1/50
Looks like no tags are added yet.
intensief luisteren (luisterdoel)
iets te weten willen komen
globaal luisteren (luisterdoel)
een gevoel willen ondergaan
kritisch luisteren (luisterdoel)
een mening willen vormen
gericht luisteren (luisterdoel)
een handeling willen uitvoeren / een spel willen spelen
globaal luisteren (luisterstrategie)
globaal volgen wat de spreker te vertellen heeft. gaat om het begrijpen van de informatie, minder op detail
intensief luisteren (luisterstrategie)
probeert alle details van een verhaal in je op te nemen, volledig beeld krijgen van wat de spreker vertelt
gericht luisteren (luisterstrategie)
geïnteresseerd in bepaalde aspecten van een verhaal, selecterend luisteren naar woorden
kritisch luisteren (luisterstrategie)
mening vormen tijdens het luisteren, wil beoordelen of het verhaal waar is of misleidend
informeren (spreekdoel)
overbrengen van feitelijke informatie
amuseren (spreekdoel)
toehoorders vermaken, te boeien of te ontroeren
instrueren (spreekdoel)
uitleggen of verduidelijken
overtuigen (spreekdoel)
de luisteraar overhalen een bepaald standpunt of bepaalde mening in te nemen
oriënteren op het spreekdoel (spreekstrategie)
wat wil je bereiken?
oriënteren op het onderwerp op het inzetten van eigen kennis (spreekstrategie)
wat ga je wel/niet vertellen? welke eigen ervaringen breng je in en welke info wil je nog opzoeken?
oriënteren op het soort spreektaak (spreekstrategie)
op welke manier je wil presenteren
oriënteren op het publiek of gesprekspartners (spreekstrategie)
weten wie je toehoorders zijn, zijn ze vooringenomen en moet je ze overtuigen of juist niet
reflecteren op de spreektaak (spreekstrategie)
afvragen of je de informatie correct weergeeft, of je je doel bereikt en ga je na of je verhaal overkomt op je publiek
monitoren van de spreektaak (spreekstrategie)
is het nodig om nog duidelijker te zijn, meer uitleg te geven of het betoog even kort samen te vatten
evalueren van de spreektaak (spreekstrategie)
na afloop van de presentatie afvragen of het goed ging en wat je een volgend keer anders zou doen
taalfuncties
waarvoor je taal gebruikt
sociale taalfuncties
omgang met elkaar, interactie en taal als communicatiemiddel
zelfhandhaving
zichzelf verdedigen/beschermen
zelfsturing
aangeven wat je gaat doen, eigen handelen met woorden ordenen/plannen
sturing van anderen
eigen handelen sturen, maar ook het gedrag van anderen beïnvloeden
structurering van het gesprek
taal gebruiken om het gespreksverloop te beïnvloeden
cognitieve taalfuncties
taal als hulpmiddel om je gedachten te ordenen en grip te krijgen op de werkelijkheid
rapporten
verslag doen van iets wat in de werkelijkheid voorkomt
redeneren
beschrijving waarin een extra denkstap wordt verwoord
projecteren
je probeert je te verplaatsen in de ander/inleven in de ander
expressieve taalfunctie
taal gebruiken om te experimenteren, gevoelens te uiten en om iets te zeggen dat anderen nog niet eerder zogezegd hebben. bijv: dagboek
fonologisch (taalverwerving)
uitspraak van woorden, vormen van spraakklanken
morfologisch (taalverwerving)
opbouw van woorden, vorming van woorden
syntactisch (taalverwerving)
volgorde van woorden, regels van combineren van woorden
semantisch (taalverwerving)
betekenis van woorden
pragmatisch (taalverwerving)
gebruik van woorden
orthografisch (taalverwerving)
spelling van woorden
creatieve constructietheorie
kind heeft een aangeboren taalvermogen waarmee ze op een creatieve manier zinnen kunnen bouwen
interactionele benadering
de omgeving en interactie tussen een kind en andere moedertaalsprekers zijn belangrijk bij het leren van taal
prelinguaal fase
0-1 jaar, nog geen echte woorden. Baby huilt, maakt klanken, brabbelt en oefent met geluiden.
vroeglinguale fase
1-2 jaar, kind gaat eerste woorden en zinnen gebruiken. Van één woord naar korte zinnen.
differentiatiefase
2,5 - 5 jaar, kind leert taal steeds beter en uitgebreider gebruiken. Woordenschat, grammatica en zinsbouw ontwikkelen sterk. Kan nog overgeneraliseren (loopte i.p.v. liep).
voltooiingsfase
5 jaar en ouder, kind beheerst de taal grotendeels zoals een volwassene. Woordenschat en zinsbouw blijven zich uitbreiden, vooral ingewikkelder taal.
tweedetaalontwikkeling
het aanleren van een tweede taal
simultane tweetaligheid
twee talen tegelijk leren (vóór 3e levensjaar)
successieve tweetaligheid
tweede taal leren nadat de eerste taal is geleerd, tweede taal wordt beïnvloed door de eerste taal
interferentiefout
fouten die voortkomen uit verschillen tussen 1e en 2e taal
communicatieve competentie
kun je pas goed gebruiken als je de kennis hebt van het taalsysteem en de taalregels, etc. Je past je taalgebruik aan, aan de situatie
grammaticale competentie
Je kent woorden, grammatica, zinsbouw en uitspraak
tekstuele competentie
Je weet hoe je een tekst moet beginnen, opbouwen en eindigen
strategische competentie
Je past je manier van praten, schrijven of luisteren aan om iets voor elkaar te krijgen, strategie toepassen
functionele competentie
Je gebruikt andere taal bij bijvoorbeeld een vriend dan bij een directeur, taal aanpassen aan situatie