Thema 7: Regeling

0.0(0)
Studied by 0 people
call kaiCall Kai
learnLearn
examPractice Test
spaced repetitionSpaced Repetition
heart puzzleMatch
flashcardsFlashcards
GameKnowt Play
Card Sorting

1/68

flashcard set

Earn XP

Description and Tags

Woordenlijst-flitskaarten voor Thema 7: Regeling. Bevat kernbegrippen over homeostase, regelkringen, het hormoonstelsel, het zenuwstelsel, reflexen, impulsgeleiding en het spierstelsel.

69 Terms

1
New cards

Homeostase

Het in stand houden van een dynamisch evenwicht in het inwendige milieu van organismen.

2
New cards

Dynamisch evenwicht

Een toestand waarin de waarde van een bepaalde factor continu schommelt rondom een vaste normwaarde.

3
New cards

Normwaarde

De specifieke ijkwaarde waar een regelkring omheen schommelt (zoals een lichaamstemperatuur van 36,4 ∘C36{,}4\,^\circ\text{C} of een bloedsuikerspiegel van 5,0 mmol/L5{,}0\,\text{mmol/L}).

4
New cards

Inwendig milieu

Het vloeibare milieu binnen een organisme dat bestaat uit het bloed en de weefselvloeistof tussen de cellen.

5
New cards

Regelkring

Een regulerend systeem dat bestaat uit een sensor, een controlecentrum en een effector om een factor rondom een normwaarde te handhaven.

6
New cards

Negatieve terugkoppeling

Een regelmechanisme waarin een toename van het resultaat een remming van het proces veroorzaakt, en een afname van het resultaat het proces juist stimuleert.

7
New cards

Positieve terugkoppeling

Een regelmechanisme waarin een toename van het resultaat het proces verder stimuleert en versterkt.

8
New cards

Endocriene klier

Een hormoonklier zonder afvoerbuis die hormonen direct afgeeft aan het bloed (secretie).

9
New cards

Exocriene klier

Een klier die zijn product via een afvoerbuis afgeeft aan het uitwendige milieu of holtes in het lichaam (uitscheiding/excretie).

10
New cards

Doelwitorgaan

Een orgaan waarvan de cellen specifieke receptoren bezitten waaraan een bepaald hormoon kan binden om een reactie op gang te brengen of te stoppen.

11
New cards

Steroïdhormonen

In vet oplosbare hormonen (vaak afgeleid van cholesterol) die het celmembraan passeren en binden aan receptoren in het cytoplasma.

12
New cards

Hormoon-receptorcomplex

Het complex van een steroïdhormoon gebonden aan een receptor dat via kernporiën in het kernplasma binnendringt om specifieke genen aan of uit te zetten.

13
New cards

Peptidehormonen

In water oplosbare hormonen die het celmembraan niet kunnen passeren en binden aan een receptor op de buitenzijde van het celmembraan.

14
New cards

Second messenger

Een signaalmolecuul aan de binnenzijde van het celmembraan (zoals cAMP) dat geactiveerd wordt na binding van een peptidehormoon aan een membraanreceptor en de reactie in de cel verder regelt.

15
New cards

Signaalcascade

Een reactieketen waarbij een signaal via opeenvolgende moleculaire schakels in de cel wordt overgedragen en sterk wordt versterkt.

16
New cards

Neurosecretie

Het proces waarbij gespecialiseerde neuronen hormonen (neurohormonen) aanmaken en afgeven.

17
New cards

Releasing hormonen (RH)

Neurohormonen uit de hypothalamus die de endocriene cellen in de hypofysevoorkwab aanzetten tot de productie en secretie van specifieke hypofysehormonen.

18
New cards

Inhibiting hormonen (IH)

Neurohormonen uit de hypothalamus die de afgifte van bepaalde hormonen door de hypofysevoorkwab remmen.

19
New cards

Antidiuretisch hormoon (ADH)

Een neurohormoon uit de hypothalamus (afgegeven door de hypofyseachterkwab) dat de resorptie van water in de nieren stimuleert.

20
New cards

Thyroxine

Het jodiumbevattende schildklierhormoon dat de celstofwisseling en glucoseverbranding stimuleert en bijdraagt aan groei en ontwikkeling.

