1/43
Uitgebreide set practice flashcards over radio-anatomie van het musculoskeletaal stelsel, gebaseerd op de vier lespresentaties (bovenste lidmaat, onderste lidmaat, axiaal skelet en oriëntatie/beeldherkenning).
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai | Chat |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
Wat is volgens de syndesmologie het functionele verschil tussen een synartrosis, amphiartrosis en diarthrosis?
Een synartrosis is een onbeweeglijke beenverbinding (zoals een sutura, synchondrosis of synostosis), een amphiartrosis is een weinig beweeglijke beenverbinding (zoals een syndesmosis of symphysis), en een diarthrosis is een beweeglijke verbinding (gewricht).
Welke gewrichtsvormen horen volgens de classificatie bij bewegingen in 1, 2 en 3 vlakken?
Beweging in 1 vlak: glijdend/vlak gewricht, scharniergewricht (art. trochlearis) en draai-/rolgewricht; beweging in 2 vlakken: condylair gewricht (art. ellipsoidea) en zadelgewricht (art. sellaris); beweging in 3 vlakken: kogelgewricht (art. sphaeroidea).
Welke Latijnse benamingen worden gebruikt voor specifieke botverhevenheden en uitsteeksels?
Caput (kop), capitulum (kopje), condylus (rond uitsteeksel bedekt met kraakbeen), epicondylus (benige punt), spina (doorn/uitsteeksel), tuber (knobbel) en tuberculum (knobbeltje).
Wat zijn de specifieke kenmerken van de anatomische positie van het menselijk lichaam?
Een rechtopstaande houding met het aangezicht en de voeten voorwaarts gericht, de armen verticaal naast de romp, de handpalmen naar voren gericht, de duimen naar buiten wijzend en de voeten licht gespreid.
In welke delen verdelen het sagittale, het coronale (frontale) en het transversale (axiale) vlak het lichaam?
Het sagittale vlak deelt het lichaam in een linker- en rechterdeel; het coronale vlak in een voor- en achterdeel; het transversale vlak in een boven- en onderdeel.
Uit welke delen is het bovenste vrije lidmaat (pars libera) opgebouwd?
Uit de humerus, de radius en ulna, de ossa carpi, de ossa metacarpi en de ossa digitorum manus.
Welke handwortelbeentjes articuleren rechtstreeks met de distale facies articularis carpalis van de radius?
Het os scaphoideum en het os lunatum.
Wat is het TFCC en wat zijn de drie hoofdfuncties ervan in de pols?
Het TFCC is het triangulair fibro-cartilageneus complex. Het zorgt voor de verbinding van de radius en ulna met de carpalia, stabilisatie van het gewricht en schokdemping tussen de antebrachium en de proximale handwortelbeentjes.
Welke vier spieren behoren tot de duimmuis (thenar)?
De m. abductor pollicis brevis, m. flexor pollicis brevis, m. adductor pollicis en m. opponens pollicis.
Welke anatomische herkenningspunten bevinden zich aan het proximale uiteinde van de ulna?
Het olecranon, de processus coronoideus, de incisura trochlearis, de fossa supinatoris en de incisura radialis.
Uit welke drie afzonderlijke gewrichten bestaat het ellebooggewricht?
De art. humero-radialis, art. humero-ulnaris en art. radio-ulnaris proximalis.
Wat zijn de aanhechting en de functie van het ligamentum anulare radii?
Het heeft zowel zijn oorsprong als insertie op de ulna, loopt overheen de radiuskop, en speelt een essentiële rol bij pronatie en supinatie van de onderarm.
Welke vier spieren vormen samen de rotator cuff (rotatorenmanchet) van de schouder?
De m. supraspinatus, m. infraspinatus, m. subscapularis en m. teres minor.
Wat is de insertie en de functie van de m. supraspinatus?
Insertie: tuberculum majus humeri (proximaal facet); functie: abductie van de arm tot 90→ en exorotatie van de humerus, en het vasthouden van de humeruskop in de cavitas glenoidalis.
