1/183
Looks like no tags are added yet.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai | Chat |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
samenstelling zenuwweefsel
neuronen met uitlopers (axonen en dendrieten = neurieten)
gliacellen
bindweefsel
meningen (hersenvliezen) in CZS
endoneurium, perineurium en epineurium in PZS
opbouw neuron
cellichaam = perikaryon = soma
dendriet (afferent)
axon (efferent)
multipolair neuron
meerdere dendrieten
1 axon
meest voorkomend in CZS
bipolaire neuronen
1 dendriet
1 axon
vb. staafjes en kegeltjes in retina
unipolaire neuronen
1 axon uitloper → splitst in 2
1 splitsing naar perifeer
1 splitsing naar CZS
vb. in spinale ganglia
opvallende kenmerken cellichaam/perikaryon/soma
grote kern met veel chromatine
sterk ontwikkeld RER georganiseerd in Nisslse lichaampjes
Golgi-apparaat (in tegenstelling tot neurieten)
microtubuli/neurotubuli
intermediaire/neurofilamenten
specifieke kenmerken dendrieten
vertakkingen (worden steeds dunner)
uitstulpingen bij synaptisch contact (= gemmulae/dendritic spines)
RER, microtubuli en neurofilamenten
specifieke kenmerken axonen
ontstaat uit axonheuvel/axon hillock op perikaryon
geen RER (zowel axon als axonheuvel)
vertakt aan uiteinde = telodendria
telodendria hebben presynaptische eindknop = bouton terminal
transport in axonen
anterograad:
vesikels en macromoleculen uit cellichaam
ahv kinesine
retrograad:
macromoleculen opgenomen door endocytose
ahv dyneïne
ahv microtubuli
0.5-4 cm/dag (snel)
axonaal transport:
paar mm/dag (traag) → voor axonale groei
gliacellen in het CZS
astrocyten, oligodendrocyten, ependymcellen (neurectoderm)
microgliacellen (mesoderm)
gliacellen in het PZS
Schwann-cellen en satellietcellen (neurectoderm)
kenmerken oligodendrocyten
klein
korte uitlopers → gaan over in een myelineschede (rond axon)
frequentste gliacel in witte stof vh CZS
kern met veel heterochromatine omgeven door witte rand van helder cytoplasma
kenmerken astrocyten
stervormig
frequentste gliacellen vh CZS
vullen ruimtes tss neuronen en bloedvaten
vormen samen met neurieten de neuropil (fibrillaire matrix tss cellichamen van neuronen)
bevat uit GFAP bestaande intermediaire filamenten
types astrocyten
protoplasmatische astrocyten
grijze stof
korte, brede, sterk vertakkende uitlopers
fibreuze astrocyten
witte stof
weinig uitlopers
fijne, lange uitlopers
GFAP
glial fibrillary acidic protein
→ kenmerken voor astrocyten
functies astrocyten
regulatie vd extracellulaire ionenconcentratie rond neuronen
transport van metabolieten tussen neuronen en capillairen
metabolisatie van glutamaat en GABA tot glutamine
voorlopers v astrocyten zijn in embryogenese belangrijke transporters
eindvoetjes vd astrocyten vormen samen met basale membraan en de endotheelcellende blood-brain barrier
regulatie vd formatie, functie en plasticiteit van synapsen in het CZS
vormt membrana limitans gliae superficialis in de pia mater vd oppervlakkige cortex
littekenvorming (=gliosis)
kenmerken ependymcellen
cuboïdaal tot columnair
aflijning v ventrikels en ependymkanaal
bevatten soms trilharen (flow v CSV)
bevatten soms microvilli (absorptie)
verschil m epitheel
geen basale membraan
uitlopers die basaal vermengen met andere uitlopers in naburige neuropil
kenmerken plexus choroideus
bloedvatennetwerk dat tussenkomt in vorming v CSV
