Biologie: Organisatie van het Leven, Cellen en Onderzoek

0.0(0)
Studied by 0 people
call kaiCall Kai
learnLearn
examPractice Test
spaced repetitionSpaced Repetition
heart puzzleMatch
flashcardsFlashcards
GameKnowt Play
Card Sorting

1/166

flashcard set

Earn XP

Description and Tags

Een complete verzameling van 150 flashcards over biologische organisatieniveaus, weefsels en organen, microscopie, celbiologie en celorganellen, membraantransport en diffusie/osmose, en natuurwetenschappelijke onderzoeksmethoden gebaseerd op hoofdstuk 1.

167 Terms

1
New cards

Wat probeert de biologie te verklaren en te beschrijven?

De verscheidenheid aan levensvormen op het aardoppervlak.

2
New cards

Welke reikwijdte aan onderwerpen heeft het vak biologie?

Het strekt zich uit van moleculen, zoals DNA, tot aan ecosystemen, inclusief gedrag en evolutie.

3
New cards

Welke vier voorbeelden van biologische specialismen worden in de tekst genoemd?

Moleculair biologen, microbiologen, neurobiologen en gedragsbiologen.

4
New cards

Waarom wordt biologie omschreven als een heel dynamisch vak?

Doordat biologische kennis elke dag toeneemt door meer en beter wetenschappelijk onderzoek, waardoor kennis soms moet worden aangepast.

5
New cards

Op welke actuele maatschappelijke thema's is biologie steeds relevanter?

Vraagstukken over de toekomst van voedselvoorziening en voedselzekerheid, gezondheid, duurzame ontwikkeling, energie en veiligheid.

6
New cards

Wat bestuderen wetenschappers binnen de natuurwetenschappen?

Natuurverschijnselen.

7
New cards

Welke andere natuurwetenschappen worden naast biologie genoemd?

Scheikunde, natuurkunde en geologie.

8
New cards

Welke drie overgangsgebieden tussen biologie en andere natuurwetenschappen worden genoemd?

Biochemie, biomedische wetenschappen en paleontologie.

9
New cards

Wat verstaat men onder een context voor het vak biologie?

Een situatie waarin biologie een rol speelt.

10
New cards

Noem twee voorbeelden van biologische contexten uit de tekst.

De invloed van biotechnologie op de ontwikkeling van nieuwe voedingsgewassen en de rol van plantengroei in een tropisch regenwoud bij het vastleggen van koolstofdioxide.

11
New cards

Wat zijn organismen?

Levende wezens, zoals planten, dieren, schimmels en bacteriën.

12
New cards

Welke vier levensverschijnselen vertonen alle levende organismen?

Voortplanten, groeien, ontwikkelen en stofwisseling.

13
New cards

Wat betekent het begrip stofwisseling?

Alle chemische (scheikundige) reacties in een organisme.

14
New cards

Wanneer noem je een organisme 'dood'?

Als het geen levensverschijnselen meer vertoont.

15
New cards

Wat betekent het begrip 'levenloos' en welke voorbeelden worden genoemd?

Dingen in de natuur die nooit hebben geleefd, zoals water, zuurstof, koolstofdioxide en gesteenten.

16
New cards

Wanneer begint en eindigt de unieke levensloop van een individueel organisme?

De levensloop begint direct na het ontstaan van het organisme en eindigt met de dood van het individu.

17
New cards

Wat gebeurt er tijdens de ontwikkeling van een organisme?

Er treden veranderingen op in de bouw en het functioneren van het organisme of van bepaalde delen ervan.

18
New cards

Wanneer behoren individuen tot dezelfde soort?

Als zij zich onderling kunnen voortplanten en daarbij vruchtbare nakomelingen kunnen voortbrengen.

19
New cards

Wat is de levenscyclus van een soort?

Het geheel van dezelfde stadia die alle individuen van een soort tijdens hun levensloop doorlopen.

20
New cards

Wanneer eindigt de levenscyclus van een soort?

Alleen als de soort uitsterft.

21
New cards

Wat is de kleinste biologische eenheid?

Een molecuul.

22
New cards

Welk belangrijk molecuul bevat de erfelijke informatie van een organisme?

DNA.

23
New cards

Wat is een organel?

