1/74
Volledige set van 75 flashcards in vocabulary-stijl voor het vak Openbare Financiën (Colleges 6 t/m 9), over belastingen, inkomstenbelasting, kapitaal en ondernemingen, en externe effecten en milieubeleid.
Welke belastingen vormen de belangrijkste inkomstenbronnen?
Loon- en inkomstenbelasting, btw/omzetbelasting, premies voor sociale verzekeringen en vennootschapsbelasting zijn belangrijke bronnen. De belastingmix verdeelt de lasten over arbeid, consumptie, kapitaal en vermogen. [College 6, slides 4–7]
Welke vijf kenmerken heeft een goed belastingstelsel en welke afwegingen spelen?
Doelmatigheid (weinig verstoringen)
Rechtvaardigheid (horizontaal en verticaal),
Transparantie/eenvoud,
Lage uitvoerings- en nalevingskosten
Flexibiliteit.
Er zijn afruilen: herverdeling kan gedrag verstoren; gerichte regelingen kunnen complex zijn. Een lump-sumbelasting verstoort de marginale prikkel niet, maar kan onrechtvaardig zijn.
Horizontale en verticale rechtvaardigheid
Horizontaal: gelijke draagkracht gelijk behandelen. Verticaal: hogere draagkracht rechtvaardigt doorgaans een grotere belastingbijdrage.
Sociale welvaartsfuncties
Utilitaristisch: som van individuele nutten maximaliseren. Rawlsiaans: welzijn van de minst bedeelde centraal. Beide impliceren andere herverdelingsgewichten.
Wat houdt de Wet van Dalton over belastingincidentie in?
In een competitieve markt met flexibele prijzen hangt de economische verdeling van een belasting af van vraag- en aanbodelasticiteiten, niet van wie de belasting wettelijk afdraagt. De minst elastische marktzijde draagt doorgaans het grootste deel van de last.

Belastingincidentie en extreme elasticiteiten
De wettelijke betaler is niet noodzakelijk degene die de economische last draagt. Bij competitieve markten draagt de relatief minst elastische zijde doorgaans het grootste deel. Perfect inelastisch aanbod: producenten dragen de last; perfect inelastische vraag: consumenten dragen de last. Dit zijn grensgevallen.

Hoe verdeel je de belastinglast bij gegeven elasticiteiten?
Bij een kleine eenheidsbelasting in een competitieve markt geldt bij benadering: aandeel consumenten = ∣εd∣+∣εs∣∣εs∣; aandeel producenten = ∣εd∣+∣εs∣∣εd∣, waarbij εs>0 en εd<0. De minst elastische zijde draagt relatief het meest.
Vpb-afwenteling
Een belasting op ondernemingswinst kan op termijn terechtkomen bij aandeelhouders, werknemers of consumenten; afhankelijk van mobiliteit, marktstructuur en tijdshorizon.
Wat leert de empirische casus over afwenteling van de VPB op lonen?
De collegecasus gebruikt veranderingen in regionale ondernemingsbelasting om te onderzoeken of werknemers via lagere lonen meebetalen. De wettelijke belastingplicht van bedrijven vertelt niet wie de uiteindelijke economische last draagt. Let op de identificatie en interpretatie van de figuur/tabel. [College 6, slides 25–31]
Monopolie met lineaire vraag: belastingafwenteling
Bij P=a−bQ, constante marginale kosten en een belasting t per verkochte eenheid is marginale opbrengst MO=a−2bQ. Het monopolie kiest MO=MK+t; de consumentenprijs stijgt dan met 2t. Dit is geen algemene regel voor monopolies.
Monopolie en belasting: constante elasticiteit
Bij constante vraagelasticiteit kan een belasting meer dan volledig in de prijs doorwerken. De afwenteling hangt af van vraagvorm en marktmacht.
