vwo 5 stofwisseling in de cel goed

0.0(0)
Studied by 0 people
call kaiCall Kai
learnLearn
examPractice Test
spaced repetitionSpaced Repetition
heart puzzleMatch
flashcardsFlashcards
GameKnowt Play
Card Sorting

1/97

encourage image

There's no tags or description

Looks like no tags are added yet.

98 Terms

1
New cards

stofwisseling (metabolisme) 9.1

alle chemische reacties die in een cel plaatvinden

2
New cards

grondstofwisseling (basale metabolisme)

de hoeveelheid energie die het lichaam nodig heeft in rust voor levensnoodzakelijke processen

3
New cards

chemische energie

de energie die in de atoombindingen van stoffen is opgeslagen

4
New cards

organische stoffen 9.1

Stoffen waarvan de moleculen een of meer koolstofketens bevatten met altijd het element waterstof en meestal zuurstof. energierijk

5
New cards

anorganische stoffen

Stoffen die in organismen voorkomen, bestaan uit kleine, eenvoudig gebouwde moleculen en weinig chemische energie bevatten.

6
New cards

dissimilatie 9.1

De afbraak van grote organische moleculen tot kleinere moleculen waarbij energie beschikbaar komt.

7
New cards

assimilatie

De opbouw van organische moleculen uit kleinere moleculen waarbij energie nodig is.

8
New cards

heterotroof

een organisme dat energie krijgt uit de opname van organische stoffen.

9
New cards

autotroof

organisme dat zelf zijn eigen organische voedingsstoffen kan maken uit eenvoudige anorganische stoffen

10
New cards

koolstofassimilatie

De vorming van glucose uit koolstofdioxide en water door autotrofe organismen.

11
New cards

ATP (adenosinetrifosfaat)

Een molecuul bestaande uit adenosine en drie fosfaatgroepen waarin veel chemische energie is vastgelegd om te worden gebruikt in de cel.

12
New cards

ADP (adenosinedifosfaat)

De stof die ontstaat wanneer de derde fosfaatgroep van ATP wordt afgesplitst, waarbij vastgelegde energie vrijkomt.

13
New cards

Fosforylering

De reactie waarbij met behulp van energie een fosfaatgroep bindt aan ADP, waardoor opnieuw energierijk ATP ontstaat.

14
New cards

Energiedragers

Moleculen die chemische energie vastleggen en transporteren voor stofwisselingsreacties en processen in de cel.

15
New cards

AMP (adenosinemonofosfaat)

De stof die ontstaat bij de afsplitsing van de tweede fosfaatgroep van ADP.

16
New cards

Voortgezette assimilatie

De vorming van grote organische moleculen met energierijke bindingen, zoals andere koolhydraten, vetten en eiwitten, uit glucose.

17
New cards

enzym

Een speciaal eiwit dat ervoor zorgt dat een chemische reactie mogelijk wordt of sneller verloopt.

18
New cards

katalyseren

Het mogelijk maken of versnellen van chemische omzettingsprocessen zonder zelf te worden verbruikt.

19
New cards

substraat

De stof waarop een enzym inwerkt

20
New cards

substraatspecefiek

Eigenschap van een enzym dat het slechts op één type substraat kan inwerken.

21
New cards

actieve centrum

De plaats in een enzymmolecuul met een specifieke ruimtelijke vorm waarin het substraatmolecuul precies past.

22
New cards

enzym-substraatcomplex

Een tijdelijke binding die ontstaat wanneer een substraatmolecuul zich bindt aan het actieve centrum van een enzym.

23
New cards

reactieproduct

De stof waarin het substraatmolecuul wordt omgezet na de reactie met het enzym.

24
New cards

co-factor

Een organische of anorganische hulpstof die sommige enzymen nodig hebben om goed te kunnen werken.

25
New cards

apo-enzym

Een enzym dat een cofactor nodig heeft om zijn functie te kunnen vervullen.

26
New cards

co-enzym

Een organische cofactor, zoals veel vitaminen en ATP.

27
New cards

activeringsenergie

De hoeveelheid energie die nodig is om een chemische reactie op gang te brengen.

28
New cards

energiedrempel

De drempelwaarde voor de hoeveelheid energie die moet worden overschreden voordat een reactie kan plaatsvinden.

29
New cards

reactie energie

De energie die bij een chemische reactie vrijkomt.

30
New cards

enzymactiviteit

De mate waarin een enzym een reactie versnelt, vaak bepaald door de hoeveelheid omgezet substraat per tijdseenheid.

