1/78
Looks like no tags are added yet.
Sociale perceptie
Het proces waarbij we proberen andere mensen om ons heen te begrijpen.
Attributie
Het toeschrijven van oorzaken aan gedrag, onderscheiden in interne en externe attributies.
Interne attributie (personal attribution)
Gedrag toeschrijven aan persoonlijke factoren, zoals karakter of motivatie.
Externe attributie (situational attribution)
Gedrag toeschrijven aan invloeden van buitenaf, zoals omstandigheden.
Explanatory style pessimistisch
Als iets dat door henzelf komt (intern), altijd zo zal blijven (stabiel) en overal invloed op heeft (globaal)
Explanatory style optimistisch
Als iets dat door situatie komt (extern), kan veranderen (veranderlijk) en niet overal gebeurt (specifiek)
Dispositions
Relatief stabiele persoonlijke eigenschappen of kenmerken die we aan iemand toeschrijven.
Integration
Verschillende stukjes informatie over iemand combineren tot 1 algemene indruk.
Snap judgments
Snelle eerste oordelen of indrukken op basis van beperkte informatie zonder uitgebreide analyse.
Explanatory style
De manier waarop iemand gebeurtenissen verklaart (optimistisch of pessimistisch)
Bepaald door intern/extern, stabiel/instabiel en globaal/specifiek.
Belangrijkste attributietheorieën
Heider’s theorie van naïeve psychologie
De correspondent inference theorie (Jones & Davis)
Kelley’s covariation theory
Intergroup perspective (Deschamps, Hewstone en Jaspar)
Counterfactual thinking
Augmentation principle
Heider's theorie van naïeve psychologie
Mensen gebruiken een rationele en logische manier van denken om oorzaak-gevolgrelaties in gedrag te begrijpen.
3 kernprincipes van Heider’s theorie over hoe we anderen begrijpen
Gedrag is gemotiveerd
We zoeken stabiliteit in eigenschappen
Onderscheid tussen interne en externe factoren
Correspondent inference theory (Jones en Davis)
We schrijven gedrag vaak toe aan iemands persoonlijkheid (interne attributie)
Verschillende factoren beïnvloeden hoe we dit doen
Factoren die beïnvloeden of we gedrag intern attributen (correspondent inference theory)
Vrije keuze
Sociale wenselijk / ongewenst gedrag
Belangrijke directe gevolgen (= hedonic relevance)
Persoonlijke impact (personalisme)
Hedonic relevance
Gedrag met belangrijke directe gevolgen
Personalisme
Gedrag dat direct bedoeld is om iemand zelf te helpen of te schaden
Covariation theory (Kelley)
Model dat bepaalt of gedrag intern of extern wordt verklaard.
Op basis van consistentie, onderscheidendheid en consensus.
Consensus (binnen covariatiemodel van Kelley)
Mate waarin andere mensen op dezelfde manier reageren op dezelfde situatie als de persoon die we observeren
Onderscheidendheid (binnen covariatiemodel van Kelley)
Of de persoon zich alleen in deze specifieke situatie zo gedraagt of ook in veel andere situaties
Consistentie (in covariatiemodel van Kelley)
Of de persoon zich vaker op deze manier gedraagt wanneer deze specifieke situatie zich voordoet
Discount
De oorzaak wordt buiten beschouwing gelaten
Augmentatie principe
Gedrag ondanks tegenwerking > sterkere interne motivatie afleiden
Counterfactual thinking
Stilstaan bij wat had kunnen gebeuren als omstandigheden anders waren geweest.
Het alternatieve scenario is heel makkelijk voor te stellen
Belangrijke factoren:
Tijd en afstand
Afwijking van routine
Emotional amplification
Onze emotionele reacties zijn intenser wanneer een gebeurtenis bijna niet gebeurd zou zijn
Attribution biases
Fouten die we maken bij het verklaren van gedrag van andere mensen
Fundamental attribution error (FAE)
De neiging om de invloed van persoonlijke oorzaken op gedrag te overschatten en omgevingsfactoren te onderschatten
Verschillende verklaringen voor de FAE
Focus of attention (Heider)
Differential forgetting
Culturele en ontwikkelingsfactoren
Linguistic factors
Focus of attention (Heider)
Iemands gedrag trekt meer aandacht dan de achtergrond
Differential forgetting
Mensen vergeten situationele oorzaken van gedrag sneller dan persoonlijke oorzaken
Waarom maken we de FAE sneller dan een situationele attributie?
