DA

Geschiedenis

Bestuur & Politiek
  1. Napoleon Bonaparte – Franse keizer die Nederland in de Franse tijd (1795-1813) bezette.

  2. 1813 – Napoleon wordt verslagen en uit Nederland verdreven.

  3. Soeverein Vorstendom der Nederlanden (1813-1815) – Voorlopige staatsvorm voordat Nederland een koninkrijk werd.

  4. Congres van Wenen (1815) – Bijeenkomst van Europese leiders na Napoleons val, besloot Nederland, België en Luxemburg samen te voegen.

  5. Koninkrijk der Nederlanden (1815) – Vereniging van Nederland, België en Luxemburg onder Willem I.

  6. Willem I (1815-1840) – Eerste koning van Nederland, had veel macht en stimuleerde de economie.

  7. Belgische Opstand (1830) – België scheidde zich af van Nederland en werd een zelfstandig land.

  8. Willem II (1840-1849) – Koning die in 1848 onder druk van revoluties een nieuwe grondwet toestond.

  9. Thorbecke – Liberale politicus en schrijver van de grondwet van 1848.

  10. Grondwet van 1848 – Nieuwe grondwet die de macht van de koning verminderde en het parlement de hoogste macht gaf.

  11. Parlementaire democratie – Bestuur waarbij het parlement (gekozen door het volk) de hoogste macht heeft.

  12. Censuskiesrecht – Alleen rijke mannen die een bepaald bedrag aan belasting betaalden, mochten stemmen.

  13. Algemeen kiesrecht – Stemrecht voor iedereen, in 1917 voor mannen en in 1919 ook voor vrouwen.

Economie & Industrialisatie
  1. Industrialisatie – Overgang van handmatige productie naar machines en fabrieken in de 19e eeuw.

  2. Stoommachine – Belangrijke uitvinding die fabrieken en treinen sneller en efficiënter maakte.

  3. Eerste stoomtrein (1839) – Reed tussen Haarlem en Amsterdam en was een teken van economische vooruitgang.

  4. Steenkoolmijnen in Limburg – Opkomst van mijnbouw in Nederland, zorgde voor energie voor fabrieken.

  5. Gilden – Oude ambachtsverenigingen met strenge regels, afgeschaft door liberalen.

  6. Vrijemarkteconomie – Economisch systeem waarbij ondernemers zo min mogelijk beperkingen hebben van de overheid.

  7. Handelskapitalisme – Economie waarin handel en investeringen in bedrijven de belangrijkste bronnen van rijkdom zijn.

  8. Infrastructuur – Wegen, spoorlijnen en kanalen die Willem I liet aanleggen om de economie te versterken.

  9. Rotterdamse haven – Groei van Rotterdam als belangrijke haven voor handel en industrie.

Sociale Veranderingen & Arbeidersbeweging
  1. Sociale kwestie – Het probleem van armoede en slechte leef- en werkomstandigheden van arbeiders in de 19e eeuw.

  2. Kinderarbeid – Kinderen moesten lange dagen werken in fabrieken, mijnen en werkplaatsen.

  3. Kinderwetje van Van Houten (1874) – Eerste wet die kinderarbeid beperkte.

  4. Vakbonden – Organisaties van arbeiders die opkwamen voor betere lonen en werkomstandigheden.

  5. Socialisme – Politieke stroming die streefde naar meer gelijkheid en betere omstandigheden voor arbeiders.

  6. Karl Marx – Duitse denker en grondlegger van het socialisme en communisme.

  7. Klassenstrijd – Idee van Karl Marx dat de arbeidersklasse zou strijden tegen de rijke klasse.

  8. Sociaaldemocratie – Vreedzame vorm van socialisme die via wetten verbeteringen wilde bereiken.

  9. SDAP (1894) – Sociaaldemocratische Arbeiderspartij, kwam op voor arbeidersrechten en algemeen kiesrecht.

  10. Stakingen – Arbeiders stopten met werken om betere werkomstandigheden af te dwingen.

  11. Sociale wetgeving – Wetten die de omstandigheden van arbeiders verbeterden, zoals kortere werktijden en betere huisvesting.

Democratische Ontwikkelingen
  1. Revoluties van 1848 – Serie revoluties in Europa voor meer democratie en vrijheid.

  2. Relletjes in Nederland (1848) – Kleine opstanden waardoor Willem II besloot een nieuwe grondwet toe te staan.

  3. Kiesrechtuitbreiding – Stapsgewijze uitbreiding van het stemrecht vanaf 1848 tot algemeen kiesrecht in 1919.

  4. Grondrechten – Basisrechten zoals vrijheid van meningsuiting en godsdienstvrijheid, vastgelegd in de grondwet.

  5. Liberalisme – Politieke stroming die pleit voor vrijheid, weinig overheidsbemoeienis en economische groei.

  6. Confessionalisme – Politieke stroming gebaseerd op christelijke waarden, later leidde dit tot de oprichting van partijen als de Anti-Revolutionaire Partij (ARP).

  7. Schoolstrijd – Conflict tussen liberalen en confessionelen over financiering van bijzonder onderwijs