1/106
Looks like no tags are added yet.
denken
dacht-gedacht
doen
deed-gedaan
dragen
droeg-gedragen
hangen
hing-gehangen
houden
hield-gehouden
kiezen
koos-gekozen
kijken
keek-gekeken
krijgen
kreeg-gekregen
kunnen
kon/konden-gekund
liggen
lag-gelegen
lijken
leek-geleken
meekrijgen
kreeg mee-meegekregen
moeten
moest-gemoeten
staan
stond-gestaan
stilstaan
stond stil-stilgestaan
uitkiezen
koos uit-uitgekozen
uitkomen
kwam uit- is uitgekomen
uitverkopen
verkocht uit- uitverkocht
vinden
vond- gevonden
vliegen
vloog-is gevlogen
weten
wist- geweten
willen
wilde/ wou-gewild
zijn
was/ waren - is geweest
zingen
zong-gezeten
zoeken
zocht-gezocht
zullen
zou/ zouden
afhangen
hing af-afgehangen
afspreken
sprak af- afgesproken
beginnen
begon-is begonnen
binnenlopen
liep binnen- is binnengelopen
blijken
bleek-is gebleken
blijven
bleef-is gebeleven
drinken
dronk-gedronken
eten
at-gegeten
komen
kwam-is gekomen
lezen
las-gelezen
lopen
liep-is gelopen
opzoeken
zocht op- opgezocht
schrijven
schreef-geschreven
verbieden
verbood-verboden
wegen
woog-gewogen
winnen
won-gewonnnen
worden
werd-is geworden
afsteken
stak af- afgestoken
afvragen
vroeg af- afgevraagd
bedenken
bedacht-bedacht
besluiten
besloot-besloten
doorbrengen
bracht door- doorgebracht
kopen
kocht-gekocht
langskomen
kwam langs- is langsgekomen
meedoen
deed mee- meegedaan
opkrijgen
kreeg op- opgekregen
optreden
trad op- is opgetreden
opzeggen
zei/zeiden op-opgezegd
overwinnen
overwon-overwonnen
plaatsvinden
vond plaats- plaatsgevonden
rijden
reed-is gereden
rijgen
reeg- geregen
samenkomen
kwam samen-is samengekomen
sluiten
sloot-gesloten
terechtkunnen
kon terecht- terechtgekund
thuiskomen
kwam thus-is thuis gekomen
uitkijken
keek uit- uitgekeken
uitlaten
liet uit- uitgelaten
uitschelden
schold uit-uitgescholden
vallen
viel-is gevallen
zeggen
zei/ zeiden-gezegd
zien
zag-gezien
zwemmen
zwom- is gezwommen
aanbreken
brak aan-aangebroken
aanspreken
sprak aan-aangesproken
afvallen
viel af-is afgevallen
dichtdoen
deed dicht-dichtgedaan
druipen
droop-is gedropen
ervaren
ervoer-ervaren
flauwvallen
viel flauw-is flauwgevallen
genieten
genoot-genoten
kruipen
kroop-is gekropen
meevallen
viel mee-is meegevallen
ontbreken
ontbrak-ontbroken
opvangen
ving op-opgevangen
ruiken
rook-geroken
schuilen
schuilde/school-gescholen
slapen
sliep-geslapen
tegenvallen
viel tegen-is tegenvallen
trekken
trok-is getrokken
varen
voor- is gevaren
vergeten
vergat- is vergeten
voolhouden
hield vol-volgehouden
voorbijkruipen
kroop voorbij-is voorbijgekropen
waaien
waaide/ woei- is gewaaid
zweren
zwierf-gezworven
aantrekken
trok aan
afschrikken
schrok af-is afgeschrokken
afwijken
week af-is afgeweken
afzien
zag af-afgezien
gelden
gold-gegolden
geven
gaf-gegeven
ingaan
ging in-is ingegaan
nemen
nam-genomen