1/30
Looks like no tags are added yet.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai | Chat |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
gen
een determinant of co-determinant van een kenmerk dat overgeërfd wordt
een functionele eenheid van DNA
locus
een unieke chromosomale locatie, dewelke de positie van een gen of DNA sequentie aangeeft
allelen
alternatieve versies van een gen of locus (bv A en a)
genotype
genetische samenstelling of de lijst van allelen op 1 bepaalde locus of een aantal loci van een individu: homozygoot, heterozygoot, hemizygoot
fenotype
de waargenomen eigenschap bij een organisme
Mendeliaanse kenmerken
genotype op 1 locus is voldoende en noodzakelijk voor de expressie van het kenmerk
= monogenic
→ Online Mendelian Inheritance in Man database
→ vaak eiwitcoderende sequenties
susceptibility genes
een genvariant die susceptibiliteit voor het fenotype bevat
bij dichotome kenmerken
QTL
quantative trait loci
bij ctu kenmerk
complex kenmerk
omgevingsfactoren en genen, multifactoriele oorzaak bepaald kenmerk
autosomale dominant
heterozygote drager krijgt fenotype
kenmerk in elke generatie
minstens 1 aangepaste ouder
man en vrouw evenveel kans
niet-aangetaste ouder dragen aandoening niet over
autosomaal recessief
heterozygoot → geen aandoening uiting in het fenotype
vaak ouders asymptomatische dragers
¼ herhalingsrisico
meestal is de broer of zus als meerdere mensen ook met aandoning
mannen en vrouwen gelijke kans
X-gebonden dominant
consistent tot expressie in vrouw
vrouwen zijn ziek bij 50/50 mutant-gezond, maar minder dan bij man
als 100% van de cellen normaal zijn, blijft de vrouw ook gezond
vaders geven enkel door aan dochter
meer vrouwen dan mannen ziek
X-gebonden recessief
komt niet tot expressie in vrouwelijke drager
bij 50/50 gezonde vrouw
manifesting heterozygote: vanaf bep hoeveelheid cellen die mutante x tot expressie brengt, ga je toch symptomen krijgen
vooral aangetaste man met asymptotische drager moeder
vaders geven enkel door aan dochters!!
lyonizatie
X-inactivatie, epigenetisch, erfelijk op dochtercel, niet op kind
→ vroege embryonale ontwikkeling → klonale expansie
→ Barr lichaampje (kan ook bij man met veel X) → exact 1 X actief in de cel
→ mozaïek
→ skewing: niet altijd 50/50 m en p X
→ DNA methyltransferase 1 kiest X →X-inactivatiecentrum op Xp13 → niet-coderend RNA X-inactivatie specifiek transcript komt tot expressie in het inactieve X → rekrutatie bv PRC1-Polyvomb complexen
→ 15% genen op X worden niet geactiveerd
fenocopy
niet het genotype, maar wel het fenotype door omgevingsfactoren
mitochondriale overerving
aangetaste moeder/ de novo mutatie
beide geslachten vatbaar
variabel
bias ascertainment
foute steekproef die niet representatief is voor de populatie
heterogeniteit

variabele expressie
verschillende graden of verschillende kenmerken van de aandoening bij aangetaste personen
geassocieerd met dominante kenmerken
andere genen op andere loci, omgeving, toeval
penetrantie = probabiliteit dat iemand met genotype ook het fenotype ontwikkelt → non-penetrants
late-onset ziektes
premutatie
bovenste limiet normale range → net zelf geen ziekte
anticipatie
de ziekte ontwikkelt zich op een steeds vroegere leeftijd/ neemt een meer ernstige vorm aan in opeenvolgende generaties
metabolische interventie

imprinting
enkel p of m allel tot expressie → modificaties eventueel bij doorgeven naar gameten
binding CTCF op ICR maternaal = insulator → zorgt ervoor dat enkel downstream tot expressie komt dus H19 wel en IGF2 niet
paternale methylatie ICR regelt concurrentie voor enhancer → H19 niet tot expressie komt, IGF2 wel
reden?
selfish gene theory
p → wil dat bevruchting lukt, ten koste van de latere potentiële nakomelingen van andere man
2x paternale genoom (2 sperma in 1 eicel, endomitose met 1 spermacel) →complete hydatitidiform moles → gezwollen van placenta door afwezigheid foetale vasculatuur die vocht opnemen uit m circulatie
m → gelijkheid voor al haar nakomelingen, wil nog bevrucht kunnen worden

Prader-Willi vs Angelman
Prader-Willi → obesitas, klein, retardatie, etc
mutatie op paternaal allel
deleletie op paterneel allel
UPD m
uniparatale desomie → blauwe golf niet tot expressie
imprinting defect (m deel)
Angelman syndroom → vrolijk, klein, retardatie
mutatie op m allel
deletie → functie UBE3A verlies en p niet tot expressie
p UDP
imprinting defect
Beckwith-Wiedemann syndrome
2x p (UPD) → 2x IGFP en CDKN1C → overgroei
mozaïcisme
postzygotische mutatie
twee of meer verschillende cellijnen afgeleid van eenzelfde mutatie
somatisch
gonodaal → doorgeven aan nakomelingen
gonosomaal: somatisch + gonodaal
revertant → terugmutatie naar normaal → groeivoordeel tov mutatie
overleven met normaal lethale ziektes soms
soms in irrelevante delen mutatie, vooral gedetecteerd als wel problematisch
maar deel cellen vormen epiblast
chimeras
fusie 2 zygoten die 1 embryo vormen
4 allelen voor 1 chromosoom
detectie mozaïcisme

polygen theorie
genetische bepaling kwantitatieve eigenschappen
Fisher → kenmerken met veel onafh Mendeliaanse factoren tezamen kunnen continue aard weergeven
DS Falconer → ook ditochome niet-Mendeliaanse karakters
hoemeer loci, hoe meer Gauss curve
geen 1 op 1 relatie genotype-fenotype
regressie naar het gemiddelde van een kenmerk
gemiddelde waarde nakomelingen ligt halverwegen tussen waarde moeder en populatiegemiddelde
beide richtingen: waarde moeder ligt halverwegen tussen waarde nakomelingen en populatiegemiddelde
voorwaarden: random mating (anders eerder naar waarde moeder) en geen dominantie (anders eerder naar populatiegemiddelde)
heritabiliteit
aandeel van biologische variantie van een fenotype in een populatie in welbepaalde omstandigheden ten gevolgen van genotypevariantie in populatie
→ h² = Vg/Vp
variantie in fenotype: Vp = Vgenotype + Venvironment
Vg = Vadditieve + Vdominatieve +Vinteractieve genetische effecten
→ vaak krijgen we van ouders zowel genen als omgeving
→ geen fixe eigenschap, specifiek voor bepaalde populatie op bepaald moment
=/= mode of inheritance