Inkomens- en substitutie-effect op arbeidsaanbod
Een hoger marginaal tarief verlaagt het netto uurloon. Substitutie-effect: vrije tijd wordt relatief goedkoper, dus minder gewerkte uren. Inkomenseffect: lagere koopkracht kan juist tot meer arbeid leiden (bij normale vrije tijd). Het totale effect is ambigu.
Wat is dodegewichtsverlies en hoe verschilt het van belastingopbrengst?
Belastingopbrengst is een overdracht van private partijen aan de overheid; dodegewichtsverlies (DWL) is de verloren totale welvaart door gedragsveranderingen. Bij een gewone verstorende belasting is de maatschappelijke kost hoger dan de opbrengst. In het standaardmodel stijgt DWL sterker bij hogere tarieven en elastischere vraag of aanbod.

Wat is btw, en wat is het verschil tussen nultarief en vrijstelling?
Btw is een belasting op consumptie, geïnd over de toegevoegde waarde in de keten. Het college onderscheidt 21% (algemeen) en 9% (verlaagd), naast vrijstellingen. Bij het nultarief is de verschuldigde btw 0% maar blijft in beginsel aftrek van voorbelasting mogelijk; bij een vrijstelling doorgaans niet. Dit verschil kan de kosten van ondernemers beïnvloeden.
Waarom is een lager btw-tarief op groente en fruit geen vanzelfsprekend doelmatig beleid?
Het voordeel komt niet uitsluitend bij lage inkomens terecht: ook hogere inkomens kopen groente en fruit. Prijsdoorwerking, uitvoerbaarheid en afbakening van producten zijn onzeker. Vergelijk gericht inkomensbeleid en gezondheidsmaatregelen met de verdelings- en gedragseffecten van btw-verlaging. [College 6, slides 47–51]
Hoe interpreteer je de btw-grafieken over lage tarieven en groente/fruit?
Vergelijk het absolute voordeel (euro’s) met het relatieve voordeel (aandeel van het inkomen of de bestedingen). Een hoog absoluut voordeel voor rijkere huishoudens kan samengaan met een relatief groter voordeel voor armere huishoudens. [College 6, slides 49–50]
Schijftarieven en heffingskortingen
Schijftarieven bepalen de inkomstenbelasting; algemene heffingskorting en arbeidskorting verlagen de aanslag. Afbouw van kortingen verhoogt de effectieve marginale druk.
Welke vier toeslagen zijn er en waarin verschillen ze?
Zorgtoeslag: tegemoetkoming zorgpremie;
huurtoeslag: tegemoetkoming huurkosten;
kindgebonden budget: steun voor gezinnen met kinderen;
kinderopvangtoeslag: bijdrage in opvangkosten, gekoppeld aan onder meer opvang en arbeid/studievoorwaarden.
Bedragen en afbouw hangen van inkomen en relevante huishoudkenmerken af. Afbouw verhoogt de effectieve marginale druk.
Kindgebonden budget en kinderopvangtoeslag
Kindgebonden budget is inkomensafhankelijke steun voor kinderen tot 18 jaar. Kinderopvangtoeslag vergoedt een deel van de subsidiabele opvangkosten.
Wat is het verschil tussen de algemene heffingskorting, arbeidskorting en IACK?
Algemene heffingskorting: verlaagt inkomstenbelasting en wordt inkomensafhankelijk afgebouwd.
Arbeidskorting: hangt samen met arbeidsinkomen, kan eerst oplopen en later afbouwen.
IACK: gericht op specifieke werkende ouders (inkomensafhankelijke combinatiekorting).
De vorm bepaalt de marginale arbeidsprikkel.
Effectieve marginale druk: betekenis en berekening
Marginale druk = 1−Δ bruto-inkomenΔ besteedbaar inkomen. Voorbeeld: €100 extra bruto levert €40 extra besteedbaar op → 60% marginale druk. De druk omvat belasting en premies én afbouw van heffingskortingen en toeslagen; zij kan daarom hoger zijn dan het formele schijftarief. Uitkomst hangt af van inkomen, huishouden en de gekozen inkomensstap.
