Untitled Flashcard Set

Betekenis bepalen van onbekende woorden

Er zijn zeven manieren om achter de betekenis van een onbekend woord te komen:

  1. Synoniem: Er staat een ander woord met dezelfde betekenis in de buurt.

  2. Omschrijving: De tekst geeft een definitie of uitleg van het woord.

  3. Voorbeeld: Er worden voorbeelden genoemd die het woord verduidelijken.

  4. Tegenstelling: Het tegenovergestelde wordt genoemd, waardoor je de betekenis kunt afleiden.

  5. Samenstelling: Je deelt het woord op in delen die je al kent.

  6. Afleiding: Je herkent een stam, voorvoegsel of achtervoegsel.

  7. Woord uit een andere taal: Het woord lijkt op een woord uit een taal die je al kent (bijv. Engels of Frans).

De Basis van een Tekst
  1. Onderwerp: Waar de tekst in één of enkele woorden over gaat.

  2. Hoofdgedachte: De belangrijkste uitspraak van de schrijver over het onderwerp (meestal één volledige zin).

Tekstdoelen

Een schrijver heeft altijd een doel met zijn tekst:

  1. Activeren: De lezer aanzetten om iets te gaan doen.

  2. Amuseren: De lezer vermaken of een plezierige ervaring bieden.

  3. Informeren: De lezer feiten en kennis bijbrengen.

  4. Instrueren: Uitleggen hoe een handeling moet worden uitgevoerd.

  5. Overtuigen: De lezer overhalen om een bepaalde mening over te nemen.

Het Publiek Bereiken

De schrijver stemt zijn tekst af op de lezer door te letten op:

  1. De specifieke doelgroep waarvoor hij schrijft.

  2. De algemene kenmerken van het publiek.

  3. De aansluiting bij het onderwerp.

  4. Het gebruik van een betrouwbare bron.

  5. Een overzichtelijke lay-out.

  6. Passend taalgebruik.

Structuur: Alinea’s en Kernzinnen

Een tekst is opgebouwd uit alinea's die samen deelonderwerpen vormen. Je herkent alinea’s op drie manieren:

  • Zinnen staan achter elkaar zonder op een nieuwe regel te beginnen.

  • De eerste regel begint met een inspring.

  • Er staat een witregel tussen twee alinea's.

Om deelonderwerpen te vinden, lees je de tekst globaal.

Hoofd- en Bijzaken
  • Hoofdzaak: De meest cruciale informatie in de tekst.

  • Bijzaak: Een toelichting, extra uitleg of een voorbeeld. Deze zijn minder belangrijk voor de kern.

Hoe vind je de hoofdzaak?

  1. Kijk in de inleiding of het slot.

  2. Zoek naar kernzinnen: meestal de eerste of laatste zin van een alinea.

Tekstverbanden en Signaalwoorden

Tekstverbanden geven de relatie tussen zinnen of alinea's aan. Signaalwoorden helpen je deze te herkennen:

  1. Opsomming: en, ook, bovendien, daarnaast, ten eerste, ten tweede.

  2. Tegenstelling: maar, echter, toch, hoewel, enerzijds… anderzijds.

  3. Voorbeeld / Toelichting: zoals, bijvoorbeeld, neem nou, ter illustratie.

  4. Chronologisch: eerst, daarna, vervolgens, vroeger, later, tot slot.

  5. Conclusie: dus, concluderend, kortom, al met al.

  6. Oorzaak-gevolg: doordat, hierdoor, waardoor, zodat, ten gevolge van.

  7. Reden: omdat, want, daarom, immers, namelijk.

  8. Doel-middel: om te, door middel van, met behulp van, daartoe.

  9. Vergelijking: net als, evenals, hetzelfde als, in vergelijking met.

  10. Voorwaarde: als, indien, mits, tenzij, wanneer.