4. DE EIWITSYNTHESE
HET CENTRALE DOGMA VAN DE CELBIOLOGIE

DNA → mRNA → eiwit
transcriptie in celkern
translatie in cytoplasma, bij ribosomen
waarom wordt DNA niet direct vertaald naar eiwit?
DNA kan niet door kernporiën
snellere werking; meerdere RNA-kopiën van één DNA-streng mogelijk
DNA vs RNA
Kenmerk
DNA
RNA
Volledige naam
Deoxyribonucleic acid
Ribonucleic acid
Suiker
deoxyribose
ribose
Aantal strengen
dubbelstrengig (dubbele helix)
enkelstrengig
Basen
A, T, C, G
A, U, C, G
Unieke base
Thymine (T)
Uracil (U) i.p.v. thymine
Locatie
voornamelijk in de celkern
in kern én cytoplasma
Stabiliteit
zeer stabiel
minder stabiel
Functie
opslag van genetische informatie
overdracht en uitvoering van info
Soorten
één type (DNA)
mRNA, tRNA, rRNA, enz.
types RNA; zie ook cursus p. 190
mRNA = messenger
bevat de code voor een eiwit; wordt vertaald door ribosomen
rRNA = ribosomaal
onderdeel van het ribosoom; helpt bij eiwitsynthese
tRNA = transfer
brengt AZ’en naar het ribosoom tijdens de eiwitsynthese
snRNA = small nuclear
vormt samen met eiwitten het spliceosoom, dat intronen uit pre-mRNA knipt
miRNA = micro
RISC = RNA-Induced Silencing Complex
reguleert genexpressie door;
inhiberen/blokkeren translatie
mRNA afbraak
siRNA = small interfering
RISC = RNA-Induced Silencing Complex
reguleert genexpressie door;
inhiberen/blokkeren translatie
mRNA afbraak
piRNA = PIWI-interacting
beschermt het DNA van kiemcellen (zoals eicellen en zaadcellen) tegen schadelijke elementen
lncRNA = long non-coding
lange RNA’s (>200 nt) die niet coderen voor eiwitten
reguleert genexpressie door;
inhiberen/blokkeren transcriptie én translatie
DE TRANSCRIPTIE
INITIATIE
TATA-box
= specifieke sequentie i/h DNA (TATAAA) die vaak voorkomt bij eukaryote promotors
ligt ongeveer 25-30 basen vóór het transcriptiestartpunt, namelijk 5’ UTR
herkenningspunt voor transcriptie

TFIID
= Transcriptie Factor II type D
eiwitcomplex dat als eerste bindt aan de TATA-box
bevat subunit genaamd TBP (TATA-binding protein)
TFIIH
= Transcriptie Factor II type H
functies eiwitcomplex;
helicase = zorgt voor het ontwinden en losmaken van de DNA streng
kinase = fosforyleert de C-terminale staart (CTD) van RNA-polymerase II, wat nodig is om over te gaan van initiatie naar elongatie
TIC
= Transcription Initiation Complex
nadat TFIID is gebonden, komen er meer transcriptiefactoren bij, samen met RNA-polymerase II
dit geheel vormt het TIC
als alles goed is gepositioneerd, begint RNA-polymerase II met het aflezen van het DNA en maakt het een mRNA-streng
ELONGATIE
RNA-polymerase II beweegt langs het DNA en bouwt een mRNA-keten op, base per base
3’ → 5’ voortbeweging RNA polymerase over template strand
5’ → 3’ aanmaak mRNA
via de template strand wordt dus een complementaire strand opgebouwd, die het kopie is van de coding strand
waar op het DNA een A zit, komt een U in het RNA!!

TERMINATIE
wanneer RNA-polymerase een terminatiesignaal tegenkomt, stopt de transcriptie
mRNA komt vrij, maar is nog niet helemaal klaar voor gebruik...

