1/122
A complete set of vocabulary flashcards based on the provided Greek learning lists.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai | Chat |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
ἥκω
komen, gekomen zijn
Ζεύς
Zeus
ὁ παῖς, παιδός
kind, jongen, slaaf
ὅδε ἥδε τόδε
deze, dit
Θηβαῖος
Thebaan, Thebaans
ἡ χθών
aarde, land
Διόνυσος
Dionysus
ὅς ἥ ὅ
die, dat, wie, wat
τίκτω
baren, ter wereld brengen, voortbrengen
ποτέ
eens, ooit, soms
ὁ ἡ τό
de, het
Κάδμος
Cadmus, stichter van Thebe, grootvader van Pentheus en Dionysus
ἡ κόρη
meisje, dochter
Σεμέλη
Semele
τὸ πῦρ, πυρός
vuur
ἡ μορφή
vorm, gestalte
δέ
en, maar, echter, namelijk, nu, immers
ἐκ + gen.
uit, vanaf, sinds
ὁ θεός
god
πάρειμι + dat.
aanwezig zijn bij, helpen
τε
en
τὸ ὕδωρ, ὕδατος
water
ὁράω
zien
ἡ μήτηρ, μητρός
moeder
ἐγγύς + gen.
dichtbij
ὁ οἶκος
huis, huishouden
καί
en, ook, en ook, zelfs
ὁ δόμος
huis, mv vertrekken, paleis
ἔτι
nog
ζάω
leven, in leven zijn, bestaan
ἀθάνατος
onsterfelijk
εἰς + acc.
naar, in, tot
ἐμός
mijn, mijn eigen
ὕβρις
overmoed, brutaliteit, arrogantie, misdadigheid
τὸ πέδον
grond, bodem
τίθημι
leggen, plaatsen, zetten, instellen, maken tot
ἡ θυγάτηρ, θυγατρός
dochter
νιν
= αὐτόν, αὐτήν, αὐτούς, αὐτάς
ἐγώ
ik
οὐδείς, οὐδενός m
niemand, geen
ῥᾴδιος
gemakkelijk
που
ergens, denk ik, misschien
περιβάλλω
om iets heen leggen
ὁ κύκλος
cirkel, kring
ἐντεῦθεν
vandaar, vervolgens
ἡ πατρίς, πατρίδος
vaderland
πόθεν
vanwaar? waarvandaan?
εἰσβαίνω
binnengaan
ἐνθάδε
hier, hierheen
ἤ
of, bij comparativus: dan
τὸ ὄμμα
oog, gezicht
ἡ ἰδέα
uiterlijk, idee
θύω
offeren
ἀκούω + gen.
luisteren, horen
ἀσκέω
trainen, (be)oefenen
σαφής
duidelijk, zeker
ποῖος
hoedanig? wat voor?
ὁποῖος
hoedanig, wat voor
γε
'benadrukt het voorafgaande woord': tenminste, althans
μᾶλλον
meer, liever, eerder
διάφορος
verschillend, vijandig
τὸ ἱερόν
tempel, heiligdom
τελέω
voltooien
ὁ σκότος
duisternis
ἐξευρίσκω
uitvinden, ontdekken
ἐργάζομαι
werken, doen, maken
σέθεν
= σοῦ
ἱερός + gen.
gewijd aan, heilig
ἔπειτα
vervolgens, daarna, dan
ἀφαιρέω
afnemen
φορέω
dragen, brengen
ἔνδον
binnen
φυλάσσω
de wacht houden, bewaken, letten op
λύω
losmaken, verlossen, een einde maken aan
ὅταν
= ὅτε ἄν wanneer
καλέω
noemen, roepen
πλησίον + gen.
dichtbij
φανερός
duidelijk
καταφρονέω + gen.
minachten
δέω
(vast)binden, boeien
σωφρονέω
bezonnen / verstandig zijn
σώφρων, σώφρονος
verstandig, wijs, bezonnen, beheerst, ingetogen
ὁ κύριος
heer, meester
οὐδέ
en niet, ook niet, zelfs niet
τὸ ὄνομα
naam
ἐπιτήδειος
geschikt, benodigd, nuttig, bevriend
ἐπί + gen.
op, bij
κτάομαι
verwerven
χρεών (έστι) + (a.c.)i.
het is nodig, het moet
τοι
let wel, heus
ἀδικέω
onrecht doen, onrechtvaardig (be)handelen, schuldig zijn
ὁ δεσμός
band, boei
ἄγω
leiden, brengen (ped-agoog)
ἔχω
hebben, houden
θαυμάζω
verbaasd zijn, bewonderen, zich verwonderen
λέγω
zeggen, spreken (dia-loog; vgl. ὁ λόγος)
πείθω
overhalen, overtuigen
πράττω
doen (praktijk)
φέρω
dragen, brengen (trans-fer)
ἔθελω
willen, wensen