Hoeveel graden beweging dragen de humerus en de scapula bij tijdens abductie via het scapulothoracale glijvlak?
Er is sprake van 90→ zuivere abductie van de humerus (120→ mits exorotatie) en 60→ laterorotatie van de scapula.
Uit welke functionele gewrichten en welk glijvlak bestaat het schouder-arm complex?
De art. humeri (glenohumeralis), art. acromioclavicularis, art. sternoclavicularis en het scapulothoracaal glijvlak.
Welke twee belangrijke gewrichtslijnen worden onderscheiden in de tarsus van de voet?
De lijn van Lisfranc (tussen de metatarsalen en de eerste tarsalen) en de lijn van Chopart (tussen talus/calcaneus enerzijds en os naviculare/os cuboideum anderzijds).
Welke specifieke structuur op de calcaneus draagt de facies articularis talaris media?
Het sustentaculum tali.
Wat zijn de drie steunpunten en drie bogen van het menselijk voetgewelf?
De steunpunten zijn het caput van metatarsaal I, het caput van metatarsaal V en het tuber calcanei; de bogen zijn de mediale boog, laterale boog en transversale boog.
Welke zenuw, arterie en pezen lopen door de tarsale tunnel onder het retinaculum flexorum?
De n. tibialis posterior, de a. tibialis posterior en de peesuitlopers van de m. tibialis posterior, m. flexor hallucis longus en m. flexor digitorum longus.
Welke beenderen vormen samen het bovenste spronggewricht (art. talocruralis)?
De distale uiteinden van de tibia en de fibula enerzijds en de trochlea van de talus anderzijds.
Wat zijn de anatomische vorm- en bevestigingsverschillen tussen de mediale en laterale meniscus van de knie?
De mediale meniscus is C-vormig, achteraan breder dan vooraan en vergroeid met het lig. collaterale tibiale; de laterale meniscus is nagenoeg rond en overal ongeveer even groot.
Wat zijn het verloop en de functie bij rotatie van het lig. cruciatum anterius en het lig. cruciatum posterius?
Het anterieure kruisband loopt van de area intercondylaris anterior naar het binnenvlak van de condylus lateralis femoris (endorotatie); het posterieure kruisband loopt van de area intercondylaris posterior naar de condylus medialis femoris (exorotatie).
Uit welke drie afzonderlijke beenderen bestaat het os coxae?
Het os ilium, het os ischium en het os pubis.
Wat zijn de normale bewegingsuitslagen voor anteflexie en retroflexie in de art. coxae?
Anteflexie bedraagt 120→ (90→ bij een gebogen knie) en retroflexie bedraagt 20→.
Wat zijn de origo, insertie en functie van de m. gluteus maximus?
Origo: facies glutea ala ossis ilium dorsaal van de linea glutea posterior; insertie: tractus iliotibialis (proximale 3/4 deel) en tuberositas glutea (distale 1/4 deel); functie: extensie, abductie en exorotatie van de heup, en het aanspannen van de tractus iliotibialis.
Uit hoeveel beenderen bestaat het neurocranium en welke beenderen zijn dit?
Het neurocranium bestaat uit 8 beenderen: 2 gepaarde beenderen (os parietale en os temporale) en 4 ongepaarde beenderen (os occipitale, os sphenoidale, os ethmoidale en os frontale).
Welke schedelnaden verbinden het os parietale met aangrenzende schedelbeenderen?
De sutura coronalis (anterieure verbinding met het os frontale), de sutura sagittalis (mediale verbinding met het tegenoverliggende os parietale) en de sutura lambdoidea (posterieure verbinding met het os occipitale).
Welk botstuk van de schedelbasis omvat in tegenstelling tot het os frontale, os ethmoidale, os sphenoidale en os maxilla géén sinusholten?
Het os occipitale.
Welk botstuk van het viscerocranium vormt het jukbeen en de arcus zygomaticus?