21
New cards

Eilandjes van Langerhans

Groepen endocriene cellen in de alvleesklier die glucagon (α\alpha-cellen) en insuline (β\beta-cellen) produceren.

22
New cards

Insuline

Een hormoon uit de β\beta-cellen van de eilandjes van Langerhans dat de opname van glucose door cellen en de opslag van glycogeen stimuleert, waardoor de bloedsuikerspiegel daalt.

23
New cards

Glucagon

Een hormoon uit de α\alpha-cellen van de eilandjes van Langerhans dat de omzetting van glycogeen in glucose stimuleert, waardoor de bloedsuikerspiegel stijgt.

24
New cards

Erytropoëtine (epo)

Een hormoon geproduceerd door de nieren bij zuurstofgebrek dat de productie van rode bloedcellen in het rode beenmerg stimuleert.

25
New cards

Adrenaline

Een hormoon uit het bijniermerg met een snelle werking dat vrijkomt bij acute stress en onder andere hartslag, ademhaling en glucoseafgifte verhoogt.

26
New cards

Cortisol

Een stresshormoon geproduceerd door de bijnierschors onder invloed van ACTH, dat de glucoseconcentratie in het bloed verhoogt en het afweersysteem onderdrukt.

27
New cards

Centrale zenuwstelsel (CZS)

Het anatomische deel van het zenuwstelsel gevormd door de grote hersenen, kleine hersenen, hersenstam en het ruggenmerg.

28
New cards

Perifere zenuwstelsel

Het netwerk van zenuwen dat alle organen en weefsels in het lichaam verbindt met het centrale zenuwstelsel.

29
New cards

Animale zenuwstelsel

Het functionele deel van het zenuwstelsel dat bewuste reacties, houding, bewegingen van skeletspieren en reflexen reguleert.

30
New cards

Autonome zenuwstelsel

Het vegetatieve zenuwstelsel dat onbewuste processen en de werking van inwendige organen regelt en niet onder invloed van de wil staat.

31
New cards

Receptoren (zintuigcellen)

Zintuigcellen die prikkels uit het milieu opvangen en deze omzetten in elektrische impulsen.

32
New cards

Conductoren

Neuronen (zenuwcellen) die impulsen voortgeleiden naar, binnen en vanuit het centrale zenuwstelsel.

33
New cards

Effectoren

Spieren of klieren die reageren op impulsen door samen te trekken of stoffen af te scheiden.

34
New cards

Gliacellen

Ondersteunende cellen in zenuwweefsel die zorgen voor stevigheid, bescherming, voeding, myelinevorming en ionenhomeostase rond neuronen.

35
New cards

Dendriet

Een sterk vertakte uitloper van een neuron die impulsen ontvangt en naar het cellichaam toe geleidt.

36
New cards

Axon

Een uitloper van een neuron die impulsen van het cellichaam af geleidt.

37
New cards

Myelineschede

Een isolerende omhulling rondom axonen gevormd door cellen van Schwann, onderbroken door insnoeringen.

38
New cards

Synaps

De contactplaats tussen een axon en een doelwitcel waar impulsoverdracht plaatsvindt via neurotransmitters.

39
New cards

Sensorische neuronen

Gevoelszenuwcellen met één lange dendriet en een kort axon die impulsen vanaf receptoren naar het centrale zenuwstelsel geleiden.

40
New cards

Motorische neuronen

Bewegingszenuwcellen met meerdere korte dendrieten en één lang axon die impulsen van het centrale zenuwstelsel naar effectoren geleiden.

41
New cards

Schakelneuronen

Neuronen die volledig binnen het centrale zenuwstelsel liggen en impulsen overdragen tussen andere neuronen.

42
New cards

Grijze stof

Weefsel in het centrale zenuwstelsel dat voornamelijk bestaat uit cellichamen van schakel- en motorische neuronen.

43
New cards

Witte stof

Weefsel in het centrale zenuwstelsel dat voornamelijk bestaat uit gemyeliniseerde uitlopers van neuronen.

44
New cards

Verlengde merg

Het onderste deel van de hersenstam dat overgaat in het ruggenmerg, waar zenuwbanen kruisen en vitale reflexcentra liggen.

45
New cards

Reflex

Een vaste, snelle en onbewuste reactie op een bepaalde prikkel.

46
New cards

Reflexboog

Het traject dat impulsen afleggen bij een reflex: van receptor via een sensorisch neuron en het ruggenmerg of de hersenstam naar een motorisch neuron en effector.

