1/467
voor vakken: KLIVZO 1, Biomedische navigatie 1 & 2
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai | Chat |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
supine
rugligging

prone
buikligging

cranium
schedel

os
mond

axilla
oksels

phalanges
vingers

patella
knieschijf

hallux
bot aan kant van grote teen

cervix
nek

thorax
borstkas

oculus
oog

auris
oren

nasus
neus

mamma((e)meervoud)
borsten

abdomen
buik

umbilicus
navel

pelvis
bekken

femur
bot in bovenbeen

pes
voet

acromion
schouderkop

dorsum
rug

olecranon
uitsteeksel van de elleboog

gluteus
billen

popliteus
holte in de achterkant van je knie

calcaneus
hiel
planta
voetzool

navelgebied
2

epigastrisch gebied
1

hypogastrisch gebied / schaamstreek
3

rechter regio hypochondriaca
7

rechter lumbaal gebied
8

rechter liesgebied
9

linker regio hypochondriaca
4

linker lumbaal gebied
5

linker lies gebied
6

rechter bovenste kwadrant
paars

rechter onderste kwadrant
rood

linker bovenste kwadrant
geel

linker onderste kwadrant
roos

anterior
voorkant
posterior
achterkant
ventraal
voorzijde (van buik)
dorsaal
achterzijde (rugzijde)
superior
bovenkant
inferior
onderkant
lateraal
weg van het midden van lichaam
mediaal
richting midden van lichaam
proximaal
richting aanhechting
distaal
weg van aanhechting
centraal
dicht bij lichaam
perifeer
ver van lichaam
caudaal
richting de voeten
craniaal (crâne = schedel)
richting het hoofd
transversaal vlak
loodrecht op lengteas
sagittaal vlak
vlak langs lengteas van voor naar achteren

frontaal vlak
vlak langs lengteas van links naar rechts

transversaal vlak
vlak loodrecht op de lengte-as

ventrale lichaamsholte
omringt ademhalingsstelsel, hart en bloedvaten, spijsverteringsstelsel, urinewegen voortplantingsorganen
thoraxholte
borstholte, alles wat achter ribben en boven middenrif zit