stulpt uit in ventrikels
instulping vd pia mater
aflijning door cuboïdale ependymcellen (= choroidplexuscellen) die apicaal microvilli bevatten
villi (granulationes) arachnoidales
uitstulpingen vd arachnoidea in de dura mater
functie: absorptie v CSV naar de veneuze circulatie
kenmerken microgliacellen
klein
onregelmatige uitlopers
veel lysosomen
functie: fagocyteren v vreemd materiaal
secreteren immunoregulatorische cytokines → spelen een rol in immuunsysteem vh CZS
kunnen migreren doorheen CZS
verliezen bij activatie hun uitlopers en kunnen zich delen
locatie Schwann-cellen
omgeven gemyeliniseerd en niet-gemyeliniseerde axonen in het PZS
satellietcellen
klein
omgeven de celkernen in de ganglia
ganglia
concentraties van perikarya buiten het CZS
opdeling: spinaal, craniaal en autonoom
meestal omgeven door een bindweefselkapsel
satelliet- of kapselcellen omgeven door basaal membraan
buiten basaal membraan ook losmazig bindweefsel met capillairtjes en zenuwvezels
opbouw gemyeliniseerde vezels PZS
myelineschede bevindt zich rond de axon en wordt omgeven door Schwann-cellen (discontinu)
basaal membraan perifeer vd Schwann-cellen (continu)
kenmerken knopen van Ranvier
inkepingen in basaal membraan tussen de Schwann-cellen
geen myelinehuls
interdigiterende uitlopers vd naburige Schwann-cellen
kleine zwelling in het axon → contact tss axonmembraan en de uitlopers vd Schwann-cel
paraxonale ruimte knopen v Ranvier
intercellulaire spleet tussen het axon en de Schwann-cel
internodium
de afstand tussen twee knopen van Ranvier
300-500 micrometer
vorming myeline PZS
Schwann-cel omgeeft het axon
meerdere lagen Schwann-celcytoplasma en -membraan omgeven het axon in spiraalvormige banen
het cytoplasma verdwijnt tussen de lagen celmembraan en de extracellulaire ruimte (gebeurt niet thv knopen v Ranvier)
periodische lijnen myelineschede PZS
= major dense lines
fusie van de dikke laag intracellulaire membraangebonden proteïnen
intraperiodische lijnen myelineschede PZS
fusie van de dunne laag extracellulaire membraangebonden proteïnen
kenmerk niet-gemyeliniseerde vezel PZS
omgeven door 1 Schwann-cel met centrale kern die zich plooit rond meerdere dunne axonen
opbouw gemyeliniseerde vezel CZS
uitlopers van 1 oligodendrocyt myeliniseren meerdere axonen
oppervlak vd oligodendrocyten is niet bedekt met een basale membraan
ook knopen v Ranvier
kenmerken niet-gemyeliniseerde axonen CZS
liggen volledig naakt (geen Schwann-cellen)
inhoud vd witte stof vh CZS
vezels en gliacellen
inhoud vd grijze stof vh CZS
vezels, gliacellen en perikarya
opbouw en functie endoneurium
longitudinaal lopende collageenvezels
fibroblasten
capillairtjes
afwezig in CZS
endotheelcellen die endoneurale capillairen aflijnen zijn verbonden via tight junctions → vormen blood-nerve barrier
endoneurium scheidt zenuwvezels van elkaar
opbouw en functie perineurium
concentrische lagen perineurale cellen
→ verbonden via tight junctions → vormen blood-nerve barrier
perineurium omgeeft een zenuwbundel/fasciculus
opbouw en functie epineurium
bindweefsel
bloedvaten (vasa nervorum)
vetweefsel
epineurium zit tussen en rond zenuwbundels
interneuronale synaps
tussen twee neuronen
axodendritische synapsen
axosomatische synapsen
axo-axonale synapsen
soorten neuro-effectorsynapsen
tussen een neuron en een effectorcel