Het toeschrijven aan karakter gaat automatisch, het meewegen van de situatie kost actieve inspanning en energie.
Verschil FAE tussen westerse en collectivistische culturen
In westerse culturen komt FAE vaker voor
Collectivistische culturen maken vaker externe (situationele) attributies
Correspondence bias
De neiging om gedrag toe te schrijven aan persoonlijke eigenschappen (interne attributie), en niet aan externe factoren
Motivational bias
Doet zich voor als onze beslissingen en meningen worden beïnvloed door interne motivaties, doelen en verlangens
Availability heuristic
De neiging om de waarschijnlijkheid van een gebeurtenis in te schatten op basis van hoe snel voorbeelden in je opkomen
2 gevolgen van de availability heuristic
Leidt tot false-consensus effect
Kan leiden tot de base-rate fallacy
False-consensus effect
Het effect waarbij we ons eigen gedrag als normaal zien en denken dat anderen zich hetzelfde gedragen.
Oorzaken van false-consensus effect
We zoeken mensen uit die op ons lijken
Onze eigen meningen zijn zo opvallend voor ons dat ze de mogelijkheid van andere meningen overschaduwen
We willen onze eigen meningen onderbouwen aan de hand van consensus om ze te bevestigen (confirmation bias)
Ultimate attribution error
Gedrag van de outgroup wordt toegeschreven aan stabiele, interne eigenschappen van die groep
Een fundamental attribution error op groepsniveau
Wishful seeing
Vorm van motivational bias waarbij je de werkelijkheid positiever waarneemt of interpreteert omdat je graag wilt dat iets waar is
Intergroup attribution
Attributies maken voor gedrag van iemand als lid van een groep
We schrijven iemands gedrag toe aan een hele groep > kan leiden tot sociale categorisatie
Ethnocentrism (een ingroup-serving bias)
De neiging om eigen groep gunstiger te beoordelen:
Positief gedrag van ingroup en negatief gedrag van outgroup > intern toeschrijven
Negatief gedrag van ingroup en positief gedrag van outgroup > extern toeschrijven
Group-enhancing bias
Positief gedrag van eigen groep intern toeschrijven en negatief gedrag van outgroup ook intern
Group-protective bias
Negatief gedrag van eigen groep extern toeschrijven en positief gedrag van outgroup ook extern
Belief in a Just World
De overtuiging dat de wereld eerlijk is, wat kan leiden tot victim blaming om de voorspelbaarheid te behouden.
Actor-observer effect (self-other effect)
Mensen schrijven het gedrag van anderen eerder intern toe en hun eigen gedrag eerder extern
Oorzaken voor actor-observer effect
Perceptual focus (ons vizier is gericht op omgeving ipv op onszelf)
Informatieverschillen (we hebben over onszelf meer contextinformatie)
Self-serving bias
Eigen positief gedrag intern toeschrijven (self-enhancing bias) en eigen negatief gedrag extern toeschrijven (self-protecting bias)
Confirmation bias
De neiging om informatie te zoeken en selecteren die aansluit bij bestaande overtuigingen.
Daarbij ook tegenbewijs negeren
Self-fulfilling prophecy
Een verwachting over iemand zorgt voor gedrag dat die oorspronkelijke verwachting daadwerkelijk bevestigt.
Stereotypen
Algemene overtuigingen over kenmerken, eigenschappen of gedrag van leden van een bepaalde groep.
Vooroordelen (prejudice)
Beoordelende houdingen tegenover mensen of groepen met sterke emotionele component.
Verschil tussen een stereotype en een vooroordeel
Stereotypen: cognitieve beelden/ overtuigingen
Vooroordelen: bijbehorende gevoelens (affectie)
Stereotype Content Model
Stereotypen over groepen verschillen op 2 dimensies:
Warmth = hoe vriendelijk, betrouwbaar en goedbedoelend groep wordt gezien (hangt samen met waargenomen concurrentie)
Competence = hoe bekwaam/capabel een groep wordt gezien (hangt samen met status)
Social categorization
Het indelen van mensen in sociale groepen, wat verschillen tussen groepen vergroot en verschillen binnen groepen verkleint.
