Op 1 chromosoom heb je meerdere genen. Als die volledig worden overgedragen op een gen dan noem je ze gekoppelde genen. Maar er zijn ook ontkoppelende genen, want tijdens de profase 1 in meiose kan crossing over gebeuren wat tot nieuwe genencombinaties kan ontstaan. Die noem je ontkoppelde genen.
Mendel heeft toch gelijk maar alleen als het over meerdere verschillende chromosomen gaat.
Hoe vaak ze voorkomen kan je tonen in een frequentie je hebt:
koppelingsfrequentie voor gekoppelde genen
Recombinatie frequentie voor ontkoppelde genen
De som van koppelingsfrequentie en recombinatiefrequentie is gelijk aan 100.
Hoe vaak recombinatie voorkomt, hangt af van hoe verwijdert de homologe chromosomen paren van elkaar liggen. Hoe dichter ze bij elkaar zitten hoe minder vaak ze voorkomen. Hoe verder ze van elkaar liggen hoe vaker ze voorkomen.
Tijdens de voortplanting heb je 1 geslachtschromosomen en 22 autosomen (lichaam). De vrouw heeft XX voor geslacht chromosomen en de man XY. waar de y korter is van de x waardoor er minder chromosomen op de y zitten. Hoewel er een hoogte verschil zit kan er toch kruising gebeuren tussen de 2 bovenste stukken
De geschaltschromosonen kunnen ook kenmerken overdragen en zijn niet alleen voor geslachtsbepaling.
Als bij mannen iets op de X zit dan komt het tot uiting. Bij vrouwen moet het op beide x-en zitten en homozygoot ervoor zijn als het tot uiting wil komen. Is het maar op 1 x dan is het een drager
heeft de man iets op z’n x ding is die like dood. Een vrouw kan die gewoon uitschakelen.
aandoeningen kunnen alleen van vader naar zoon worden overgedragen.