoeid raken.