Waarom maken onze hersenen automatisch gebruik van sociale categorisatie?
Om complexe sociale wereld te versimpelen en informatie efficiënter te kunnen verwerken
Outgroup homogeneity effect
Neiging om te denken dat leden van outgroups meer op elkaar lijken dan leden van de eigen ingroup.
System justification theory
Mensen zijn gemotiveerd om de huidige sociale en politieke status quo te verdedigen en als rechtvaardig te zien
Realistic conflict theory
Competitie om schaarse middelen kan leiden tot vijandigheid en conflict tussen groepen.
Samenwerken aan superordinate goals kan intergroepsconflict verminderen
Contact hypothesis (Allport)
Contact tussen verschillende groepen kan onder de juiste omstandigheden vooroordelen verminderen.
Alleen contact hebben is niet automatisch voldoende
Social identity theory
Theorie die stelt dat we een voorkeur hebben voor ingroups boven outgroups om ons eigen zelfvertrouwen te verhogen.
Jigsaw Classroom
Een onderwijsmethode van Aronson waarbij studenten in groepen afhankelijk zijn van elkaar om lesstof te leren, wat vooroordelen vermindert.
Kelley's covariation model - patronen
Consistentie laag → discount.
Consistentie hoog + distinctiveness hoog + consensus hoog → externe attributie.
Consistentie hoog + distinctiveness laag + consensus laag → interne attributie.
Cognitive heuristics
Mentale vuistregels waarmee we snel informatie verwerken
Efficiënt maar kunnen leiden tot systematische beoordelingsfouten.
Base-rate fallacy
De kans op een gebeurtenis verkeerd inschatten doordat relevante basisinformatie/base rates worden genegeerd.
Waarom leiden saillante (opvallende) gebeurtenissen tot de base-rate fallacy?
Omdat mensen statistische informatie negeren ten gunste van 1 schokkend of opvallend voorbeeld
Outcome bias
Ervan uitgaan dat iemand de gevolgen van zijn/haar gedrag ook daadwerkelijk zo heeft bedoeld.
Essentialism
Gedrag zien als weerspiegeling van onderliggende, onveranderlijke eigenschappen van persoon of groep.
Belief perseverance
Vasthouden aan een bestaande overtuiging, zelfs als er tegenbewijs is
Discriminatie
Het ongelijk of anders behandelen van mensen op basis van hun lidmaatschap van een bepaalde groep
Social dominance orientation
Voorkeur voor een sociale hiërarchie waarin sommige groepen een hogere status hebben dan andere groepen.
Relative deprivation
Het gevoel slechter af te zijn doordat je jouw situatie vergelijkt met die van anderen.
Superordinate goal
Een gezamenlijk doel dat alleen bereikt kan worden wanneer verschillende groepen samenwerken.
Sociale identiteit
Het deel van ons zelfbeeld dat gebaseerd is op de groepen waarvan we lid zijn.
Ingroup favoritism
De eigen groep positiever beoordelen of bevoordelen ten opzichte van een outgroup.
Om ons zelfvertrouwen te verhogen
Contact hypothesis - voorwaarden
Contact vermindert vooral vooroordelen bij
Gelijke status
Intergroup samenwerking
Common goals
Support van autoriteiten/wet.
Jigsaw Classroom - waarom werkt het?
Combineert positief intergroup contact, gelijke status en samenwerking aan gezamenlijke doelen
Sluit aan bij contact hypothesis, superordinate goals en cognitive dissonance.
Sociale psychologie-theorieën waarop de Jigsaw Classroom is gebaseerd
Sociale Categorisatie + Ingroup vs Outgroup
Realistic Conflict Theory
Social Identity Theory
Cognitieve dissonantie (> gedrag kan attitude veranderen)
Self-handicapping
Vooraf excuses of belemmeringen creëren/zoeken om jezelf in te dekken tegen een mogelijke mislukking.