31
New cards

indicator

Een stof waarmee de aanwezigheid van een andere stof kan worden aangetoond door middel van een kleurverandering.

32
New cards

optimumkromme

Een diagram dat het verband weergeeft tussen een milieufactor, zoals temperatuur of pH, en de enzymactiviteit.

33
New cards

denaturatie

Het proces waarbij een enzymmolecuul zijn specifieke ruimtelijke structuur blijvend verliest, waardoor het zijn werking verliest.

34
New cards

irreversibel

Onomkeerbaar; een proces dat niet meer naar de oorspronkelijke toestand terug kan keren.

35
New cards

PH

De zuurgraad van een oplossing, bepaald door de concentratie waterstofionen.

36
New cards

activator

Een stof die de enzymactiviteit verhoogt door de ruimtelijke structuur van het enzym te beïnvloeden.

37
New cards

remstof

Een stof die de enzymactiviteit verlaagt, waardoor enzym en substraat geen complex meer kunnen vormen.

38
New cards

reactieketen

Een reeks van opeenvolgende stofwisselingsreacties die gezamenlijk leiden tot een eindproduct.

39
New cards

glucose

een enkelvoudige suiker die organismen onder andere als brandstof en bouwstof gebruiken.

40
New cards

koolstofdioxide CO2

een gas dat ontstaat bij onder andere verbranding en door organismen wordt gebruikt bij bepaalde stofwisselingsprocessen.

41
New cards

koolhydraat (sacharide)

een organische stof die onder andere als brandstof, reservestof of bouwstof kan dienen.

42
New cards

bouwstof

een stof die een organisme gebruikt om eigen stoffen, cellen of weefsels op te bouwen.

43
New cards

reservestof

een stof die een organisme opslaat om later te gebruiken.


44
New cards

NADP+

een co-enzym dat elektronen en waterstof kan opnemen en daardoor wordt omgezet in NADPH.

45
New cards

NADPH

de gereduceerde vorm van NADP⁺ die energierijke elektronen kan afstaan.

46
New cards

elektronenacceptor (oxidator)

een stof die elektronen opneemt en daardoor zelf wordt gereduceerd.

47
New cards

elektronendonor (reductor)

een stof die elektronen afstaat en daardoor zelf wordt geoxideerd.

48
New cards

fosfaatgroep

een groep atomen met fosfor en zuurstof die onder andere voorkomt in ATP, DNA en fosfolipiden.

49
New cards

chlorofyl (bladgroen)

een groen pigment dat licht absorbeert

50
New cards

chloroplast (bladgroenkorrel)

een organel in plantencellen

51
New cards

thylakoïdmembraan

het membraan van een thylakoïde in een chloroplast.

52
New cards

granum

een stapel thylakoïden in een chloroplast.


53
New cards

lumen

de binnenruimte van een thylakoide

54
New cards

stroma

de vloeistof in een chloroplast rondom de thylakoïden.

55
New cards

fotosysteem

een complex van pigmenten en eiwitten dat licht opvangt.


56
New cards

elektronentransportketen

een reeks eiwitten die elektronen aan elkaar doorgeven.


57
New cards

H+ gradient (protongradient)

een verschil in protonconcentratie tussen twee gebieden.


58
New cards

ATP-synthese

een enzym dat ATP vormt uit ADP en fosfaat

59
New cards

fotoforylering

de vorming van ATP uit ADP en fosfaat met behulp van lichtenergie.

60
New cards

lichtreactie

reacties waarbij lichtenergie wordt omgezet in chemische energie.

61
New cards

donkerreactie

reacties waarbij koolstofdioxide wordt vastgelegd in organische stoffen.

62
New cards

rubisco

het enzym dat een rol speelt bij het vastleggen van koolstofdioxide

63
New cards

water H2O

een anorganische stof die bestaat uit waterstof en zuurstof

64
New cards

zuurstof O2

een gas dat bestaat uit moleculen met twee zuurstofatomen

65
New cards

huidmodjes

een opening in de opperhuid van een plant waardoor gassen kunnen worden uitgewisseld

66
New cards

fotosynthese

het proces waarbij lichtenergie word gebruikt om uit koolstofdioxide en water glucose te maken daarbij komt zuurstof vrij

67
New cards

koolhydraten

Sachariden; zijn opgebouwd uit een koolstofketen, waterstof en zuurstof

68
New cards

bouwstof

Voedingsstof die wordt gebruikt voor de vorming van organische moleculen bij de voortgezette assimilatie

69
New cards

brandstof

Voedingsstoffen die energie kunnen leveren bij de dissimilatie (verbranding)