47
New cards

Orthosympatisch zenuwstelsel

Deel van het autonome zenuwstelsel dat actief is bij lichamelijke inspanning en stress; stimuleert verbranding en remt vertering.

48
New cards

Parasympatisch zenuwstelsel

Deel van het autonome zenuwstelsel dat actief is tijdens rust en herstel; stimuleert assimilatie en spijsvertering.

49
New cards

Rustpotentiaal

Het verschil in elektrische lading van ongeveer −70 mV-70\,\text{mV} over het membraan van een neuron wanneer er geen impuls wordt geleid.

50
New cards

Prikkeldrempel

De minimale membraanpotentiaal (ongeveer −50 mV-50\,\text{mV}) die bereikt moet worden om een actiepotentiaal te laten ontstaan volgens het alles-of-nietsprincipe.

51
New cards

Depolarisatie

De fase waarin de membraanpotentiaal minder negatief wordt door de plotselinge instroom van Na+\text{Na}^+-ionen.

52
New cards

Repolarisatie

De herstelfase van de membraanpotentiaal na een actiepotentiaal, veroorzaakt door het sluiten van de Na+\text{Na}^+-kanalen en het uitstromen van K+\text{K}^+-ionen.

53
New cards

Hyperpolarisatie

Een tijdelijke toestand waarin de membraanpotentiaal negatiever is dan de normale rustpotentiaal (<−70 mV<-70\,\text{mV}).

54
New cards

Refractaire periode

De korte herstelperiode na een actiepotentiaal waarin een neuron ongevoelig of minder gevoelig is voor nieuwe prikkels.

55
New cards

Sprongsgewijze impulsgeleiding

De snelle verplaatsing van impulsen waarbij de actiepotentiaal van insnoering naar insnoering 'springt' langs een gemyeliniseerd axon.

56
New cards

Impulsfrequentie

Het aantal impulsen dat per tijdseenheid (meestal per milliseconde) door een neuron wordt voortgeleid.

57
New cards

Exciterend postsynaptisch potentiaal (EPSP)

Een kleine depolarisatie van het postsynaptische membraan die ontstaat doordat neurotransmitters ionkanalen voor Na+\text{Na}^+ openen.

58
New cards

Inhiberend postsynaptisch potentiaal (IPSP)

Een kleine hyperpolarisatie van het postsynaptische membraan door het selectief openen van ionkanalen voor K+\text{K}^+ of Cl−\text{Cl}^-.

59
New cards

Summatie

Het optellen van gelijktijdige of kort na elkaar optredende EPSP's en IPSP's in het postsynaptische membraan.

60
New cards

Glad spierweefsel

Spierweefsel opgebouwd uit langwerpige eencellige spiercellen met één kern, autonoom geïnnerveerd en niet snel vermoeid rakend.

61
New cards

Dwarsgestreept spierweefsel

Spierweefsel opgebouwd uit meerkernige spiervezels met een gestreept patroon, animaal geïnnerveerd en hechtend aan het skelet of de huid.

62
New cards

Motorische eenheid

Het functionele geheel van één motorisch neuron samen met alle spiervezels die daardoor worden aangestuurd.

63
New cards

Motorisch eindplaatje

De synaps tussen een vertakking van een motorisch axon en het celmembraan van een skeletspiervezel waar acetylcholine vrijkomt.

64
New cards

Tonus

De lichte constante spierspanning die in rusttoestand aanwezig is om de lichaamshouding te handhaven.

65
New cards

Spierspoeltje

Een zintuigje tussen spiervezels dat de uitrekking en rekveranderingen van een spier registreert.

66
New cards

Peesspoeltje

Een zintuigje op de overgang van spier naar pees dat de spanning op de pees registreert en beschermt tegen overbelasting.

67
New cards

Antagonisten

Spieren waarvan de samentrekking een tegengesteld effect heeft op de beweging van een gewricht (zoals biceps en triceps).

68
New cards

Rode spiervezels

Langzame spiervezels met veel mitochondriën en goede doorbloeding die niet snel vermoeid raken en getraind worden bij duurtraining.

69
New cards

Witte spiervezels

Snelle spiervezels met minder mitochondriën die zeer krachtig en snel samentrekken, maar snel vermoeid raken.