pleurale holte
holte in borstkas waar je longen in zitten

pericardiale ruimte
de ruimte rond het hart/holte waar het hart in zit

mediastinum
ruimte tussen linker en rechter long

diafragma
middenrif

peritoneum
buikvlies

peritoneale ruimte, pelvis, abdomen
welke holtes zijn een voorbeeld van buik- en bekkenholte?
van de voeten richting het hoofd kijken
hoe zie je een doorsnede van iemand zijn lichaam op een CT-scan
beschermen tegen schokken van buitenaf
beschermen tegen schokken bij springen of lopen
laat groei en beweging van organen toe zonder andere weefsels te beschadigen
waarvoor bestaan lichaamsholtes (ondervederdeling van inwendige compartimenten)
–trager herstel en onderhoud
–epitheel (huidlaag) wordt dunner
–bindweefsel wordt kwetsbaarder
–botten worden zwakker en brozer
–verlies van zenuw- en spierweefsel neemt toe
–verandering van levensstijl vertraagt achteruitgang (meer bewegen, goed eten)
hoe veranderen weefsels bij het ouder worden?
ziekenhuisinfectie
infecties die optreden bij patiënten tijdens of in aansluiting op hun verblijf in het ziekenhuis of eruit. Ook uit ziekenhuis in stijgende aantal (vb: door korte opname)
zorginfectie
een infectie als gevolg van het toedienen van zorg, onafhankelijk van waar de zorg plaatsvond
besmetting
het overgaan van een micro-organisme vanuit een bron via een weg naar iets of iemand
kolonisatie
na besmetting handhaven micro-organismen zich bij de mens. Bacteriën kunnen zo zonder nadelige gevolgen deel uitmaken van de menselijke flora
infectie
na besmetting veroorzaken micro-organismen ziekteverschijnselen zoals warmte, roodheid, pijn of zwelling (calor, rubor, dolor of tumor)
endogene infectie
= auto-infectie = infectie aanwezig voor opname veroorzaakt door een micro-organisme dat reeds bij opname in het ziekenhuis aanwezig is bij de zorgvrager (vaak normale darmflora, huidflora,…)
exogene infectie
= kruisinfectie= infectie veroorzaakt door een micro-organisme afkomstig uit het ziekenhuismilieu
kiemen
worden overgedragen van de ene plaats naar de andere (= besmetting) Hier is daarom nog geen sprake van infectie.
besmettingsbronnen
de plaats waar kiemen leven en zich vermenigvuldigen zoals personeel, patiënt, gebruiksvoorwerpen
overdrachtwegen
De wegen waarlangs de kiemen vanuit de besmettingsbron overgedragen worden zoals licht, rechtstreeks contact en onrechtstreeks contact. ( zorgpersoneel geen overdrachtweg, wel hun handen)
ingangspoorten
openingen waardoor (besmettende) kiemen kunnen binnendringen zoals luchtweg, slijmvliezen, maag en darmkanaal, urineweg, huid via verwonding en katheders.
gastheer
algemene weerstand van de zorgvrager
meest voorkomende ziekenhuisinfecties
- urineweginfecties
- luchtweginfecties
- (postoperatieve) wondinfecties
bloedbaaninfecties
gevolgen van ziekenhuisinfecties:
langere verblijfsduur
verhoogde medicatie-inname
heringreep
kost aan gemeenschap
beïnvloedende factoren voor infectie
aantal kiemen
virulentie kiemen (hoeveelheid schade dit MO veroorzaakt)
groeisnelheid kiemen
weerstand van de persoon die in contact komt met de kiem
risicogroepen voor psychosociale hospitalisatie
kinderen, chronische zieken, psychiatrische zieken, patienten op intesieve zorg
fysieke schade
lichamelijke, materiele of financiele schade
psychosociale verandering
verandering bij gedrag van patient en hoe die zich voelt
hospitalisme
de bijkomende of secundaire schade die veroorzaakt kan worden door zijn verblijf of in aansluiting met zijn verblijf in het ziekenhuis
hygiëne
de hygiëne omvat het voorkomen van ziekten veroorzaakt door bacteriën of andere MO om zo de lichamelijke gezondheid in stand te houden
gezondheid
een toestand van optimaal lichamelijk, geestelijk en maatschappelijk welzijn (WHO)
synoniemen ziekenhuisinfectie
nosocomiale, secundaire en iatrogene infectie
cytologie
celleer, bestuderen van de structuren en functie van cellen
eukaryoten
dierlijke cellen die bevatten:
celmembraan
cytoplasma met organellen
erfelijk materiaal in celkern
hydrofiele kop
hoofd van fosfolipiden die van water houden
hydrofobe staart
staart van fosfolipiden die niet van waterhouden
fosfolipiden
vormen een dubbele celmembraan
membraanlipiden
(= fosfolipiden) onderdeel van celmembraan, bestaat uit 2 afzonderlijke lagen waarbij hydrofiele koppen aan de buitenzijde en de hydrofobe staarten aan de binnenzijde liggen (dubbele fosfolipidenlaag). Hiertussen liggen cholesterolmoleculen en andere vetten.
membraaneiwitten
onderdeel van celmembraan, fungeren als receptoren, kanaaleiwitten, dragereiwitten, enzymen, verankeringseiwitten en herkenningseiwitten
receptoreiwitten
eiwitten in celmembraan die gevoelig zijn voor specifieke extracellulaire stoffen die zich aan eiwitten binden, waardoor de activiteiten van de cel wijzigen
Kanaaleiwitten
eiwitten in celmembraan die het mogelijk maakt om water, ionen en andere opgelosten stoffen het vetgedeelte van de membraan kunnen ontwijken
dragereiwitten
eiwitten in celmembraan die zich binden aan opgeloste stoffen en vervoeren deze door de plasmamembraan heen.