PROCESSING
opm; onderstaande processen vinden allemaal plaats nog voordat het mRNA de kern heeft verlaten, dit gebeurt dus niet in het cytoplasma!!
RNA-capping
aan 5’ uiteinde (kop) wordt een kapje gezet
bevat gemethyleerd guanine
Poly-adenylatie
3’ uiteinde (staart) wordt getrimd
stuk RNA wordt afgesneden thv bepaalde sequentie
vervolgens wordt reeks adenosines toegevoegd
Spliceosoom
= complex van eiwitten en kleine RNA’s (snRNAs)
snRNAs + eiwitten = snRNPs = “snurps”
verwijdert de intronen (niet-coderende stukken) uit het pre-mRNA
exonen (coderende stukken) worden aan elkaar geplakt
pre-mRNA → matuur mRNA, klaar voor translatie

alternative splicing = pre-mRNA kan op verschillende manieren "gesplicet" worden
uit één gen;
kunnen meerdere, verschillende mRNAs ontstaan
kunnen bijgevolg ook meerdere eiwitten ontstaan, elk met een andere structuur en functie
TRANSPORT
NPCs
= nucleaire poriëncomplexen
eiwitpoorten in het nucleaire membraan; regelen wat in / uit de kern mag
mRNA wordt actief door NPCs getransporteerd naar het cytoplasma
gebeurt met hulp van transporteiwitten die mRNA begeleiden
Ribosomen
eenmaal in het cytoplasma, kan mRNA;
vrije ribosomen bereiken → maken eiwitten voor in de cel zelf
binden aan ribosomen op het RER → eiwitten voor export of membraan
MVB
= multivesicular bodies
bevatten kleine vesikels
geen directe spelers in mRNA-transport naar ribosomen, kunnen rol spelen in;
mRNA-opslag, -afbraak of -transport via blaasjes
mRNA-regulatie
afgeven van mRNA via exosomen naar andere cellen
vb. cel-cel communicatie tussen cellen, kankervorming, virusinfecties …
DE TRANSLATIE
INITIATIE
kleine ribosomale subunit bindt aan mRNA bij de 5'-cap
schuift langs het mRNA volgens 5’ → 3’ richting op zoek naar het startcodon (AUG)
tRNA bindt aan startcodon, en bevat;
anticodon = UAC
aminozuur = methionine (Met)
grote ribosomale subunit komt erbij → complete ribosoom is gevormd
eerste tRNA bindt aan de P-site
A- en E-site zijn nog leeg

Aminoacyl-tRNA-synthetasen
= enzymen die zorgen dat juiste aminozuur aan juiste tRNA wordt gekoppeld
elk aminozuur heeft zijn eigen aminoacyl-tRNA-synthetase
Polysomen
meerdere ribosomen kunnen tegelijk aan één mRNA zitten
= polysoom; kralenketting van ribosomen
zo worden veel eiwitten tegelijk geproduceerd van één mRNA
A-, P- en E-site
ribosoom heeft drie "plaatsen" waar tRNA’s tijdelijk binden;
Site | Naam | Functie |
|---|---|---|
A-site | aminoacyl-site | nieuwe tRNA met aminozuur komt hier binnen |
P-site | peptidyl-site | hier zit tRNA met groeiende aminozuurketen |
E-site | exit-site | tRNA zonder aminozuur vertrekt hier |
ELONGATIE
gebeurt steeds in een cyclus, tot stopcodon wordt bereikt;
nieuw tRNA met bijpassend anticodon bindt aan het codon in de A-site
codon = groep van 3 basen op het mRNA; codeert voor één aminozuur
anticodon = 3 basen die complementair zijn aan het codon; op het tRNA

aminozuur op het tRNA in de P-site wordt gekoppeld aan het aminozuur in de A-site → ontstaan peptidebinding
aminozuurketen zit nu vast aan het tRNA in de A-site
het ribosoom schuift één codon op;
tRNA uit de P-site → E-site → verlaat het ribosoom
tRNA uit A-site → P-site
nieuwe A-site wordt weer vrij voor een volgend tRNA

TERMINATIE
ribosoom bereikt een stopcodon op het mRNA;
UAA, UAG, of UGA
er bestaat geen tRNA dat hierop past
release factor (vrijmakings-eiwit) bindt in de A-site;
complete eiwit wordt losgekoppeld van het laatste tRNA
ribosoom valt uit elkaar in grote en kleine subunit
mRNA kan eventueel opnieuw gebruikt worden door andere ribosomen
eiwit is nu vrij in het cytoplasma (of verder verwerkt in het ER/Golgi)
SAMENGEVAT
