1/97
Looks like no tags are added yet.
stofwisseling (metabolisme) 9.1
alle chemische reacties die in een cel plaatvinden
grondstofwisseling (basale metabolisme)
de hoeveelheid energie die het lichaam nodig heeft in rust voor levensnoodzakelijke processen
chemische energie
de energie die in de atoombindingen van stoffen is opgeslagen
organische stoffen 9.1
Stoffen waarvan de moleculen een of meer koolstofketens bevatten met altijd het element waterstof en meestal zuurstof. energierijk
anorganische stoffen
Stoffen die in organismen voorkomen, bestaan uit kleine, eenvoudig gebouwde moleculen en weinig chemische energie bevatten.
dissimilatie 9.1
De afbraak van grote organische moleculen tot kleinere moleculen waarbij energie beschikbaar komt.
assimilatie
De opbouw van organische moleculen uit kleinere moleculen waarbij energie nodig is.
heterotroof
een organisme dat energie krijgt uit de opname van organische stoffen.
autotroof
organisme dat zelf zijn eigen organische voedingsstoffen kan maken uit eenvoudige anorganische stoffen
koolstofassimilatie
De vorming van glucose uit koolstofdioxide en water door autotrofe organismen.
ATP (adenosinetrifosfaat)
Een molecuul bestaande uit adenosine en drie fosfaatgroepen waarin veel chemische energie is vastgelegd om te worden gebruikt in de cel.
ADP (adenosinedifosfaat)
De stof die ontstaat wanneer de derde fosfaatgroep van ATP wordt afgesplitst, waarbij vastgelegde energie vrijkomt.
Fosforylering
De reactie waarbij met behulp van energie een fosfaatgroep bindt aan ADP, waardoor opnieuw energierijk ATP ontstaat.
Energiedragers
Moleculen die chemische energie vastleggen en transporteren voor stofwisselingsreacties en processen in de cel.
AMP (adenosinemonofosfaat)
De stof die ontstaat bij de afsplitsing van de tweede fosfaatgroep van ADP.
Voortgezette assimilatie
De vorming van grote organische moleculen met energierijke bindingen, zoals andere koolhydraten, vetten en eiwitten, uit glucose.
enzym
Een speciaal eiwit dat ervoor zorgt dat een chemische reactie mogelijk wordt of sneller verloopt.
katalyseren
Het mogelijk maken of versnellen van chemische omzettingsprocessen zonder zelf te worden verbruikt.
substraat
De stof waarop een enzym inwerkt
substraatspecefiek
Eigenschap van een enzym dat het slechts op één type substraat kan inwerken.
actieve centrum
De plaats in een enzymmolecuul met een specifieke ruimtelijke vorm waarin het substraatmolecuul precies past.
enzym-substraatcomplex
Een tijdelijke binding die ontstaat wanneer een substraatmolecuul zich bindt aan het actieve centrum van een enzym.
reactieproduct
De stof waarin het substraatmolecuul wordt omgezet na de reactie met het enzym.
co-factor
Een organische of anorganische hulpstof die sommige enzymen nodig hebben om goed te kunnen werken.
apo-enzym
Een enzym dat een cofactor nodig heeft om zijn functie te kunnen vervullen.
co-enzym
Een organische cofactor, zoals veel vitaminen en ATP.
activeringsenergie
De hoeveelheid energie die nodig is om een chemische reactie op gang te brengen.
energiedrempel
De drempelwaarde voor de hoeveelheid energie die moet worden overschreden voordat een reactie kan plaatsvinden.
reactie energie
De energie die bij een chemische reactie vrijkomt.
enzymactiviteit
De mate waarin een enzym een reactie versnelt, vaak bepaald door de hoeveelheid omgezet substraat per tijdseenheid.
indicator
Een stof waarmee de aanwezigheid van een andere stof kan worden aangetoond door middel van een kleurverandering.
optimumkromme
Een diagram dat het verband weergeeft tussen een milieufactor, zoals temperatuur of pH, en de enzymactiviteit.
denaturatie
Het proces waarbij een enzymmolecuul zijn specifieke ruimtelijke structuur blijvend verliest, waardoor het zijn werking verliest.
irreversibel
Onomkeerbaar; een proces dat niet meer naar de oorspronkelijke toestand terug kan keren.
