Nederlands

Het Sprookje

Volkssprookjes: Erg oud en werd mondeling overgeleverd. Vele varianten en veel herhalingen (de gebroeders Grimm.)

Cultuursprookjes: door 1 persoon geschreven, recenter

Kenmerken van het sprookje

Sprookjes herken je aan de volgende kenmerken.

  1. Ze spelen zich af op een onbepaalde plaats en in een onbepaalde tijd.

  2. Veel Magie en Fantasie.

  3. Vlakke Personages.

  4. Het eindigt altijd met een Happy end.

  5. Veel herhalingen, vaste formuleringen en getallensymboliek.

  6. Oorspronkelijk voor volwassenen (geweldadig en erotisch.) en later voor kinderen


Poëzie

Thema is waar het gedicht over gaat.

Vormbegrippen

  • Vers: een regel in een gedicht

  • strofe: verzen die samenhoren

  • refrein: gelijke versregels die terugkomen

  • ritme: de afwisseling tussen beklemtoonde en onbeklemtoonde lettergrepen

  • enjambement: een zin die doorloopt over meerdere verzen, waarbij de dichter de zin afbreekt op een niet-natuurlijke plaats

Rijmen

  • Gepaard rijm (AABB)

  • Gekruist rijm (ABAB)

  • omarmend rijm (ABBA)

Stijfiguren in poëzie

  • Bij een Alliteratie: zijn de eerste klinkers of medeklinkers van twee of meer beklemtoonde woorden identiek.

    • Er moeten Woorden zijn

      zoals Wind en Water

  • Je gebruikt een vergelijking: als er een overeenkomst is tussen twee of meer personen of zaken. Tussen de delen van een vergelijking staan vaak de woorden als, zoals of gelijk.

    • Ik heb je lief zoals je soms

      gelijk een gouden zomerdag bent

  • Een metafoor: is een vorm van beeldspraak, waarbij geen vergelijkingswoord gebruikt wordt. Personen of zaken worden dan met elkaar gecombineerd zonder de woorden als, zoals of gelijk.

    • Een goudlawine vult de straat. (de zonsondergang)

  • In een personificatie: (of verpersoonlijking) worden dieren, begrippen of levenloze voorwerpen als een persoon voorgesteld of krijgen ze menselijke eigenschappen.

    • De aarde slaakt een diepe zucht.

  • Bij een overdrijving of hyperbool: wordt een bepaalde eigenschap extra overdreven. Het is een vorm van ironie. Bij ironie zeg je iets anders dan wat je bedoelt.

    • Betere kinderen dan wij bestaan niet, kunnen niet geboren worden!


Bronnen beoordelen

Bronnen Onderzoeken

Is de informatie betrouwbaar?

  • Wie is de zender?

  • Is de zender een deskundige?

  • wat is de bedoeling van de zender?

  • Je bekijkt en beoordeelt de bron waaruit je informatie haalde.

Is de informatie juist?

Je vergelijkt de informatie met de gegevens uit andere bronnen. Wat zeggen andere bronnen over het onderwerp? Worden er voldoende feiten gegeven en zijn die feiten wel feiten en geen meningen? Welke argumenten gebruikt men: zakelijke of emotionele? Zijn de gebruikte argumenten waardevol? Klopt elke redenering?

Is de informatie volledig?

Je controleert of de boodschap alle belangrijke invalshoeken benadert. Brengt de zender misschien een eenzijdig verhaal met alleen aandacht voor één aspect? Ontbreken er aspecten van het verhaal?

Is de informatie actueel?

Je gaat na wanneer het materiaal werd uitgegeven. Is de inhoud misschien al verouderd? Is de informatie nog geldig? Niet alleen naar geschreven bronnen moet je kritisch kijken, ook beelden kunnen aangepast en bewerkt worden. Dat heet beeldmanipulatie: het aanbrengen van veranderingen in een afbeelding. De term fotoshoppen wordt daarvoor frequent gebruikt.


Meertaligheid

Belgisch-Nederlands en Nederlands-Nederlands

Zowel Vlamingen als Nederlanders spreken Nederlands. Hun woordenschat en grammatica zijn nagenoeg identiek. Het belangrijkste verschil is dat ze met een andere, meestal onmiddellijk herkenbare tongval spreken.

Er zijn ook verschillen in woordenschat. Een klein aantal woorden en uitdrukkingen zijn in het andere deel van het taalgebied onbekend, klinken wat exotisch of hebben een andere betekenis. Die woorden behoren alleen in het noordelijke of het zuidelijke deel van het taalgebied tot de standaardtaal.

Meertaligheid

Je bent meertalig als je afwisselend meerdere talen gebruikt in de communicatie met anderen. Daarbij gaat het niet om de beheersing van de taal, maar om het gebruik ervan. Je bent dus ook meertalig als je één taal vloeiend spreekt en een andere taal alleen begrijpt.

Luistertaal is een vorm van meertalige communicatie waarin personen met verschillende talige achtergronden hun eigen taal spreken en elkaar toch kunnen verstaan.


Taallab

De spelling van Engelse werkwoorden in het Nederlands

De stam van een Engels werkwoord schrijf je op dezelfde manier als in het Engels

speechen

stam = speech

ik speech

hij speecht

wij hebben gespeecht

racen

stam = race

ik race

hij racet

wij hebben geracet

Als de stam in het Engels eindigt op een dubbele medeklinker, vernederlands je de stam en schrijf je een enkele medeklinker, behalve als dat een andere uitspraak oproept.

