1. GAMETOGENESE
= vorming gameten uit kiemcellen
INLEIDING
2 soorten cellen
lichaamscellen = somatische cellen
geslachtscellen = kiemcellen = germen
omvat 3 soorten;
PGC → precursorcellen → gameten
♀ PGC → oögonia → oöcyt = eicel
♂ PGC → spermatogonia → spermatozoïde = zaadcel
PGCs = primordial germ cells
bevinden zich tijdelijk in wand dooierzak
ontwikkeling per week
vanaf week 3; ontwikkeling dooierzak
vanaf week 4; aanleg gonade (= geslachtsklier)
♀ ovaria = eierstokken
♂ testes = teelbal
vanaf week 5; PGCs migreren naar gonade
vanaf week 7; geslacht ligt vast
vanaf maand 3; start oögenese (indien ♀ )

= celdeling bij geslachtscellen
proces;
meiose I = meiotische deling = reductiedeling
1 diploïd → 2 haploïd
meiose II = mitotische deling v/e haploïde cel
verdeling chromatiden;
resultaat 4 haploïde cellen
non-disjunctie
wat? niet uiteengaan van chromosomenpaar
wanneer? profase I
gevolg? rijpe gameet heeft n+1 of n-1 chromosomen
voorbeelden;
Downsyndroom; trisomie 21
Klinefelter; 47, XXY of XXXY
Turner; 45, X0 of mozaïcisme 46 XX / 45 X0
opm; monosomie van autosoom niet levensvatbaar → miskraam
OÖGENESE
VOOR GEBOORTE
oögonia (2n)
↓ mitose, tem maand 7 embryonale ontwikkeling
1° oöcyt (2n)
↓ meiose I profase
PUBERTEIT
maandelijks; ± 5-15 starten verdere ontwikkeling, slechts één rond volledig af
= follikelatresie = degeneratie van individuele follikels
↓ afronden meiose I, net voor ovulatie
2° oöcyt (n) + 1° poollichaampje
↓ meiose II metafase, hierop volgt ovulatie
BEVRUCHTING
↓ afronden meiose II
rijpe eicel (n) + 2° poollichaampje


“centraal dogma van de reproductiebiologie”
♀ heeft een definitief aangelegde voorraad primaire oöcyten
in het ovarium (wordt in vraag gesteld)
hormonen
FSH = follikel-stimulerend hormoon
geproduceerd door hypofyse
stimuleert groei en rijping van follikels
per cyclus worden 5 à 15 follikels geactiveerd, maar uiteindelijk slechts één rijpe follikel
LH = luteïniserend hormoon
geproduceerd door hypofyse
veroorzaakt ovulatie;
secundaire oöcyt komt vrij uit follikel
lege follikel → corpus luteum = geel lichaam
bevruchting; corpus luteum zorgt voor productie oestrogeen en progesteron tot functie wordt overgenomen door placenta
bevruchting; corpus luteum → corpus albicans = wit lichaam

Follikelstadium | Kenmerken | Celtypen / Structuren | Opmerking |
|---|---|---|---|
Primordiale follikel |
|
| Gevormd tegen 5e maand foetale periode |
Primaire follikel |
|
| Begin van hormonale ondersteuning |
Secundaire follikel |
|
| Oöcyt groeit verder |
Graafse (rijpe) follikel |
|
| Hormonale samenwerking essentieel: theca produceert androgenen, granulosa zet deze om in oestrogenen 1,5 à 2 cm groot |
primordiale follikels vormen de oöcytreserve van een vrouw
granulosacellen;
rond oöcyt = corona radiata; voedt en beschermt oöcyt + essentieel bij ovulatie en bevruchting
rond antrum = blijven granulosacellen
thecacellen = bindweefselachtige cellen
interna; secreteren steroïdhormoon = precursor productie oestrogeen
externa; blijven “bindweefsel”


SPERMATOGENESE
spermatogonia (2n)
↓ mitose
1° spermatocyt (2n)
↓ meiose I
2× 2° spermatocyt (n)
↓ meiose II
4× spermatide (n)
↓ spermiogenese
spermatozoa (n)
SPERMIOGENESE
spermatogenese duurt 70 dagen;
waarvan rijping = spermiogenese 24 dagen duurt
spermatiden → spermatozoa

Golgi apparaat
vormt acrosomale vesikel → acrosomale kap = acrosoom
acrosoom = vesikel gevuld met het enzyme acrosine
opent tijdens de acrosoomreactie die optreedt na binding van de zaadcel aan de ZP3 receptor thv de zona pellucida v/d eicel
centrosoom
= microtubuli organiserend centrum (MTOC)
bestaat uit twee centriolen (proximaal en distaal)
vorming flagellum/staart vanuit het distaal centriool
SPERMATOZOÏDE
= rijpe zaadcel
kop; nucleus + acrosoom
middenstuk; mitochondria
flagel; axoneem (9×2) + 2 microtubuli
slank
autonoom beweeglijk ←→ eicel immobiel
200.000.000 à 600.000.000 cellen / ejaculaat ( ± 2 tot 6 ml)
min. 50.000.000 nodig voor bevruchting
leeft 2 à 3 dagen ←→ eicel in vivo = 12 uur; in vitro = 24 uur
gentoype; 23,X of 23,Y ←→ eicel altijd 23,X
AFWIJKIJNGEN
oligozoöspermie
oligo = weinig
conc < 15 milj/ml (normaal; ± 100 milj/ml)
extreme variant = azoöspermie
ab = weg
= totale afwezigheid van zaadcellen in het ejaculaat
kan zowel obstructief als niet-obstructief waarbij obstructief over het algemeen makkelijker te behandelen is dan niet-obstructief
oplossingen; MESA en TESE
Kenmerk
MESA
TESE
Volledige naam
Microsurgical Epididymal Sperm Aspiration
Testicular Sperm Extraction
Locatie
Bijbal (epididymis)
Teelbal (testis)
Indicatie
Obstructieve azoöspermie; TESE kan in principe ook
Niet-obstructieve azoöspermie; enkel TESE mogelijk
Invasiviteit
Minder invasief; wordt bij voorkeur uitgevoerd
Meer invasief
Spermavindbaarheid
Vaak hoger (rijpe zaadcellen)
Wisselend (soms alleen spermatiden)
Toepassing
Meestal voor ICSI
Meestal voor ICSI
asthenozoöspermie
astheno- = zwak
< 40% beweeglijkheid
teratozoöspermie
teratos = monster
< 4% zaadcellen met normale vormen
vb. globozoöspermie
globus = bol
= rondkoppige zaadcellen: totaal of partieel
geen;
acrosoom → kunnen eicel niet penetreren
PLC → eicelactivatie defect
andere afwijkingen;
hypospermatogenese
meeste zaadbuisjes produceren zaadcellen, maar in sterk verminderd aantal
spermatogenetisch arrest
spermatogenese wordt niet voltooid
arrest meestal thv primaire spermatocyten
sertoli-cell-only syndroom
afwezigheid van spermatogonia (= stamcellen)
uitsluitend Sertoli cellen (ondersteunende cellen) in zaadbuisjes
kan zowel;
aangeboren
verkregen (bv. na chemotherapie)