Een onderdeel in een cel met een bepaalde functie.

24
New cards

Wat is de definitie van een weefsel?

Een groep van een of meer verschillende celtypen die een gemeenschappelijke functie hebben.

25
New cards

Wat is een orgaan?

Een deel van een organisme met een specifieke bouw en functie, gevormd door verschillende weefsels bij elkaar.

26
New cards

Wat is een orgaanstelsel?

Een groep organen die samen een bepaalde functie uitoefenen.

27
New cards

Welke twee organen worden specifiek genoemd als onderdeel van het ademhalingsstelsel?

De longen en de luchtpijp.

28
New cards

Wat is een populatie?

Een groep individuen van dezelfde soort die in een bepaald gebied leeft en zich onderling voortplant.

29
New cards

Wat is een levensgemeenschap?

Alle verschillende populaties die in een gebied samenleven.

30
New cards

Wat is een ecosysteem?

Een min of meer begrensd gebied waarvan een levensgemeenschap en de niet-levende natuur deel uitmaken.

31
New cards

Wat behoort bijvoorbeeld tot de niet-levende natuur in een ecosysteem?

De temperatuur en de hoeveelheid zonlicht.

32
New cards

Wat vormt het geheel aan ecosystemen op aarde?

Het systeem aarde.

33
New cards

Wat is een emergente eigenschap?

Een nieuwe eigenschap die ontstaat op een hoger organisatieniveau en die er op het lagere organisatieniveau niet is.

34
New cards

Waarvan is het woord 'emergent' afgeleid en wat betekent het?

Van het Engelse werkwoord 'to emerge', wat 'tevoorschijn komen' betekent.

35
New cards

Hoe illustreert een cel het concept van een emergente eigenschap?

Eén enkel molecuul leeft niet, maar door de interactie tussen alle moleculen ontstaat een levende cel.

36
New cards

Welke emergente eigenschap verschijnt op het niveau van het organisme door samenwerking van spieren, zenuwen, beenderen, ogen en hersenen?

Lopen.

37
New cards

Wat is de functie van het middenrif?

Het scheidt de romp in de borstholte en de buikholte en is betrokken bij de ademhaling.

38
New cards

Noem drie voorbeelden van verschillende celsoorten bij meercellige organismen die tijdens de ontwikkeling ontstaan.

Huidcellen, zenuwcellen en beencellen.

39
New cards

Wat is de functie van dekweefsel?

Het bekleedt en beschermt inwendige en uitwendige lichaamsoppervlakken.

40
New cards

Wat is slijmvlies en waar komt het voor?

Een beschermend type dekweefsel dat holle organen bekleedt, zoals het darmkanaal, de longen en de binnenkant van de mond (wangslijmvlies).

41
New cards

Wat is de opperhuid?

De bovenste laag van de huid, wat een type dekweefsel is.

42
New cards

Wat zijn twee gemeenschappelijke kenmerken van dekweefselcellen?

Ze zijn vaak rechthoekig en liggen heel dicht tegen elkaar aan.

43
New cards

Waar in het lichaam vind je zenuwweefsel?

In de organen van het zenuwstelsel: in de hersenen, het ruggenmerg en de zenuwen.

44
New cards

Uit welke twee soorten cellen bestaat zenuwweefsel?

Zenuwcellen en gliacellen.

45
New cards

Wat is de functie van zenuwcellen en welke bouw ondersteunt dit?

Ze geven informatie door en bezitten daarvoor sterk vertakte uitlopers die een netwerk vormen.

46
New cards

Wat is een van de functies van gliacellen?

Ze voorzien zenuwcellen onder andere van voeding.

47
New cards

Wat is het kenmerk en de functie van spierweefsel?

Het bestaat uit cellen die kunnen samentrekken en zo beweging mogelijk maken.

48
New cards

Wat bevindt zich bij veel weefsels tussen de cellen wanneer ze niet direct tegen elkaar aan liggen?

Tussencelstof.

49
New cards

Welk onderdeel bij plantencellen bestaat uit tussencelstof en dient ter versteviging?

De celwand.

50
New cards

Wat zijn de functies van bindweefsel bij een dier?

Het geeft steun en vorm aan afzonderlijke organen, verbindt lichaamsdelen onderling en vult ruimten tussen organen op.

