1/87
Looks like no tags are added yet.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai | Chat |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
τὰ κακά
rampen, ongeluk
προσέρχομαι + dat.
gaan naar, komen bij
ὑπό, ὑπ', ὑφ' + gen.
door
πέμπω
sturen, zenden
ἀκούω
horen
ὀργίζομαι + dat.
boos worden / zijn op
νομίζω
menen
ἀδικέω 2x
οὐκέτι
niet meer
παρά / παρ' + acc.
ἐξευρίσκω
uitvinden
ὅστις, ἥτις, ὅ τι
wie / wat ook maar (meestal te vertalen als ὅς, ἥ, ὅ, betrekkelijk vnw)
τὸ αἴτιον
oorzaak, reden
οὖν 2x
ἐγγύς + gen.
dichtbij
ἐλήλυθα
perf. van ἔρχομαι, ik ben gekomen / gegaan
πρός + acc.
naar, tegen
ὁ ἀνήρ
man
ἐχθρός
gehaat, vijandig
τυγχάνω 2x
ὤν, οὖσα, ὄν
ptc. praesens van εἰμί, zijn: zijnde
ἐάν (= εἰ ἄν) + coni.
als, indien
λαμβάνω
aor. ἔλαβον, nemen, (vast)pakken
ἡ θεράπαινα
dienares, dienstmeisje
ἡ ἀγορά
markt, centrale plein van de stad
πεύσομαι
fut. van πυνθάνομαι, ik zal vernemen
πράττω
handelen, doen, verrichten
οὐ μόνον …. ἀλλὰ καὶ
niet alleen … maar ook
ἄλλος, ἄλλη, ἄλλο / ἄλλος, ἄλλη, ἄλλο
ander
ἀπαλλάττομαι
zich verwijderen, weggaan
ἀπηλλάγην
aor. van ἀπαλλάττομαι: ik verwijderde mij, ik ging weg
ἀναμιμνῄσκομαι + gen.
zich te binnen brengen, zich herinneren
οὐδέποτε
nooit
ἡ νύξ, νυκτός
nacht
… τε
… en
οἴκαδε
naar huis
ἄγω
aor. ἤγαγον, brengen, leiden
ἔξεστι(ν) + inf.
het is mogelijk, het is geoorloofd om
ὁπότερος
wie van beide(n), onbepaald betr vnw
αἱρέομαι
medium van αἱρέω, kiezen, aor. εἱλόμην
ἤ
of
μηδέποτε
nooit
πάσχω
aor. ἔπαθον, fut. πείσομαι, 1. lijden, te verduren hebben 2. ondervinden, ervaren
μηδέν bijwoord
volstrekt niet, helemaal niet, geenszins
κελεύω
bevelen, opdragen, verzoeken
εἰδέναι
inf. praesens van οἶδα, weten
ἀκριβής, gen. ἀκριβοῦς
nauwkeurig, precies
ἔγνωκα
perf. van γιγνώσκω, 1. leren kennen, bemerken, inzien 2. perf./aor.: weten
παρά / παρ' + gen.
van (de kant van)
πείθω
aor. pass. ἐπείσθην, overreden, overtuigen, tot andere gedachten brengen
ὁ τρόπος
wijze, manier
εἴρηται
het is gezegd, 3e persoon ev perf. pass. van λέγω
δέομαι + gen.
missen, nodig hebben
ὁ λόγος
woord
φανερός
goed zichtbaar, duidelijk
ὁμολογέω + dat.
het eens zijn met, instemmen met
ἡ ἡμέρα
dag
μέγας, μεγάλη, μέγα
groot
ἐπράχθην
aor. passief van πράττω, verrichten, doen
ὁ ἥλιος
zon
δέδυκα
perf. van δύομαι
δύομαι
εἰδώς, εἰδότος
ptc. praes. van οἶδα, wetend
ἀφικνέομαι
(aan)komen
ἀφῖγμαι
perf. van ἀφικνέομαι
οἴκοι
thuis
καταλήψομαι
fut. van καταλαμβάνω, vinden, aantreffen
δειπνέω
maaltijd gebruiken, eten
οἴχομαι + ptc.
weg(gegaan) zijn
φράζω
tonen, meedelen
ἔνδον
binnen
εὑρίσκω
aor. ηὗρον, vinden
πλεῖστος
meeste(n), zeer vele(n)
εἶδον
aor. van ὁράω, zien
ἔτι
nog
κατάκειμαι
(neer)liggen
παρά / παρ' + dat.
bij
εν + dat.
in, op, bij
ἑστηκώς, ότος
ptc. perf. van ἵσταμαι, 1. gaan staan, blijven staan 2. perf. staan
καταβάλλω
naar beneden gooien
ὑβρίζω
overmoedig handelen (basisbetekenis)
ἀποκτείνω
aor. ἀπέκτεινα, doden
ἡ ἡδονή
genot, vreugde
ὅσπερ, ἥπερ, ὅπερ
(precies) diegene die / datgene wat
καταπίπτω
(neer)vallen
εὐθύς bijwoord
onmiddellijk
τοσοῦτος, τοσαύτη, τοσοῦτο
zo groot, zoveel