myoneuraal → tussen axon en spiervezel
neuroglandulair → tussen axon en kliercel
neuroreceptor → afferente axon uiteindes (ofwel vrij ofwel ahv eindlichaampjes)
zetten stimuli om tot zenuwimpulsen en geven die door naar het CZS
neuromusculaire junctie gestreepte spiercellen
motorische zenuwvezels vertakken op het einde om meerdere spiervezels te bezenuwen
ongemyeliniseerd
bedekt door Schwann-cellen (basaal membraan gaat over in dat van de spiervezel)
sterk gedilateerde eindknopjes (met ACh)
thv de spier zowel primaire (ruimte tss neuron en spiervezel) en secundaire (inkepingen vd spiervezel) synaptische spleet
motorische eenheid / motor unit
groep van dwarsgestreepte spiervezels, bezenuwd door één zenuwvezel
neuromusculaire junctie gladde spiercellen
nexuscontacten (gap junctions) tussen gladde spiercellen maken onderlinge overdracht v prikkels mogelijk
vesikels bevatten ACh of noradrenaline
axonen zijn niet-gemyeliniseerd
neuronen die bij volwassenen nog kunnen gegenereerd worden
granulaire cellaag vd bulbus olfactorius
gyrus dentatus vd hippocampus
olfactorische epitheelcellen
Walleriaanse degeneratie
macrofagen degenereren beschadigde axonen en myeline tot aan de volgende knoop v Ranvier
→ geen afbraak v Schwann-cellen
regeneratie in CZS
NIET MOGELIJK!
→ beschadigde oligodendrocten zetten een factor vrij die axonale groei inhibeert
→ Schwann-cellen in PZS maken neurotrofe factoren die axonale regeneratie stimuleren
regeneratie in PZS
Walleriaanse degeneratie
terug toename v Nisslse substantie en inkrimpen vh perikaryon
na 3 weken groeien axonen terug in banden v Büngner (+- 1mm/dag)
na enkele maanden is neuron teruggegroeid en zullen ook spiercellen (die geatrofieerd waren) terug herstellen
chromatolysis
verlies vd Nisslse substantie bij beschadiging van een axon → gaat gepaard met zwellen vh perikaryon
banden v Büngner
kolommen van prolifererende Schwann-cellen
→ vormen omhulsel waarin axonen regenereren
amputatieneuroom / traumatisch neuroom
fenomeen bij amputaties of grote onderbrekingen van zenuwvezels waarbij wanordelijke proliferatie van Schwann-cellen plaatsvindt met ertussen takjes v axonen die proberen te regenereren
opdeling cerebrale cortex
allocortex (10%)
archicortex → 3-lagig
hippocampus
gyrus dentatus
paleocortex → 3-5 lagig
reukcortex
neocortex (90%) → 6-lagig
alle lagen bevatten gliacellen en axonen van afferente zenuwvezels waarvan de cellichamen ergens anders in het CZS liggen
cortex is columnair opgedeeld → bij prikkeling v 1 cel wordt de volledig kolom geprikkeld
indeling van Brodmann
opdeling vd cortex in 52 area’s obv neurontype, aantal neuronen en specifieke schikking
→ microscopisch niet allemaal te onderscheiden
wel te onderscheiden:
area 4 = primaire motorische cortex = gyrus precentralis
area 17 = primaire visuele cortex = rond sulcus calcarina
laag 1 vd neocortex
= moleculaire laag = lamina molecularis / plexiformis
vlak onder pia mater
cel-arm
vezels lopen parallel met het oppervlak
vnl horizontale cellen van Cajal (neuronen)
horizontaal lopend axon
synaptisch contact m dendrieten vd piramidale cellen
laag 2 vd neocortex
= buitenste granulaire laag = lamina granularis externa
kleine piramidale cellen
apicale dendrieten → lopen naar het hersenoppervlak
lateraal: horizontale dendrieten
basaal: axonen die dieper in de cortex lopen