Hoe bereken je marginale druk uit een huishoudtabel?
Stap 1: bereken Δ bruto-inkomen. Stap 2: tel veranderingen in pensioenpremie, inkomstenbelasting, kortingen en toeslagen bij het netto-effect op. Stap 3: marginale druk = 1−Δ brutoΔ besteedbaar. Collegevoorbeeld: €1.000 bruto extra → €426 netto extra → 57,4% marginale druk (afgerond 57%). [Gastcollege Gielen, slide 19]
Waarom kan de effectieve marginale druk sterk verschillen tussen huishoudens?
De druk hangt af van inkomensniveau, partnerinkomen, kinderen, huur, kinderopvang en de op- en afbouwtrajecten van kortingen/toeslagen. Een hoge druk voor één huishouden zegt niets over de gemiddelde druk van alle deeltijdwerkers. [Gastcollege Gielen, slides 20–25]
Hoe bepaal je het optimale arbeidsaanbod in de grafiek?
Horizontale as: vrije tijd; verticale as: besteedbaar inkomen. De budgetrestrictie geeft haalbare combinaties bij netto loon en niet-arbeidsinkomen. Het optimum ligt op de hoogst haalbare indifferentiecurve (bij een glad binnenoptimum: raakpunt). Hoger marginaal tarief verandert de helling; toeslagen, kortingen en drempels kunnen de budgetlijn knikken of onderbreken. Substitutie-effect van een lager netto loon verlaagt arbeid; inkomenseffect kan dit tegenwerken.
Lump-sumbelasting en arbeidsaanbod
Een vaste belasting veroorzaakt geen substitutie-effect; lagere koopkracht kan via een inkomenseffect juist tot meer arbeidsaanbod leiden.
Hogere toeslag en arbeid
Meer niet-arbeidsinkomen kan arbeid ontmoedigen via inkomenseffect. De afbouw bij extra verdienen kan daarnaast de marginale arbeidsprikkel verlagen.
Niet-lineaire budgetrestrictie
Door belastingschijven, heffingskortingen en toeslagen varieert de netto-opbrengst van extra arbeid met het inkomensniveau.
Hoe werken MIMOSI en MICSIM samen, en hoe wordt MICSIM getoetst?
MIMOSI berekent voor iedere mogelijke keuze het besteedbaar inkomen bij belastingen en toeslagen. MICSIM kiest in een discreet-keuzemodel tussen werk- en opvangalternatieven op basis van netto inkomen en geschatte voorkeuren uit CBS-gegevens. Voor een stel met een jong kind zijn er in het college 6×6×4=144 combinaties. Validatie: vergelijk voorspelde gedragsreacties met gemeten effecten van eerdere beleidswijzigingen, bijvoorbeeld kinderopvangtoeslag en combinatiekorting.
Wat is arbeidsaanbodelasticiteit, en wat zijn de twee marges?
εL=% verandering in netto uurloon wnetto% verandering in arbeidsaanbod L. Extensieve marge: wel of niet participeren; intensieve marge: urenkeuze als iemand werkt. Deze reacties verschillen per groep. De in de slides gerapporteerde empirische urenelasticiteiten zijn niet automatisch identiek aan de totale participatierespons.
Wat zijn de vier empirische lessen over arbeidsaanbod, inclusief de daling van elasticiteiten?
Elasticiteiten van vrouwen daalden: circa 1,0 (studies jaren tachtig), 0,5 (studies jaren tachtig/negentig), en 0,10 zonder kinderen tot 0,45 met jonge kinderen (data eind jaren 2000).
Reacties verschillen sterk tussen groepen.
De participatiebeslissing reageert sterker dan uren van werkenden.
MICSIM voorspelt effecten van historische hervormingen redelijk goed.