Stressen

stam = stres

ik stres

hij strest

wij hebben gestrest

grillen

stam = gril

ik gril

hij grilt

wij hebben gegrild

baseballen

stam = baseball

ik baseball

hij baseballt

wij hebben gebaseballd

Als het Engelse woord eindigt op -le schrijfje in de Nederlandse stam -el, tenzij dat een andere uitspraak oproept.

googelen

stam = googel

ik googel

hij googelt

wij hebben gegoogeld

scrabbelen

stam = scrabbel

ik scrabbel

hij scrabbelt

wij hebben gescrabbeld

recyclen

stam = recycle

ik recycle

hij recyclet

wij hebben gerecycled

Actieve en passieve zinnen — het handelend voorwerp

in een actieve zin voert het onderwerp zelf de handeling uit

In een passieve zin komt de handeling (en niet de actievoerder) op de voorgrond. Het onderwerp ondergaat de handeling. De hulpwerkwoorden voor passieve zinnen zijn worden en zijn.

Soms is er in een passieve zin een handelend voorwerp (HV). Een handelend voorwerp vertelt wie de handeling uitvoert. Dit zinsdeel begint altijd met door.

  • Opgelet! Niet elk zinsdeel dat met door begint, is een handelend voorwerp.

Als je de passieve zin actief maakt, wordt het handelend voorwerp het onderwerp van de actieve zin.

Als je de actieve zin passief maakt, wordt het onderwerp het handelend voorwerp van de passieve zin.

Schooltaalwoorden

associëren

evolueren

raadplegen

verrijken

het concept

de formulering

toepassen

de verscheidenheid

het detail

observeren

uitsluitend

voldoen aan

het element

zich onderscheiden

verwant


De mythe

Mythe

Een klassieke mythe is een verhaal dat:

  • goden, halfgoden of helden uit het verleden in de hoofdrol heeft

  • behoort to een bepaalde cultuur

  • mondeling overgeleverd en pas later opgeschreven werd

  • een gebruik in cultuur, iets dat in de natuur voorkomt of het ontstaan van de wereld wil verklaren


Vlogs en blogs

Vlogs en blogs

een vlog is een persoonlijk videodagboek dat online gebliceerd wordt. Maastal gebeurt dit op regelmatige tijdstippen. Een blog is een geschreven versie van een vlog. In heel wat vlogs en blogs wordt het dagelijks leven van iemand getoond. Vaak wordt er gevlogd of geblogd over een hobby of een passie, zoals games, koken, reizen, make-up, mode, sport …

Modaliteit

Je kunt als spreker of schrijver veel houdingen aannemen ten opzichte van wat je zegt. Die houding heet mondaliteit. Er zijn 3 soorten

Werkelijkheidmodaliteit

Je drukt als spreker/schrijver een van de volgende houdingen tegenover de inhoud uit:

  • zekerheid

  • onzekerheid

  • niet-werkelijkheid

Wensmodaliteit

Je drukt als spreker/schrijver de hoop, de wens, het verlangen uit dat wat je zegt/schrijft, zal gebeuren. Een bevel, een toestemming, een gebod en een verbod zijn er voorbeelden van.

Gevoelsmodaliteit

Je drukt als spreker/schrijver een gevoel (spijt, medelijden, tevredenheid …) tegenover de inhoud uit.

Mondaliteit uitdrukken

Enkele middelen om de soorten modaliteit uit te drukken:

  • lichaamstaal, intonatie, toonhoogte, volume in gesproken taal

  • Modale hulpwerkwoorden

  • modale bijwoorden

  • tussenwerpsels

  • leestekens, nadruktekens en lay-out in geschreven taal

  • tijd van werkwoord

  • werkwoord die hoop, verlangen, vermoeden en twijfel uitdrukken


Taallab les 28 Deel 4

Initiaalwoorden en letterwoorden

Een initiaalwoord bestaat uit de eerste letters van een woord(groep) en je leest het letter voor letter. Initiaalwoorden spel je zonder puntjes.

Samenstellingen met initiaalwoord krijgen een koppelteken.

Een letterwoord bestaat uit de eerste letters van een woord(groep) en je leest het als een woord. Letterwoorden spel je zonder puntjes.

Samenstelling met een letterwoord worden zonder koppelteken gespeld, tenzij het letterwoord hoofdletters bevat.

Voornaamwoorden

Een voornaamwoord (vn) verwijst naar of vervangt een zelfstandig naamwoord.

een persoonlijk voornaamwoord (pvn) verwijst naar iets of iemand.

Een bezittelijk voornaamwoord (bvn) verwijst naar de bezitter. Het zegt aan wie iets

toebehoort. Het bezittelijk voornaamwoord kan bijvoeglijk en zelfstandig gebruikt worden.

Het wederkerend voornaamwoord (wed. vn.) verwijst naar het onderwerp van de zin. Het

komt enkel voor bij wederkerende werkwoorden.

Bij het wederkerig voornaamwoord (wdgvn) is de handeling van het werkwoord wederzijds:

de actie gebeurt heen en weer tussen de personen, dieren of dingen.

Schooltaalwoorden

abrupt

de fractie

inperken

de transitie

het alternatief

identificeren

inspireren

typerend

het attribuut

incasseren

overleveren

zich richten op/tot

converseren

innovatief

relevent