stellaire cellen
laag 3 vd cortex
= buitenste piramidale laag = lamina pyramidalis externa
middelgrote piramidale cellen
axon naar witte hersenstof
cellen van Martinotti
kleine, multipolaire cellen
korte dendrieten
axon richting laag 1 → T-vormige vertakking
vertakkingen lopen horizontaal
laag 5 vd cortex
= binnenste piramidale laag = lamina pyramidalis interna
grote piramidale cellen
sterk ontwikkeld in aantal en afmeting in de primaire motorische cortex (= cellen van Betz)
zijn uppermotorneuronen → sturen signalen naar het ruggenmerg om beweging te initiëren
interne band van Baillarger = horizontaal verlopende axonen
laag 4 vd cortex
= binnenste granulaire laag = lamina granularis interna
compact in stellaire cellen
veel horizontale axonen
vormen dense band = externe band van Baillarger → prominent in primaire visuele cortex (= stria van Gennari)
laag 6 vd cortex
= multiforme / polymorfe laag = lamina multiformis
kleine piramidale cellen
stellaire cellen
cellen van Martinotti
fusiforme cellen
loodrecht op hersenschors georiënteerd
axon ontspringt zijdelings en loopt naar lamina 1
opbouw witte stof cerebrum
zenuwvezels in meerdere richtingen = subcorticale witte stof
vezels in eenzelfde richting = tractus/bundel
associatievezels
verbinden verschillende corticale zones binnen dezelfde hemisfeer
commissurale vezels
verbinden gelijkaardige zones van twee hemisferen
projectievezels
verbinden de cortex met subcorticale gebieden
tangentiële vezels
zijn radiaal gericht tov de cortex (staan loodrecht en verspreiden zich in dat vlak)
vb. banden v Baillarger
hippocampale formatie
= gyrus parahippocampalis, subiculum, hippocampus en gyrus dentatus
hippocampus = cornu ammonis
cortex vd hippocampus en de amygdala = subcorticale structuur vh limbisch systeem (maar dus eig een omgeplooide schorsformatie)
cellagen vd hippocampus
archicorticale cytoarchitectuur → 3 cellagen
moleculaire laag
piramidale laag
polymorfe/multiforme laag
→ verschil in gyrus dentatus: piramidale = granulaire
verschillende hippocampale zones obv variaties in neuronen en vezelbanen → CA1, CA2, CA3, CA4 (in hilus vd gyrus dentatus)
cellagen vh subiculum en gyrus parahippocampalis
= paleocortex (3-5 lagen)
alveus
dun laagje witte stof die de hippocampus bedekt
→ bevatten projectievezels vd piramidale cellen vd hippocampus en het subiculum
→ vezels lopen verder in de fimbria fornicis en zo naar de fornix
intrinsieke connecties hippocampale formatie
perforant path verbindt neuronen vd entorhinale cortex met de korrelcellen vd gyrus dentatus
axonen vd korrelcellen (=mosvezels) maken synaps met dendrieten vd piramidale cellen vd CA3 sector vd hippocampus
piramidale cellen zenden axonen naar de fornix en collateralen naar piramidale cellen in CA1 (= Schäffer-collateralen)
CA1-piramidale cellen projecteren naar het subiculum
neuronen vh subiculum projecteren naar de entorhinale cortex
perforant path vertrekt vanuit de entorhinale cortex naar de gyrus dentatus
= een gesloten lus = continue pathway
→ belangrijk voor kortetermijngeheugen
→ leidt tot long-term potentiation (LTP)
entorhinale cortex
rostraal deel vd gyrus parahippocampalis (area 28)
associatiecortex vd reukindrukken
6-lagig maar toch allocortex
extrinsieke connecties hippocampale formatie
efferent systeem:
piramidale cellen vd hippocampus en subiculum → projectie naar thalamus, hypothalamus en amygdala
fornix is hierbij een belangrijke wittestofbaan
plooien in cerebellum
= folia (ipv gyri)
veelvuldiger maar oppervlakkiger dan in cerebrum
laag 1 vd cerebellaire cortex
= moleculaire laag / stratum moleculare
cel-arm
korfcellen (basket cells)
stellaire cellen (outer stellate cells)
meest oppervlakkig
beide cellen zijn inhiberende interneuronen → maken synaps met Purkinje-cellen
laag bevat uitlopers v dieper gelegen cellen
Purkinje-cellen
granulaire cellen
Golgi-cellen
laag 2 vd cerebellaire cellaag
= purkinje cellaag (stratum ganglionare)
Purkinje cel
bipolair neuron
perikarya vd verschillende cellen liggen in 1 laag regelmatig naast elkaar geschikt
dendrieten vertakken in het stratum moleculare
excitatorische input v parallelle vezels vd granulaire cellen en klimvezels vd nucleus olivaris inferior
inhibitorische input uit stratum moleculare
1 fijn axon naar de kleine hersenkernen
laag 3 vd cerebellaire cortex
= granulaire laag /stratum granulare
dense laag
granulaire cellen
axonen naar moleculaire laag → synaps met Purkinje-cellen, stellaire cellen, korfcellen en Golgi-cellen
4-5 korte dendrieten
bijnaam ‘parallelle vezels’
synaps met witte stof vh cerebellum
Golgi-cellen
groter dan granulaire
lange dendrieten → lopen naar moleculaire laag
axonen vormen inhibitorische synapsen met dendrieten vd granulaire cellen (deel vd cerebellaire glomeruli)
excitatorische input vd parallelle vezels
cerebellaire glomeruli
synapsen tussen dendrieten v granulaire cellen, axonen vd golgi cellen en (mos)vezels afkomstig vh ruggenmerg en de hersenstam
klimvezels cerebellaire cortex
brengen proprioceptieve info naar Purkinje-cellen
perikarya liggen in de nucleus olivaris inferior
uitlopers (onvertakt) draaien als een klimplant rond het cellichaam en dendrieten vd Purkinje cel en zijn excitatorisch
mosvezels cerebellaire cortex
ontvangen proprioceptieve en motorische input en geven door via granulaire naar Purkinje-cellen (sterk convergerend)
excitatorisch
inhibitorisch circuit vd Purkinje-cellen
mosvezels stimuleren granulaire cellen
granulaire cellen vormen ahv parallelle vezels excitatorische synapsen met
dendrieten v Purkinje-cellen
dendrieten v korfcellen en stellaire cellen
axonen v korfcellen en stellaire cellen inhiberen Purkinje cellen
Inhibitorisch circuit vd granulaire cellen
parallelle vezels vd granulaire cellen dragen stimuli v mosvezels over op dendrieten vd Golgi-cellen
Golgi cellen maken inhibitorische synapsen m dendrieten vd granulaire cellen
excitatorische input op Purkinje-cellen
excitatorische synapsen ahv mosvezels
efferente vezels in cerebellaire cortex
= axonen vd Purkinje-cellen
projectie op diepe cerebellaire kernen
inhibitorische (GABA-erge) output
ook stimulatie (excitatie) vd diepe kernen ahv collateralen vd mos- en klimvezels
vormen hoofdlus
wordt beïnvloed door basiscircuit (daarom inhibitorische corticale zijlus)
long-term depression (LTD) in het cerebellum
gelijktijdige stimulatie van klimvezels en parallelle vezels → vermindering v Purkinje-celresponsen
= remming v inhibitie op diepe cerebellaire kernen
belangrijk bij motorische leerprocessen
opbouw ruggenmerg
centraal gelegen grijze stof omgeven door witte stof
centraal canalis spinalis (afgelijnd door ependymcellen)
inhoud grijze stof ruggenmerg