Wet van de remmende voorsprong: bij hoge participatie blijft minder ruimte voor extra groei.
Heterogeniteit arbeidsaanbod
Respons verschilt naar geslacht, huishoudtype, aanwezigheid/leeftijd kinderen en arbeidsmarktpositie. Vooral bepaalde groepen met jonge kinderen reageren sterk.
Kruiseffect partners
Het loon van de ene partner beïnvloedt ook het arbeidsaanbod van de andere, via huishoudinkomen en gezamenlijke keuzes.
Elasticiteit van belastbaar inkomen (ETI) versus arbeidsaanbod
ETI = procentuele verandering in belastbaar inkomen / procentuele verandering in het netto-van-belastingtarief (1−τ). Anders dan arbeidsaanbodelasticiteit omvat ETI naast uren en participatie ook inspanning, beloningsvorm, fiscale verschuivingen en ontwijking. Daarom zijn ETI en urenelasticiteit niet uitwisselbaar.
Welke les geeft het verkiezingsspel over belastinghervormingen?
Een pakket met tarieven, kortingen en toeslagen moet tegelijk worden beoordeeld op arbeidsaanbod en inkomensongelijkheid (Gini). Vergelijk beleidseffecten in plaats van slechts één tarief: herverdeling, werkgelegenheid en uitvoerbaarheid kunnen botsen. [College 7, slides 26–34]
Optimale belastingtheorie
Kiest marginale tarieven via afweging van herverdeling, belastinggrondslagelasticiteit en sociale welvaartsgewichten.
Wat is de ABC-formule voor het optimale marginale tarief?
1−τ(z)τ(z)=e(z)1×[1−G(z)]×z⋅f(z)1−F(z). Hierbij is τ(z) het marginale tarief, e(z) de elasticiteit van belastbaar inkomen, G(z) de gemiddelde sociale marginale welvaartswaarde boven z, F(z) de cumulatieve inkomensverdeling en f(z) de inkomensdichtheid. Geldt binnen de aannames van het optimale-belastingmodel.
ABC: hoe werkt de A-term (gedragsreactie)?
A(z)=e(z)1, waarbij e(z) de elasticiteit van het belastbaar inkomen is. Bij een hogere elasticiteit reageren inkomens sterker op belastingtarieven. De A-term wordt kleiner en het optimale marginale tarief daalt, ceteris paribus.
ABC: hoe werkt de B-term (herverdeling)?
B(z)=1−G(z), waarbij G(z) de gemiddelde sociale marginale welvaartswaarde van een extra euro voor inkomens boven z is. Hoe lager G(z), hoe sterker het herverdelingsargument en hoe hoger het optimale marginale tarief, ceteris paribus.
ABC: hoe werkt de C-term (inkomensverdeling)?
C(z)=z⋅f(z)1−F(z). Hierbij is 1−F(z) het aandeel met inkomen boven z, f(z) de inkomensdichtheid rond z en z de inkomensgrens. Een grotere C-term verhoogt het optimale marginale tarief, ceteris paribus.
Welke beleidsconclusies trekt college 7 over optimale marginale tarieven?
De optimale structuur hangt af van herverdelingsvoorkeuren, gedrag en inkomensverdeling; zij hoeft niet vlak te zijn. In de besproken Nederlandse toepassing is de optimale marginale druk voor middengroepen relatief hoog en levert een hoger toptarief relatief weinig op. Dit is een modeluitkomst, geen universeel voorschrift.

Hoe beïnvloeden heffingskortingen de effectieve marginale druk?
Wanneer een heffingskorting afbouwt bij een hoger inkomen, gaat een deel van het extra bruto-inkomen verloren. Daardoor kan de effectieve marginale druk hoger zijn dan het wettelijke tarief.
Wat is het verschil tussen extensieve en intensieve arbeidsaanbodreacties?
