3. KLIEVING EN IMPLANTATIE

KLIEVING

  • = proces waarbij zich uit de zygote door een reeks van opeenvolgende mitosen een blastocyste gaat ontwikkelen

    • plaats; eileider + lumen v/d uterus

    • duur; 5 ½ dag

PROCES

  • KLIEVINGSDELINGEN

stadium

# cellen

bijzonderheden

zygote

1

bevruchte eicel

2-cellig

2

1e klievingsdeling

4-cellig

4

2e klievingsdeling

8-cellig

8

3e klievingsdeling

compactie fase → vorming cel-celcontacten

morula

16 à 32

4e klievingsdeling

blastocyst

64+

begin van cel-differentiatie en innesteling

  • opm; bij klievingen verandert het oorspronkelijke celvolume v/d zygote niet, blastomeren worden steeds kleiner

  • opm; zona pellucida blijft steeds aanwezig

  • DIFFERENTIATIE

    • blastocoel = tussen blastomeren ontstaat, met vocht gevulde, holte

      • trofoblast = OCM

        • → vorming foetaal deel placenta

        • → lytische activiteit leidt tot verdwijnen zona pellucida

      • embryoblast = ICM = kiemknop

        • → vorming embryo

  • HATCHING

    • vrijstelling blastocyste uit zona pellucida

      • vroege blastocyst = omgeven door zona pellucida

      • late blastocyst = niet meer omgeven door zona pellucida

  • IMPLANTATIE

    • innestelen blastocyste in de uteruswand

  • “MERKERS” ZWANGERSCHAP — TROFOBLASTCELLEN PRODUCEREN

    • EPF = early pregnancy factor

      • plaats; bloed moeder

      • duur; na 2 dagen

      • wat; immunosuppressief eiwit

    • HCG = humane chorion gonadotropine

      • plaats; urine

      • duur; na 9 dagen

      • wat; hormoon

      • functie; onderhoudt werking corpus luteum

KWALITEIT BLASTOCYST

  • over het algemeen wil je;

    • 2n gelijke blastomeren op dag n

    • < 25% verbrokkeling v/h cytoplasma

    • geen meerkernigheid

  • elke blastocyst kan een “code” krijgen op basis van 3 kenmerken;

    • expansiegraad / hatching

      • 1 blastocoelholte neemt <50% v/h embryo in

      • 2 blastocoelholte neemt >50% v/h embryo in

      • 3 volledige blastocyste, holte neemt 100% embryo in

      • 4 uitgezette blastocyste, holte groter dan het embryo → verdunning v/d zona pellucida

      • 5 “hatcht” uit zona pellucida

      • 6 “hatching” volledig buiten zona pellucida

    • hoeveelheid ICM = inner cellular mass

      • A veel cellen, dicht opeengepakt

      • B meerdere cellen, losjes gegroepeerd

      • C zeer weinig cellen

      • D geen ICM

    • hoeveelheid TE = trofectoderm

      • A veel cellen, die een samenhangende laag vormen

      • B weinig cellen, die een los epitheel vormen

      • C zeer weinig grote cellen

  • CAT A = 4AA, 4AB, 4BA, 4BB

  • CAT B = 3AA, 3AB, 3BA, 3BB

IMPLANTATIE

IUI

  • = intra-uteriene inseminatie

  • gebeurt als enige in-vivo

IVF

  • = in-vitro fertilisatie

  • 1000’en spermacellen en 1 eicel worden in een petrischaal samengebracht; spermacel probeert zelf de eicel binnen te dringen

  • proces;

    • “superovulatie” geïnduceerd bij vrouw, meerdere follikels tot rijping

    • eicellen worden verzameld uit de eierstokken van de vrouw

    • sperma wordt verkregen van de man

    • eicellen en sperma worden samengevoegd in een petrischaal

    • sperma probeert de eicel te bevruchten

    • bevruchte eicellen worden gekweekt tot embryo's en één of meerdere “embryo's” (vroege morulastadium) worden teruggeplaatst in de baarmoeder of eileider

  • toepassing;

    • als de man normaal sperma heeft en er geen significante problemen zijn met de spermacellen

    • in gevallen van blokkerende eileiders, endometriose, of onverklaarde onvruchtbaarheid

ICSI

  • = intracytoplasmatische sperma injectie

  • arts injecteert één enkele spermacel rechtstreeks in de eicel

  • proces;

    • “superovulatie” geïnduceerd bij vrouw, meerdere follikels tot rijping

    • eicellen worden verzameld uit de eierstokken van de vrouw

    • sperma wordt verkregen van de man

    • arts kiest één gezonde spermacel en injecteert deze direct in de eicel

    • bevruchte eicellen worden gekweekt tot embryo's en één of meerdere embryo's worden teruggeplaatst in de baarmoeder

  • toepassing;

    • bij mannelijke onvruchtbaarheid zoals azoöspermie (geen sperma in het ejaculaat), abnormale spermacellen, wanneer de kwaliteit van het sperma erg laag is, sperma kan de eicel niet binnendringen …

    • bij meeste ICSI-patiënten; oligo- + astheno- + teratozoöspermie (oat)

    • er zijn eerdere IVF-pogingen mislukt vanwege de bevruchting

PRE-IMPLANTATIE DIAGNOSE = PGD = PGT-M

  • wanneer; beide ouders zijn drager genetisch defect

  • methode;

    • enkele zygoten worden in vitro ontwikkeld

    • uit elke zygote worden enkele blastomeren verwijderd; hun DNA wordt onderzocht via PCR

    • alleen de normale, gezonde worden teruggeplaatst

STAMCELLEN

  • pluripotent = kunnen nog differentiëren tot verschillende celtypes

  • 2 types;

    • embryonaal afkomstig van kiemknop blastocyst

    • adult afkomstig v/d organen v/e volwassen individu

  • methode 1

  • parthenoot = niet-levensvatbare embryo

  • verkregen door parthenogenetische activatie v/d eicellen

    • artificieel uitgelokte Ca-oscillaties

    • ontstaan van blastocyst

    • kiemknop = (potentiële) bron van pluripotente stamcellen

  • methode 2

  • somatische cellen transduceren met combinatie van transcriptiefactoren

    • → geïnduceerde pluripotente stamcellen = iPSCs

  • opm; navelstrengbloed = belangrijke bron bloedstamcellen

KLONEREN

  • = Somatic Cell Nuclear Transfer

  • 2 soorten;

    • reproductief — kopiëren v/e al bestaand genoom

    • therapeutisch — zie methode 1 stamcellen

  • geslaagd bij verschillende zoogdiersoorten maar;

    • lage efficiëntie

    • zeer frequent aangeboren misvormingen

  • mens;

    • reproductief kloneren = verboden!!

    • therapeutisch kloneren = toegelaten onder strikte voorwaarden;

      • in bepaalde landen

      • alleen voor onderzoek; embryo mag niet worden geïmplanteerd, maar moet na enkele dagen vernietigd worden