51
New cards

Wat voor vezels tref je veel aan in pezen?

Veel stevige vezels.

52
New cards

Welk type vezel bevindt zich veel in de wand van grote slagaders?

Elastische vezels.

53
New cards

Welke rol spelen netwerkvormende vezels in organen zoals de lever en de milt?

Ze geven ondersteuning aan deze organen.

54
New cards

Welke twee componenten bevinden zich tussen de cellen in beenweefsel?

Kalkzouten en collageenvezels.

55
New cards

Welke functie hebben kalkzouten in beenweefsel?

Ze geven stevigheid aan beenweefsel.

56
New cards

Wat is de functie van collageenvezels in beenweefsel?

Het zijn lijmvormende vezels die zorgen voor samenhang en elasticiteit, waardoor het weefsel minder snel breekt.

57
New cards

Wat bevindt zich in de kanaaltjes in beenweefsel?

Bloedvaten en zenuwen.

58
New cards

Hoe is kraakbeenweefsel microscopisch opgebouwd?

Uit veel tussencelstof waarin groepjes van twee of drie cellen tegen elkaar aan liggen.

59
New cards

Waarom is kraakbeenweefsel elastisch en buigzaam?

Omdat de tussencelstof minder kalkzouten en meer collageenvezels bevat, waardoor het enigszins kan vervormen.

60
New cards

Hoe zijn de beenbalkjes in de kop van een dijbeen georiënteerd?

In de richtingen waarin de grootste krachten op het bot worden uitgeoefend.

61
New cards

Wat is het functionele voordeel van de bouw van het dijbeen met beenbalkjes en beenmerg?

Dijbeenderen zijn zo licht mogelijk zonder dat dit ten koste gaat van de stevigheid, waardoor lopen minder energie kost.

62
New cards

Welk voordeel biedt de gewelfde vorm van de beenderen in de voeten?

Ze zijn goed in staat het gewicht van het lichaam te dragen en schokken op te vangen.

63
New cards

Wat is een stroomlijnvorm en wat is het voordeel hiervan voor waterdieren?

Een lichaamsvorm waarbij kop, romp en staart geleidelijk in elkaar overgaan, waardoor er weinig weerstand van het water wordt ondervonden.

64
New cards

Welk technisch vaartuig maakt gebruik van een gestroomlijnde vorm om waterweerstand te verminderen?

Een duikboot.

65
New cards

Wat ontdekte Robert Hooke in 1665 aan een stukje kurk met zijn microscoop?

Dat kurk uit kleine hokjes bestaat, die hij cellen noemde.

66
New cards

Hoeveel keer kon de microscoop van Robert Hooke vergroten?

30×30\times

67
New cards

Hoeveel keer kon de microscoop van Antoni van Leeuwenhoek vergroten?

266×266\times

68
New cards

Wat kon Antoni van Leeuwenhoek als eerste mens waarnemen dankzij zijn microscoop?

Micro-organismen.

69
New cards

Welke artsen/onderzoekers bestuderen in ziekenhuislaboratoria cellen en weefsels met behulp van microscopen?

Klinisch pathologen.

70
New cards

Wat is het vergrotingbereik van de meeste microscopen op school?

400×400\times tot 600×600\times

71
New cards

Hoe reken je de totale vergroting van een microscoop uit?

Door de vergroting van het oculair te vermenigvuldigen met de vergroting van het objectief.

72
New cards

Wat is de totale vergroting als het oculair 10×10\times vergroot en het objectief 40×40\times vergroot?

400×400\times

73
New cards

Wat is een lichtmicroscoop?

Een microscoop waarbij licht door het preparaat valt.

74
New cards

Waaruit bestaat het celmembraan voor het grootste deel?

Uit vetmoleculen (fosfolipiden).

75
New cards

Waarom behoort een plantaardige celwand niet tot de cel?

Omdat deze bestaat uit tussencelstof die buiten de cel ligt.

76
New cards

Welke stof bevat de celwand van planten onder andere ter versteviging?

Cellulose.

77
New cards

Waaruit bestaat het cytoplasma (celplasma)?

Uit grondplasma met daarin allerlei organellen.

78
New cards

Waaruit bestaat grondplasma?