Extensieve marge: iemand besluit wel of niet te werken. Intensieve marge: iemand die al werkt past het aantal uren aan. Empirisch reageert participatie vaak sterker dan uren.
Wat is het verschil tussen gemiddelde en marginale belastingdruk?
De gemiddelde belastingdruk is de totale belasting als percentage van het totale inkomen. De marginale belastingdruk is het deel van één extra verdiende euro dat verloren gaat aan belastingen, premies en afbouw van kortingen of toeslagen. De twee kunnen sterk verschillen.
Waarom is de participatieprikkel anders dan de prikkel om extra uren te werken?
De participatiebeslissing vergelijkt het besteedbare inkomen bij wel en niet werken, inclusief vaste werkgerelateerde kosten en het verlies van uitkeringen. De intensieve beslissing vergelijkt de netto-opbrengst van extra gewerkte uren. Daarom kunnen beleid en toeslagen beide marges verschillend beïnvloeden.
Welke vormen van kapitaalbelasting bestaan er en wat is comprehensive income taxation?
Belastingen kunnen aangrijpen bij kapitaalinkomen, vermogen, ondernemingswinst en vermogenswinst. Comprehensive income taxation belast alle economische inkomensbronnen, inclusief ongerealiseerde vermogensaanwas. Voordeel: horizontale gelijkheid. Nadelen: waardering en liquiditeit.
Wat zijn de beoordelingscriteria voor kapitaalbelasting en welke verstoringen ontstaan?
Rechtvaardigheid: draagkracht en gelijke behandeling.
Doelmatigheid: verstoringen van sparen, beleggen, ondernemingsvorm, schuld versus eigen vermogen, investeringen en internationale kapitaalmobiliteit.
Weeg herverdeling af tegen welvaartsverlies.
Hoe verschilt kapitaalbelasting tussen een gesloten en kleine open economie?
Gesloten economie: lager netto rendement kan sparen en investeren verminderen.
Kleine open economie: internationaal rendement grotendeels gegeven; mobiel kapitaal kan uitwijken.
Lagere investeringen kunnen op termijn lonen drukken.
Wat is vennootschapsbelasting en hoe werkt deze?
Vpb belast fiscale winst van onder meer bv’s en nv’s. Vpb = belastbare winst × toepasselijk tarief (eventueel per schijf). Bij uitkering van winst kan bij een aandeelhouder met aanmerkelijk belang ook box 2-heffing volgen.
Hoe wordt de belastbare winst voor de vpb bepaald?
Fiscale winst kan afwijken van commerciële winst door afschrijvingen, investeringsaftrek, verliesverrekening, fiscale reserves en innovatiebox. Zowel belastinggrondslag als tarief bepalen de effectieve belastingdruk.
Welke economische argumenten bestaan er voor vpb?
Vpb dient als voorheffing op aandeelhoudersinkomen, belast economische renten en beperkt omzetting van arbeidsinkomen in ondernemingswinst. Economische rent is winst boven het minimaal noodzakelijke rendement; een zuivere belasting daarop hoeft investeringen niet te verstoren.
Wie is een dga en waarom bestaat de gebruikelijkloonregeling?
Een directeur-grootaandeelhouder kan loon ontvangen (box 1) of winst en dividend (vpb en box 2). De gebruikelijkloonregeling verlangt een zakelijk passend loon en beperkt het fiscaal verschuiven van arbeidsinkomen naar kapitaalinkomen.
Hoe bereken je de gecombineerde marginale druk van vpb en box 2?
Voor een extra euro winst die volledig wordt uitgekeerd: ttotaal=tv+(1−tv)×t2. Bij 19% vpb en 24,5% box 2: 0,19+0,81×0,245=38,845%. Dit is een rekenvoorbeeld.
Wat is het lock-in-effect in box 2?
Omdat box 2-heffing vaak volgt bij dividenduitkering of verkoop, kan een dga belasting uitstellen door winst in de bv te houden. Dat kan dividend- en investeringsbeslissingen verstoren.