PH
De zuurgraad van een oplossing, bepaald door de concentratie waterstofionen.
activator
Een stof die de enzymactiviteit verhoogt door de ruimtelijke structuur van het enzym te beïnvloeden.
remstof
Een stof die de enzymactiviteit verlaagt, waardoor enzym en substraat geen complex meer kunnen vormen.
reactieketen
Een reeks van opeenvolgende stofwisselingsreacties die gezamenlijk leiden tot een eindproduct.
glucose
een enkelvoudige suiker die organismen onder andere als brandstof en bouwstof gebruiken.
koolstofdioxide CO2
een gas dat ontstaat bij onder andere verbranding en door organismen wordt gebruikt bij bepaalde stofwisselingsprocessen.
koolhydraat (sacharide)
een organische stof die onder andere als brandstof, reservestof of bouwstof kan dienen.
bouwstof
een stof die een organisme gebruikt om eigen stoffen, cellen of weefsels op te bouwen.
reservestof
een stof die een organisme opslaat om later te gebruiken.
NADP+
een co-enzym dat elektronen en waterstof kan opnemen en daardoor wordt omgezet in NADPH.
NADPH
de gereduceerde vorm van NADP⁺ die energierijke elektronen kan afstaan.
elektronenacceptor (oxidator)
een stof die elektronen opneemt en daardoor zelf wordt gereduceerd.
elektronendonor (reductor)
een stof die elektronen afstaat en daardoor zelf wordt geoxideerd.
fosfaatgroep
een groep atomen met fosfor en zuurstof die onder andere voorkomt in ATP, DNA en fosfolipiden.
chlorofyl (bladgroen)
een groen pigment dat licht absorbeert
chloroplast (bladgroenkorrel)
een organel in plantencellen
thylakoïdmembraan
het membraan van een thylakoïde in een chloroplast.
granum
een stapel thylakoïden in een chloroplast.
lumen
de binnenruimte van een thylakoide
stroma
de vloeistof in een chloroplast rondom de thylakoïden.
fotosysteem
een complex van pigmenten en eiwitten dat licht opvangt.
elektronentransportketen
een reeks eiwitten die elektronen aan elkaar doorgeven.
H+ gradient (protongradient)
een verschil in protonconcentratie tussen twee gebieden.
ATP-synthese
een enzym dat ATP vormt uit ADP en fosfaat
fotoforylering
de vorming van ATP uit ADP en fosfaat met behulp van lichtenergie.
lichtreactie
reacties waarbij lichtenergie wordt omgezet in chemische energie.
donkerreactie
reacties waarbij koolstofdioxide wordt vastgelegd in organische stoffen.
