1/207
woorden en zinnen van H6+7
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai | Chat |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
la rentrée = de eerste schooldag
rencontrer = ontmoeten
l'ami(e) = de vriend(in)
le frère = de broer
le/la jeune = de jongere
la découverte = de ontdekking
en avion = met het vliegtuig
en train = met de trein
en bateau = met de boot
en voiture = met de auto
pourquoi = waarom
parce que = omdat
mais = maar
incroyable = ongelofelijk
content(e) = tevreden
en Espagne (v) = in/naar Spanje
en Allemagne (v) = in/naar Duitsland
en Angleterre (v) = in/naar Engeland
aux Pays-Bas (m/mv) = in/naar Nederland
en Belgique (v) = in/naar België
Comme vas-tu? = Hoe gaat het met je?
Ça va bien! / Pas mal. = Het gaat goed! / Niet slecht.
Tu as passé de bonnes vacances? = Heb je een leuke vakantie gehad?
Oui, c'était super! = Ja, het was super!
Tu as été où? = Waar ben je naartoe geweest?
J'ai été en Italie en voiture. = Ik ben met de auto naar Italië geweest.
le voyage = de reis
le pays = het land
la famille = de familie
la sœur = de zus
la sortie = het uitstapje
au début = in het begin, eerst
pauvre = arm
loin = ver
la météo = het weerbericht
je crois = ik geloof
je prends = ik neem, ik pak
j'ai peur = ik ben bang
rester = blijven
arriver = aankomen
il fait froid = het is koud
il fait mauvais = het is slecht weer
il a plu = het heeft geregend
il pleut = het regent
le temps = het weer, de tijd
Avec qui? = Met wie?
Avec mes parents et mon frère. = Met mijn ouders en mijn broer.
Il fait beau? = Was het mooi weer?
Oui, il fait chaud. Il fait 28 degrés. = Ja, het was warm. Het was 28 graden.
tout = alles, alle
presque = bijna
trop = te, te veel
d'abord = ten eerste, eerst
enfin = eindelijk
au printemps = in de lente
en été = in de zomer
en automne = in de herfst
en hiver = in de winter
toujours = altijd
je veux = ik wil
à l'étranger (m) = in het buitenland
fatigué(e) = moe
voyager = reizen
la ville = de stad
néerlandais = Nederlandse
anglais = Engels
allemand = Duits
espagnol = Spaans
français = Frans
Qu'est-ce que tu as fait cet été? = Wat heb je deze zomer gedaan?
J'ai été à la plage. = Ik ben naar het strand geweest.
J'ai visité un musée. = Ik heb een museum bezocht.
Tu as parlé français? = Heb je Frans gesproken?
Oui, un peu. / Non, pas du tout. = Ja, een beetje. / Nee, helemaal niet.
Maintenant, j'ai beaucoup d'amis français. = Ik heb nu veel Franse vrienden.
l'endroit (m) = de plek
l'eau (v) = het water
la mer = de zee
la piscine = het zwembad
voici = hier is/zijn
faire du camping = kamperen
l'excursion (v) = de excursie
le séjour = het verblijf
l'activité (v) = de activiteit
sur = op
aussi = ook
découvrir = ontdekken
visiter = bezoeken
proposer = (iets) voorstellen
la montagne = de berg
le château = het kasteel
l'escalade (v) = het klimmen
faire les magasins = winkelen
la soirée = de avond
Vous avez fait du camping? = Hebben jullie gekampeerd?
Non, on a été à l'hôtel. = Nee, we zijn in een hotel geweest.
On a loué un appartement. = We hebben een appartement gehuurd.