70
New cards

reservestof

Stof die kan dienen als brandstof, warmte-isolator en bouwstof

71
New cards

monosachariden

Enkelvoudige suikers, bevatten vijf of zes C-atomen, bijvoorbeeld glucose, galactose en fructose

72
New cards

disacharide

Verbinding van twee monosachariden, bijvoorbeeld maltose, lactose (melksuiker) en sacharose (riet- of bietsuiker)

73
New cards

polysachariden

Verbinding van vele monosachariden, bijvoorbeeld zetmeel, glycogeen en cellulose

74
New cards

zetmeel

Polysacharide die in de bladgroenkorrels en zetmeelkorrels van plantaardige cellen wordt opgebouwd uit ongeveer zesduizend glucosemoleculen; reservestof

75
New cards

glycogeen

Polysacharide die bij dieren in de lever en in spieren wordt gevormd; bestaat uit meer dan twintigduizend glucosemoleculen en is sterk vertakt; reservestof

76
New cards

cellulose

Polysacharide die het hoofdbestanddeel is van de celwanden van planten; door de binding tussen de glucosemoleculen vormen enkele tientallen cellulosemoleculen samen een stevige structuur

77
New cards

eiwitten/proteinen

De moleculen zijn opgebouwd uit aminozuren

78
New cards

aminozuur

Bouwsteen van eiwitten, bestaande uit een C-atoom met een aminogroep (NH₂), een carboxygroep (COOH), een H-atoom en een restgroep (R) die typerend is voor het aminozuur

79
New cards

essentiele aminozuren

Aminozuren die dieren niet uit andere aminozuren kunnen maken en die ze dus via hun voedsel binnen moeten krijgen

80
New cards

niet-essentiele aminozuren

Aminozuren die dieren zelf aanmaken en niet of minder in het voedsel aanwezig hoeven te zijn

81
New cards

primaire structuur

De typen aminozuren en de volgorde waarin deze voorkomen in een eiwitmolecuul

82
New cards

secundaire structuur

Spiraalvorm van een eiwitmolecuul (α-helix); ontstaat door een zich herhalende hoek van peptidebindingen

83
New cards

tertiare structuur

Vouwstructuur van een eiwitmolecuul; ontstaat door binding tussen verder uit elkaar gelegen aminozuren

84
New cards

quaterniare structuur

Manier waarop meerdere polypeptideketens één eiwit vormen

85
New cards

vetten

Lipiden; bevatten dezelfde elementen als glucosemoleculen en dienen als bouwstof in membranen, als brandstof en als reservestof

86
New cards

glycerol

Molecuul dat bestaat uit drie C-atomen waaraan drie OH-groepen zijn gebonden

87
New cards

vetzuur

Molecuul dat bestaat uit een lange keten van CH₂-groepen met aan het eind een carboxygroep

88
New cards

fosfolipiden

Lipide waarbij één vetzuur is vervangen door een fosfaatgroep

89
New cards

aerobe dissimilatie

De verbranding van glucose met behulp van zuurstof.

90
New cards

glycolyse

Het proces in het cytoplasma waarbij een glucosemolecuul wordt gesplitst in twee moleculen pyrodruivenzuur.

91
New cards

acetyl co enzym a

Een stof die in de mitochondriën wordt gevormd door de anaerobe binding van een molecuul pyrodruivenzuur aan co-enzym A.

92
New cards

citroenzuurcyclus

Het proces in de matrix van de mitochondriën waarbij citroenzuurmoleculen verder worden afgebroken tot koolstofdioxide en energierijke elektronen.

93
New cards

oxidatieve fosforylering

Het proces in het binnenmembraan van de mitochondriën waarbij energierijke elektronen hun energie afstaan voor de vorming van ATP uit ADP en een fosfaatgroep.

94
New cards

matrix

De vloeistof binnen in de mitochondriën waar de citroenzuurcyclus plaatsvindt.

95
New cards

decarboxylering

De chemische reactie waarbij een molecuul koolstofdioxide wordt afgesplitst van een organische sto

96
New cards

anaerobe dissimilatie

De omzetting van glucose zonder gebruik te maken van zuurstof, ook wel gisting of fermentatie genoemd.

97
New cards

alcholgisting

Een vorm van gisting waarbij ethanol en koolstofdioxide ontstaan uit pyrodruivenzuur.

98
New cards

melkzuurgisting

Een vorm van gisting waarbij pyrodruivenzuur in een anaerobe omgeving wordt omgezet in melkzuur.