rubisco
het enzym dat een rol speelt bij het vastleggen van koolstofdioxide
water H2O
een anorganische stof die bestaat uit waterstof en zuurstof
zuurstof O2
een gas dat bestaat uit moleculen met twee zuurstofatomen
huidmodjes
een opening in de opperhuid van een plant waardoor gassen kunnen worden uitgewisseld
fotosynthese
het proces waarbij lichtenergie word gebruikt om uit koolstofdioxide en water glucose te maken daarbij komt zuurstof vrij
koolhydraten
Sachariden; zijn opgebouwd uit een koolstofketen, waterstof en zuurstof
bouwstof
Voedingsstof die wordt gebruikt voor de vorming van organische moleculen bij de voortgezette assimilatie
brandstof
Voedingsstoffen die energie kunnen leveren bij de dissimilatie (verbranding)
reservestof
Stof die kan dienen als brandstof, warmte-isolator en bouwstof
monosachariden
Enkelvoudige suikers, bevatten vijf of zes C-atomen, bijvoorbeeld glucose, galactose en fructose
disacharide
Verbinding van twee monosachariden, bijvoorbeeld maltose, lactose (melksuiker) en sacharose (riet- of bietsuiker)
polysachariden
Verbinding van vele monosachariden, bijvoorbeeld zetmeel, glycogeen en cellulose
zetmeel
Polysacharide die in de bladgroenkorrels en zetmeelkorrels van plantaardige cellen wordt opgebouwd uit ongeveer zesduizend glucosemoleculen; reservestof
glycogeen
Polysacharide die bij dieren in de lever en in spieren wordt gevormd; bestaat uit meer dan twintigduizend glucosemoleculen en is sterk vertakt; reservestof
cellulose
Polysacharide die het hoofdbestanddeel is van de celwanden van planten; door de binding tussen de glucosemoleculen vormen enkele tientallen cellulosemoleculen samen een stevige structuur
eiwitten/proteinen
De moleculen zijn opgebouwd uit aminozuren
aminozuur
Bouwsteen van eiwitten, bestaande uit een C-atoom met een aminogroep (NH₂), een carboxygroep (COOH), een H-atoom en een restgroep (R) die typerend is voor het aminozuur
essentiele aminozuren
Aminozuren die dieren niet uit andere aminozuren kunnen maken en die ze dus via hun voedsel binnen moeten krijgen
niet-essentiele aminozuren
Aminozuren die dieren zelf aanmaken en niet of minder in het voedsel aanwezig hoeven te zijn
primaire structuur
De typen aminozuren en de volgorde waarin deze voorkomen in een eiwitmolecuul
secundaire structuur
Spiraalvorm van een eiwitmolecuul (α-helix); ontstaat door een zich herhalende hoek van peptidebindingen
tertiare structuur
Vouwstructuur van een eiwitmolecuul; ontstaat door binding tussen verder uit elkaar gelegen aminozuren
quaterniare structuur
Manier waarop meerdere polypeptideketens één eiwit vormen
vetten
Lipiden; bevatten dezelfde elementen als glucosemoleculen en dienen als bouwstof in membranen, als brandstof en als reservestof
glycerol
Molecuul dat bestaat uit drie C-atomen waaraan drie OH-groepen zijn gebonden
vetzuur
Molecuul dat bestaat uit een lange keten van CH₂-groepen met aan het eind een carboxygroep
fosfolipiden
Lipide waarbij één vetzuur is vervangen door een fosfaatgroep
aerobe dissimilatie
De verbranding van glucose met behulp van zuurstof.
glycolyse
Het proces in het cytoplasma waarbij een glucosemolecuul wordt gesplitst in twee moleculen pyrodruivenzuur.
acetyl co enzym a
Een stof die in de mitochondriën wordt gevormd door de anaerobe binding van een molecuul pyrodruivenzuur aan co-enzym A.
citroenzuurcyclus
Het proces in de matrix van de mitochondriën waarbij citroenzuurmoleculen verder worden afgebroken tot koolstofdioxide en energierijke elektronen.
oxidatieve fosforylering
Het proces in het binnenmembraan van de mitochondriën waarbij energierijke elektronen hun energie afstaan voor de vorming van ATP uit ADP en een fosfaatgroep.
matrix
De vloeistof binnen in de mitochondriën waar de citroenzuurcyclus plaatsvindt.
decarboxylering
De chemische reactie waarbij een molecuul koolstofdioxide wordt afgesplitst van een organische sto
anaerobe dissimilatie
De omzetting van glucose zonder gebruik te maken van zuurstof, ook wel gisting of fermentatie genoemd.
alcholgisting
Een vorm van gisting waarbij ethanol en koolstofdioxide ontstaan uit pyrodruivenzuur.
melkzuurgisting
Een vorm van gisting waarbij pyrodruivenzuur in een anaerobe omgeving wordt omgezet in melkzuur.