perikarya, gliacellen en zenuwvezels
inhoud witte stof ruggenmerg
gemyeliniseerde vezels en gliacellen
leptomeningen
verzamelnaam arachnoidea en pia mater
locatie en inhoud epidurale ruimte
tussen de dura mater en het periost van de wervels
bevat epidurale veneuze plexus, losmazig bindweefsel en vetweefsel
meningotheelcellen
= afgeplatte plaveiselsvormige cellen
lijnen de dura mater af tegen de subdurale ruimte
bedekken binnenste en buitenste oppervlak vd arachnoidea, de bindweefseltrabekels in de sub-arachnoïdale ruimte en het buitenste oppervlak vd pia mater → vormen ahv tight junctions en desmosomen de blood-brain barrier
inhoud arachnoidea
avasculair, collageenvezels, elastische vezels, fibroblasten en meningotheelcellen
tussen de trabekels lopen grote cerebrale arteries en venen
inhoud pia mater
collageenvezels, elastische vezels, fibroblasten en meningotheelcellen, bloedvaten
perivasculaire ruimte van Virchow-Robin
ruimte tussen bloedvaten die in hersenen dringen en de pia mater
opdeling oogwand
tunica fibrosa (buitenste oogrok)
tunica vasculosa (middelste oogrok/vaatvlies)
tunica nervosa (binnenste oogrok)
pars optica
pars ciliaris
pars iridis retinae
opbouw tunica fibrosa
cornea / hoornvlies
doorzichtig
buitenste deel
sclera
wit
achterste deel
5/6e vd oogbol
limbus
junctie tussen cornea en sclera
kapsel van Tenon
ligt perifeer rond de sclera
cornea
speelt belangrijkste rol in breking van lichtstralen
diameter v 1 cm
dikte v 1 mm
bevat glycosaminoglycanen (vooral in stroma)
→ zeer doorlatend voor licht
opbouw v buiten naar binnen:
cornea-epitheel
membraan v Bowman
stroma
membraan v Descemet
endotheel
cornea-epitheel
meerlagig, niet-verhoornd plaveiselepitheel
onregelmatig oppervlak door microplicae (cytoplasmaplooien) → zorgt voor vasthouden v een traanfilm
avasculair
centraal gevoed vanuit kamervocht en perifeer door bloedvaten in de limbus
membraan v Bowman
= lamina limitans anterior
ligt onder basale membraan vh epitheel
is eigenlijk buitenste laag v stroma
geen cellen, vnl collageen
stroma vd cornea
= substantia propria
dikste laag vd cornea
opgebouwd uit bindweefsellamellen die loodrecht op elkaar geordend zijn
bevat fibroblasten (hier keratocyten genoemd), glycosaminoglycanen (voor lichtdoorlaatbaarheid)
avasculair
membraan v Descemet
= lamina limitans posterior
dikke laag endotheel en collageenfibrillen
sterk PAS-positief (bevat suikers)
endotheel cornea
hexagonale cellen verbonden ahv tight junctions
lijnt inwendig oppervlak vd cornea af
bevat vesikels → transport v ionen en vloeistoffen
synthese van membraan v Descemet
sclera
ondoorzichtige laag vd buitenste oogrok
dens collageneus bindweefsel
voortzetting vd dura mater
bevat lamina cribrosa = doorboring door n opticus-vezels
opbouw:
episclera
substantia propria
suprachoroidea/lamina fusca
middelste oogrok
= vaatvlies = uvea
voortzetting pia mater en arachnoidea v CZS
meest gevasulariseerd en gepigmenteerd vd ooglagen
opbouw
choroidea
corpus ciliare
iris
episclera
losmazig bindweefsel met veel bloedvaten
verbinding v sclera en kapsel van Tenon
substantia propria vd sclera
paralelle lagen dikke collageenvezels (ongeordend)
fibroblasten
elastische vezels
minder bloedvaten dan episclera
weinig glycosaminoglycanen (opaque)
suprachoroidea / lamina fusca
losmazig bindweefsel
veel melanocyten