Uit water en opgeloste stoffen.

79
New cards

Welke structuur vormt de buitenste begrenzing van de celkern?

Het kernmembraan.

80
New cards

Wat is de grote centrale vacuole en waardoor wordt deze begrensd?

Een met vacuolevocht gevulde ruimte in een plantencel, omgeven door het vacuolemembraan.

81
New cards

Welke twee functies kan de centrale vacuole bij een plantencel hebben?

Stevigheid geven aan de cel en het bevatten van kleurstoffen die kleur geven aan bloemen en vruchten.

82
New cards

Welke drie typen plastiden kunnen voorkomen in het cytoplasma van plantencellen?

Chloroplasten (bladgroenkorrels), chromoplasten (kleurstofkorrels) en leukoplasten.

83
New cards

Welke kleurstof bevatten chloroplasten?

Groene kleurstoffen (chlorofyl).

84
New cards

Welke drie kleurstoffen kunnen in chromoplasten voorkomen?

Gele (xanthofyl), oranje (caroteen) en rode kleurstoffen.

85
New cards

Wat is de functie van leukoplasten en geef een voorbeeld.

Het opslaan van stoffen zoals vet, zetmeel en eiwit; bijvoorbeeld zetmeelkorrels.

86
New cards

Welke overgang van plastiden vindt plaats tijdens het rijpen van een tomaat?

Chloroplasten gaan over in chromoplasten.

87
New cards

Wat zijn intercellulaire ruimten bij planten en waarmee zijn ze gevuld?

Plaatsen waar plantaardige cellen niet helemaal op elkaar aansluiten, gevuld met lucht of vocht.

88
New cards

Hoe werkt een transmissie-elektronenmicroscoop (TEM)?

Een elektronenbundel gaat door het object heen, waarna onder in de microscoop een beeld ontstaat op een speciaal scherm.

89
New cards

Hoe werkt een rasterelektronenmicroscoop (SEM)?

Het object wordt afgetast met een elektronenbundel en het object weerkaatst de elektronen, waardoor een beeld ontstaat.

90
New cards

Wat is het verschil in diepte tussen het beeld van een TEM en dat van een SEM?

Het beeld van een TEM heeft geen diepte, terwijl het beeld van een SEM wel diepte heeft.

91
New cards

Waaruit bestaan chromosomen in het kernplasma?

Uit lange moleculen DNA die rond een aantal eiwitten zijn gewikkeld.

92
New cards

Welke rol spelen eiwitten met betrekking tot erfelijke eigenschappen?

Ze bepalen de erfelijke eigenschappen van een organisme, zoals de bouw en functie van een cel, oogkleur en bloedgroep.

93
New cards

Wat is het kernlichaampje en wat gebeurt daar?

Een structuur in het kernplasma waar delen van ribosomen worden gemaakt.

94
New cards

Wat is de functie van een kernporie?

Het regelen van het transport van stoffen in en uit de celkern.

95
New cards

Wat is de taak van ribosomen in de cel?

Zij maken eiwitten (eiwitsynthese) met behulp van de informatie die is vastgelegd in het DNA.

96
New cards

Hoe is het endoplasmatisch reticulum (ER) gebouwd?

Als een uitgebreid netwerk van dubbele membranen met afgeplatte holten en kanaaltjes dat aansluit op het kernmembraan.

97
New cards

Wat is het verschil tussen ruw endoplasmatisch reticulum (RER) en glad endoplasmatisch reticulum (GER)?

Op het membraan van het RER komen ribosomen voor, terwijl het GER geen ribosomen heeft.

98
New cards

Wat is de functie van het glad endoplasmatisch reticulum (GER)?

Het speelt een rol bij de stofwisseling in de cel, zoals bij de productie van vetten of het afbreken van gifstoffen.

99
New cards

Wat is de functie van het ruw endoplasmatisch reticulum (RER)?

Het transporteert eiwitten en verpakt ze in blaasjes die worden afgesnoerd naar het golgisysteem.

100
New cards

Hoe is het golgisysteem opgebouwd en wat is de functie ervan?

Het bestaat uit series opeengestapelde platte membranen die eiwitmoleculen bewerken tot hun definitieve vorm en ze in blaasjes afsnoeren.