1/39
Woordenlijst-flitskaarten gebaseerd op het lesmateriaal van Graduaat Basisverpleegkunde over visie, klinisch redeneren, anatomie, fysiologie, infectiepreventie, huidzorg en beroepsgeheim.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai | Chat |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
Klinisch redeneren
Het continue proces van gegevensverzameling en analyse gericht op de vragen en problemen van een individu en diens naasten, in relatie tot ziekte en gezondheid.
Verpleegtechniek
Een op punt gestelde werkwijze en procedure die door verschillende personen wordt gehanteerd met als doel de handeling zo efficiënt mogelijk uit te voeren.
Anamnesegesprek
Een gericht opnamegesprek (ook wel intakegesprek of assessment genoemd) waarin klachten, voorgeschiedenis en gewoonten van de zorgvrager systematisch worden bevraagd.
Standaardverpleegplan
Een vooraf opgesteld zorgplan met geformaliseerde richtlijnen, doelen en verpleegkundige acties voor een specifieke categorie zorgvragers met gemeenschappelijke verpleegproblemen.
Gezondheidspatronen van Gordon
Een gestructureerd systeem van elf functionele patronen om patiëntengegevens te verzamelen en het normale en disfunctionele functioneren van een zorgvrager te beoordelen.
Kerntemperatuur
De temperatuur rond de vitale organen van het lichaam, die slechts licht schommelt en zich situeert tussen 36,5 °C en 37,5 °C.
Schiltemperatuur
De temperatuur in oppervlakkige weefsels zoals de subcutis en de huid, die varieert om de kerntemperatuur constant te houden.
Thermoregulatiecentrum
Het centrum in de hersenen dat de lichaamstemperatuur bewaakt en zorgt dat warmteproductie en warmteafgifte in evenwicht zijn.
Koorts
Een gecontroleerde stijging van de lichaamstemperatuur boven 38 °C, ingesteld door het thermoregulatiecentrum als verdedigingsreactie tegen infecties.
Resorptiekoorts
Koorts die optreedt als reactie op weefselbeschadiging, zoals na een chirurgische ingreep.
Hypothermie
Een verlaagde kerntemperatuur van het lichaam van minder dan 35 °C.
Hyperthermie
Een ongecontroleerde stijging van de lichaamstemperatuur waarbij het thermoregulatiecentrum niet meer in staat is om het warmte-evenwicht te bewaren.
Semipermeabel celmembraan
Een halfdoorlaatbare celwand die kleine moleculen (zoals water en zouten) doorlaat, maar grote moleculen (zoals suikers) niet zomaar doorlaat.
Homeostase
Het behouden van een evenwichtig samengesteld extracellulair milieu rond de cellen (met voldoende voedingsstoffen, zuurstof, correcte zoutconcentraties en pH-waarde).
Dendriet
Een korte aanvoerende vezel van een zenuwcel die een prikkel naar het cellichaam brengt.
Axon
Een lange afvoerende vezel van een zenuwcel die de prikkel wegvoert van het cellichaam naar een volgende cel of spier.
Ossa
De medische term voor botten of beenderen, waarvan het menselijk skelet er 206 telt.
Periost
Het beenvlies dat de buitenkant van botten bedekt en bloedvaten en zenuwen bevat voor de voeding van het bot.
Articulatio
De medische benaming voor een gewricht, oftewel een beweeglijke verbinding tussen twee beenstukken.
Orthopedie
De medische specialisatie die zich bezighoudt met aandoeningen van het bewegingsstelsel.
Traumatologie
De medische specialisatie die zich specifiek bezighoudt met letsels en verwondingen veroorzaakt door een ongeval of door geweld.
Skin tear
Een traumatische wonde (niet dieper dan de subcutis) veroorzaakt door mechanische krachten, waarbij de epidermis loskomt van de dermis of de dermis van de subcutis.
Decubitus
Beschadiging van de huid en/of onderliggend weefsel als gevolg van druk of een combinatie van druk en schuifkrachten.
Ischemie
Plaatselijk tekort aan zuurstof en bloedtoevoer in een weefsel veroorzaakt door belemmering van de bloedsomloop.
Necrose
Het afsterven van weefsel als gevolg van een langdurig tekort aan zuurstof of ernstige beschadiging.
Incontinentie-geassocieerde dermatitis (IAD)
Een oppervlakkig vocht-geassocieerd huidletsel veroorzaakt door langdurig of frequent contact van de huid met urine en/of stoelgang.
Intertrigo
Een vocht-geassocieerd smettingsletsel in huidplooien veroorzaakt door opgestapeld en verweekt transpiratievocht.
Reinigen
Het mechanisch verwijderen van zichtbaar vuil en het verminderen van micro-organismen met water en een reinigingsmiddel.
Ontsmetten
Het gedeeltelijk doden van micro-organismen tot een niveau waarop de resterende kiemen meestal niet meer ziekmakend zijn.
Steriliseren
Het volledig doden of kiemvrij maken van alle micro-organismen op materialen of voorwerpen.
Transiënte huidflora
Tijdelijke micro-organismen die door fysieke aanraking op de huid terechtkomen en kortstondig overleven.
Residente huidflora
Blijvende micro-organismen die van nature op de huid en in poriën leven en bescherming bieden tegen ziekteverwekkers.
Beroepsgeheim
De wettelijke en ethische plicht tot geheimhouding van vertrouwelijke informatie die een zorgverlener uit hoofde van zijn beroep te weten komt.
Gedeeld beroepsgeheim
Het uitwisselen van noodzakelijke vertrouwelijke gegevens tussen zorgverleners die rechtstreeks betrokken zijn bij de behandeling van dezelfde zorgvrager.
Acceptatie (Rogers)
Een grondhouding waarbij de zorgverlener de zorgvrager onvoorwaardelijk aanvaardt en in zijn waarde laat zoals hij is, zonder voorwaarden te stellen.
Empathie (Rogers)
Het vermogen om zich in te leven in de situatie en de belevingswereld van de zorgvrager en diens innerlijke gevoelens te begrijpen en te benoemen.
Echtheid (Rogers)
Het in evenwicht brengen van het 'echte-ik' en het professionele 'rol-ik', waarbij de zorgverlener oprecht en congruent communiceert.

Vijf momenten voor handhygiëne
De indicaties voor handontsmetting: 1. Vóór patiëntencontact; 2. Vóór een zuivere/invasieve handeling; 3. Na blootstelling aan lichaamsvochten of slijmvliezen; 4. Na patiëntencontact; 5. Na contact met de directe patiëntenomgeving.

ISTAP-classificatie voor skin tears
Indeling van skin tears in Type 1 (geen verlies van huidflap), Type 2 (gedeeltelijk verlies van de huidflap) en Type 3 (volledig verlies van de huidflap).

Drukpunten van het lichaam
Beenderige uitsteeksels dicht onder de huid (zoals achterhoofd, schouderbladen, ellebogen, heiligbeen, heupen en hielen) waar het risico op decubitus het hoogst is.