Wat is internationale belastingconcurrentie?
Landen concurreren om investeringen en winsten via tarieven, aftrekposten, innovatieboxen en fiscale regelingen. Dit kan de belastinggrondslag uithollen en druk op belastingopbrengsten veroorzaken.
Hoe ontstaat internationale dubbele belasting en hoe wordt die voorkomen?
Bronland heft waar inkomen ontstaat; woonland heft waar de belastingplichtige woont of gevestigd is. Samenloop kan dubbele belasting geven. Verdragen, vrijstelling, verrekening en deelnemingsvrijstelling kunnen die beperken.
Wat is belastingontwijking en waarom wordt Nederland een doorsluisland genoemd?
Belastingontwijking gebruikt verschillen in fiscale regels. Winstverschuiving verplaatst gerapporteerde winst zonder evenredige reële activiteit. Via Nederlandse holdings kunnen dividend-, rente- en royaltystromen lopen; Nederland fungeert daardoor soms als doorsluisland.
Hoe kan internationale samenwerking belastingontwijking beperken?
Internationale minimumbelasting, antimisbruikregels, informatie-uitwisseling en gezamenlijke afspraken verkleinen mogelijkheden voor winstverschuiving. Implementatie en handhaving blijven belangrijk.
Wie draagt uiteindelijk de economische last van vpb?
Juridisch betaalt de onderneming. Economisch kan de last vallen op aandeelhouders (lager rendement), werknemers (lagere lonen) of consumenten (hogere prijzen). Mobiliteit en elasticiteiten bepalen de verdeling.
Wat is een extern effect en waarom veroorzaakt het marktfalen?
Een activiteit beïnvloedt derden zonder dat dit volledig in de prijs is verwerkt. Negatieve externe effecten veroorzaken schade, positieve leveren baten. Private keuzes houden onvoldoende rekening met maatschappelijke gevolgen.
Hoe leidt een negatieve productie-externaliteit tot overproductie?
Sociale marginale kosten = private marginale kosten + marginale externe kosten (SMK=PMK+MEK ). Zonder beleid houden producenten alleen rekening met PMK: Qmarkt>Qsociaal en er ontstaat welvaartsverlies.

Waarom is optimale vervuiling meestal niet nul en hoe beoordeel je dit met MKBA?
Een MKBA vergelijkt vermeden milieuschade met reductie- en uitvoeringskosten ten opzichte van het nulalternatief. Verminder uitstoot zolang marginale baten van reductie groter zijn dan marginale kosten. Optimum: MBreductie=MKreductie.
Wat is het verschil tussen klimaat- en lokale milieuschade?
Klimaatschade is wereldwijd en hangt vooral samen met totale broeikasgasuitstoot. Lokale luchtvervuiling en stikstofschade hangen sterk af van locatie en concentratie. Een uniforme CO2-prijs is daardoor vaak geschikter dan één prijs voor alle lokale schade.
Welke oplossingen bestaan er voor externe effecten en wat is de rol van transactiekosten?
Private onderhandelingen, gemeenschappelijk beheer, aansprakelijkheid en overheidsbeleid (heffingen, subsidies, rechten, regulering).
Transactiekosten zijn kosten van identificatie, meting, onderhandeling en handhaving. Hoge kosten bemoeilijken private afspraken.
Wat houdt het Coase-theorema in en welke rol spelen eigendomsrechten?
Bij duidelijke eigendomsrechten en nul transactiekosten leidt onderhandeling tot een efficiënte hoeveelheid vervuiling, onafhankelijk van wie de rechten aanvankelijk bezit. De verdeling van compensatie en welvaart verschilt wel. In praktijk beperken transactiekosten en informatieproblemen het resultaat.
Wat is overheidsfalen?