Het os zygomaticum.
Wat is de functie van het os hyoideum binnen het axiale skelet?
Het fungeert als zwevend botstuk en dient als aanhechtingsplaats voor de musculatuur van de larynx, de tong en de keelholte, en als stabilisator voor de positie van het strottenhoofd.
Hoeveel vertebrae telt de wervelkolom in totaal en hoe is de verdeling per niveau?
In totaal 33 wervels: 7 cervicaal, 12 thoracaal, 5 lumbaal, 5 sacraal (vergroeid) en 4 coccygeaal (vergroeid).
Waarin onderscheiden de atlas (C1) en de axis (C2) zich van de overige wervels?
De atlas (C1) is ringvormig, heeft geen wervelcorpus en draagt de schedel via zijn laterale massa's; de axis (C2) heeft de processus odontoideus (dens), die dient als draaipunt voor de atlas.
Welke specifieke opening bevindt zich in de cervicale wervels C3-C7 en wat loopt hierdoorheen?
Het foramen transversarium in de massa lateralis, dat dient als doorgang voor de arteria vertebralis.
Hoe worden de 12 paar costae onderverdeeld in ware en valse ribben?
Costae I-VII zijn costae verae (ware ribben / vertebrospinale ribben) en costae VIII-XII zijn costae spuriae (valse ribben), waarbij ribben VIII-X vertebrochondraal zijn en ribben XI-XII zwevende ribben zijn (costae fluctuantes).
Ter hoogte van welke ribben is de beenderige thorax op zijn breedst?
Ter hoogte van costae VIII-IX.
Welke anatomische structuren lopen beschut aan de binnen- en onderkant van een rib in de sulcus costae?
De intercostale arterie, vene en zenuw.
Wat is het fenomeen 'superpositie' bij projectieradiografie (PR)?
Het verschijnsel waarbij verschillende anatomische structuren die in dezelfde stralenrichting binnen de bundel liggen, over elkaar heen geprojecteerd worden als een optelsom op het tweedimensionale beeld.
Wat betekenen de afkortingen DD, DV, DLR en DLL bij radiografische decubitushoudingen?
DD staat voor Decubitus dorsalis (rugligging), DV voor Decubitus ventralis (buikligging), DLR voor Decubitus lateralis Rechts, en DLL voor Decubitus lateralis Links.
Hoe is de oriëntatie van een 3D axiaal beeld geconfigureerd volgens het radiologisch perspectief?
Er wordt gekeken vanuit het voetenstandpunt van de patiënt (in head-first supine positie): rechts op het beeld is de linkerzijde van de patiënt en de bovenzijde van het beeld toont de buikzijde (anterieure zijde).
Welke anatomische onderdelen van de wervel vormen de verschillende onderdelen van de 'Scotty dog' op een oblique opname van de lumbale wervelkolom?
Processus transversus (neus), pedikel (oog), processus articularis superior (oor), pars interarticularis/isthmus (nek), lamina (lichaam), processus articularis inferior (voorpoot) en processus spinosus (achterpoot).
Waarop wijst het 'Scotty dog sign met halsband' op een schuine röntgenopname van de lumbale wervelkolom?
Op een onderbreking of fractuur in de pars interarticularis, kenmerkend voor spondylolyse.
Waarom zijn vetstrookjes van belang bij de beoordeling van radiologische opnamen van de pols of elleboog?
Vetstrookjes fungeren als een betrouwbare indicator voor onderliggende pathologie of occulte fracturen (bijvoorbeeld wanneer ze door vocht of een hematoom verplaatst worden).
Wanneer kiest men bij een ribbenrooster I-IX opname voor een AP- versus een PA-projectie?
Een AP-opname wordt gekozen bij pijnklachten aan de posterieure ribbenbogen (toont posterieure ribben I-IX), terwijl een PA-opname gekozen wordt bij pijnklachten aan de anterieure ribbenbogen (toont anterieure ribben I-VII).