onregelmatige werkworden B1

0.0(0)
Studied by 0 people
call kaiCall Kai
learnLearn
examPractice Test
spaced repetitionSpaced Repetition
heart puzzleMatch
flashcardsFlashcards
GameKnowt Play
Card Sorting

1/106

encourage image

There's no tags or description

Looks like no tags are added yet.

107 Terms

1
New cards

denken

dacht-gedacht

2
New cards

doen

deed-gedaan

3
New cards

dragen

droeg-gedragen

4
New cards

hangen

hing-gehangen

5
New cards

houden

hield-gehouden

6
New cards

kiezen

koos-gekozen

7
New cards

kijken

keek-gekeken

8
New cards

krijgen

kreeg-gekregen

9
New cards

kunnen

kon/konden-gekund

10
New cards

liggen

lag-gelegen

11
New cards

lijken

leek-geleken

12
New cards

meekrijgen

kreeg mee-meegekregen

13
New cards

moeten

moest-gemoeten

14
New cards

staan

stond-gestaan

15
New cards

stilstaan

stond stil-stilgestaan

16
New cards

uitkiezen

koos uit-uitgekozen

17
New cards

uitkomen

kwam uit- is uitgekomen

18
New cards

uitverkopen

verkocht uit- uitverkocht

19
New cards

vinden

vond- gevonden

20
New cards

vliegen

vloog-is gevlogen

21
New cards

weten

wist- geweten

22
New cards

willen

wilde/ wou-gewild

23
New cards

zijn

was/ waren - is geweest

24
New cards

zingen

zong-gezeten

25
New cards

zoeken

zocht-gezocht

26
New cards

zullen

zou/ zouden

27
New cards

afhangen

hing af-afgehangen

28
New cards

afspreken

sprak af- afgesproken

29
New cards

beginnen

begon-is begonnen

30
New cards

binnenlopen

liep binnen- is binnengelopen

31
New cards

blijken

bleek-is gebleken

32
New cards

blijven

bleef-is gebeleven

33
New cards

drinken

dronk-gedronken

34
New cards

eten

at-gegeten

35
New cards

komen

kwam-is gekomen

36
New cards

lezen

las-gelezen

37
New cards

lopen

liep-is gelopen

38
New cards

opzoeken

zocht op- opgezocht

39
New cards

schrijven

schreef-geschreven

40
New cards

verbieden

verbood-verboden

41
New cards

wegen

woog-gewogen

42
New cards

winnen

won-gewonnnen

43
New cards

worden

werd-is geworden

44
New cards

afsteken

stak af- afgestoken

45
New cards

afvragen

vroeg af- afgevraagd

46
New cards

bedenken

bedacht-bedacht

47
New cards

besluiten

besloot-besloten

48
New cards

doorbrengen

bracht door- doorgebracht

49
New cards

kopen

kocht-gekocht

50
New cards

langskomen

kwam langs- is langsgekomen

51
New cards

meedoen

deed mee- meegedaan

52
New cards

opkrijgen

kreeg op- opgekregen

53
New cards

optreden

trad op- is opgetreden

54
New cards

opzeggen

zei/zeiden op-opgezegd

55
New cards

overwinnen

overwon-overwonnen

56
New cards

plaatsvinden

vond plaats- plaatsgevonden

57
New cards

rijden

reed-is gereden

58
New cards

rijgen

reeg- geregen

59
New cards

samenkomen

kwam samen-is samengekomen

60
New cards

sluiten

sloot-gesloten

61
New cards

terechtkunnen

kon terecht- terechtgekund

62
New cards

thuiskomen

kwam thus-is thuis gekomen

63
New cards

uitkijken

keek uit- uitgekeken

64
New cards

uitlaten

liet uit- uitgelaten

65
New cards

uitschelden

schold uit-uitgescholden

66
New cards

vallen

viel-is gevallen

67
New cards

zeggen

zei/ zeiden-gezegd

68
New cards

zien

zag-gezien

69
New cards

zwemmen

zwom- is gezwommen

70
New cards

aanbreken

brak aan-aangebroken

71
New cards

aanspreken

sprak aan-aangesproken

72
New cards

afvallen

viel af-is afgevallen

73
New cards

dichtdoen

deed dicht-dichtgedaan

74
New cards

druipen

droop-is gedropen

75
New cards

ervaren

ervoer-ervaren

76
New cards

flauwvallen

viel flauw-is flauwgevallen

77
New cards

genieten

genoot-genoten

78
New cards

kruipen

kroop-is gekropen

79
New cards

meevallen

viel mee-is meegevallen

80
New cards

ontbreken

ontbrak-ontbroken

81
New cards

opvangen

ving op-opgevangen

82
New cards

ruiken

rook-geroken

83
New cards

schuilen

schuilde/school-gescholen

84
New cards

slapen

sliep-geslapen

85
New cards

tegenvallen

viel tegen-is tegenvallen

86
New cards

trekken

trok-is getrokken

87
New cards

varen

voor- is gevaren

88
New cards

vergeten

vergat- is vergeten

89
New cards

voolhouden

hield vol-volgehouden

90
New cards

voorbijkruipen

kroop voorbij-is voorbijgekropen

91
New cards

waaien

waaide/ woei- is gewaaid

92
New cards

zweren

zwierf-gezworven

93
New cards

aantrekken

trok aan

94
New cards

afschrikken

schrok af-is afgeschrokken

95
New cards

afwijken

week af-is afgeweken

96
New cards

afzien

zag af-afgezien

97
New cards

gelden

gold-gegolden

98
New cards

geven

gaf-gegeven

99
New cards

ingaan

ging in-is ingegaan

100
New cards

nemen

nam-genomen