Overheidsfalen ontstaat wanneer ingrijpen inefficiënt is door informatiegebrek, hoge uitvoeringskosten, lobbygedrag of slecht ontworpen regels. Marktfalen betekent niet automatisch dat elke overheidsingreep wenselijk is.
Wat is het verschil tussen aansprakelijkheid en beprijzing?
Aansprakelijkheid werkt achteraf via schadevergoeding en vereist aantoonbare schade en veroorzaker. Beprijzing werkt vooraf door vervuiling duurder te maken. Belastingopbrengst compenseert slachtoffers niet automatisch.
Wat is een Pigouviaanse belasting en hoe reageren bedrijven?
Optimale heffing per vervuilende eenheid: t∗=MEK(Q∗), de marginale externe schade bij het maatschappelijk optimum. Bedrijven kunnen minder produceren of schonere technieken inzetten; de heffing internaliseert de schade.
Wat is de marginale vermijdingskostencurve (MAC) en hoe gebruik je deze?
MAC(A) zijn de extra kosten van één aanvullende eenheid emissiereductie A. Bij emissieprijs t kiest een bedrijf (bij een binnenoplossing) MAC(A∗)=t. Maatschappelijk optimaal geldt MAC(A∗)=MD(E∗), met resterende emissies E∗=E0−A∗. Bij een uniforme emissieprijs geldt tussen bedrijven MAC1=MAC2=⋯=t: goedkope reducties vinden eerst plaats.

Waarom is CO2-beprijzing alleen niet voldoende voor de groene transitie?
Er is dubbel marktfalen: negatieve emissie-externaliteiten én positieve kennis- en innovatiespillovers. CO2-beprijzing corrigeert emissieschade, maar stimuleert mogelijk onvoldoende innovatie. Gerichte onderzoeks- en innovatiesteun kan aanvullend nodig zijn.
Wat is de Klimaat- en Energieverkenning (KEV)?
De KEV van het PBL beschrijft gerealiseerde uitstoot, raamt toekomstige emissies en toetst de verwachte doelbereiking. In de besproken collegeverkenning daalde uitstoot, maar lag Nederland niet op koers voor het doel van 2030.
Hoe wordt CO2 in Nederland beprijsd?
Direct en indirect via EU ETS, CO2-heffingen, energiebelasting en accijnzen. De effectieve prijs per ton CO2 verschilt tussen sectoren en emissiebronnen.
Wat is het verschil tussen emissiebelasting en verhandelbare rechten, en hoe werkt ETS?
Bij een emissiebelasting staat de prijs vast en is de uitstoot onzeker.
Bij cap-and-trade staat het emissieplafond vast en is de rechtenprijs onzeker.
EU ETS kent een dalend plafond en verhandelbare rechten.
Bij zekerheid kunnen beide instrumenten equivalent zijn; onder onzekerheid tellen de hellingen van schade- en reductiekostencurven.
Hoe wordt de prijs van emissierechten bepaald?
Door vraag en aanbod, beïnvloed door het emissieplafond, economische activiteit, reductiekosten en verwachtingen over beleid. Een lager plafond maakt rechten ceteris paribus schaarser en duurder.
Wanneer zijn groene subsidies geschikt en wat zijn fossiele subsidies?
Groene subsidies kunnen positieve innovatie-externaliteiten corrigeren, maar kosten geld en kunnen onnodige steun geven. Fossiele subsidies omvatten directe steun en fiscale voordelen; brede definities tellen ook niet-beprijsde milieuschade mee. De omvang hangt af van definitie en referentie.
Wat is het common resource problem en hoe kan het worden opgelost?
Bij gemeenschappelijke hulpbronnen is uitsluiting lastig, terwijl gebruik door de één beschikbaarheid voor anderen vermindert. Dit leidt tot overexploitatie (tragedy of the commons). Oplossingen: gebruiksrechten, quota en Ostroms gemeenschapsbeheer met afspraken, toezicht en sancties.