Kopie.docx

VROEGE MIDDELEEUWEN

Kerk

Onbereikbare morele idealen: redding door schenkingen: rijkdom

Vermenging kerkelijk met wereldlijk: kloosters in lekenbezit en bemoeienis

Morele verbetering

Dualistisch zeggenschap

Maria = hemelkoningin (troon)

Steden

Primair: machtscentra

  • Vorstenresidenties

  • Religieuze centra

  • Aristocratie aan hof

Secundair: commercieel

  • Lokaal (landgoed/abdij)

  • Internationaal (emporia)

Onderwijs

Centra intellectuele vormgeving = kloosterscholen + kathedraalscholen

500 – 1000

Algemeen

Tijdlijn

Byzantijnse Rijk/moslimrijken

800 – 1000: hoogtepunt

Onderwijs

800 – 1000: studie naar:

  • Bijbel + kerkvaders

  • Vorming karakter + manieren ipv ontdekkingen

  • Redding oude werken in Karolingische periode

Europa

900: verstedelijking = grootste invloed op Europese geschiedenis pre-Industriële Revolutie:

  • Relatie met elkaar

  • Basis door communes, niet vorst

Technologische innovaties

Institutionele vooruitgang

Handel

Macht

Ideologische vernieuwing

= Stad = centrum

Historische continuïteit: moderne grote steden gelijkend aan middeleeuwse grote steden, minder continu met Romeinse Rijk-urbanisatie

Europa

900 – 1200: Commerciële Revolutie (Lopez)

Internationale toename handel

Massaler

Meer alledaagse producten + minder verre oorsprong

Schaalvergroting door:

  • Toename koopvraag elites

  • Nieuwe financieringsinstrumenten

  • Beter transport

Cluny

910: abdij

  • Hervormingen voor zuiverheid Benedictus

  • Liturgie + bidden voor zielenheil

  • Direct onder paus

  • Zo’n 1000 dochterpriorijen

  • Centrum geleerdheid

  • Benadrukt relatie paus door relieken Petrus + Paulus

  • Te rijk

  • Teveel banden wereldlijke macht

Fatimiedenrijk/Egypte

969: dynamisch hart moslimwereld: Caïro = hoofdstad + belangrijkste markt Midden-Oosten: toestroom mensen (hout, slaven, handelaren + werkzoekenden)

Militaire macht, economische welvaart + cultureel sterk

Kerk

989: Godsvredebeweging (Pax Dei/Godsbestand): tegen geweld banale heerschappijen

  • Geweldsbeperking, -verbod + ontzien kwetsbare groepen

  • Afgedwongen door kerk via volkswoede, ook vs kerk

  • Vredes in eigen geestelijke + wereldlijke machtsgebieden

HOGE MIDDELEEUWEN

Kerk

950 – 1250: religieuze vernieuwing

Investuurstrijd verkiezing bisschoppen + positie paus: hiërocratie + ‘monarchie’

Nieuwe idealen: reformatie clerus + kloosterwezen: nieuwe ordes

Nieuwe idealen: vermenselijking Christus + Maria: dichtbij

Grotere betrokkenheid leken bij religie: pastorale revolutie door toename inwoners steden + kunnen lezen

Tot 1059: pauskeuze door ‘clerus + volk Rome’: door adel Rome

Hiërocratisch zeggenschap

Simonie: verbod op kopen kerkelijke ambten

Kloosters in stedelijke gebieden (Europa): geen afzondering

Nieuwe orden: veel kloosterorden ten onder aan giften door populariteit: opgeheven na kritiek

Dichter bij Christus komen: christenheid actief uitdragen

  • Imitatio Christi: leven als Christus

  • 1100 – 1400: lijden van Christus: lijdend mens

  • = Empathie + inleving opwekken

  • Aanzetten tot contemplatie + devotie

  • Fysiek intimiteren Christus’ lijden: eigen lichaam verwaarlozen/pijnigen

  • Christus = aanwezig (hostie)

  • Christenheid = corpus mysticum Christi (mystiek lichaam: hostie) = corpus Christi:

  • Hostie ronddragen in processies

  • Christus aanwezig in gemeenschap

  • Letterlijk vlees + bloed = transsubstantieleer (= wetenschappelijk)

  • Mis = fysieke ervaring

  • Antisemitisch (Christus aangevallen)

  • Hostie-verering

  • Pax Christi: vrede nastreven

  • Vrede = kern christendom (aardse vrede = hemelse vrede)

  • Persoonlijk: innerlijke harmonie

  • Collectief: pacificatie ongelovigen + gewelddadige groepen: wel gerechtvaardigd tegen niet-christenen

  • Vita aostolica: leven als apostelen (armoede-ideaal + goede doelen)

Verandering Maria-devotie: moederfiguur: identificatie:

  • Treurende moeder

  • Christus als baby: herkenning ipv keizerfiguur

Pastorale revolutie: leken = meer betrokken

  • Beter geïnformeerd

  • Activistischer (bedevaarten, eigen devoties, preken, sacramenten)

  • Democratisering heiligheid

  • Volkstalen

  • Christendom = militanter + fundamentalistischer (exclusiever) + fanatieker

  • Kritiek op kerk

  • 1200 + 1300: vrouwelijke heiligen

Gevolgen:

  • Kleinere invloed adel op kerk

  • Tot 1300: groei macht paus: meer nationaliteit

  • Kloosters meer gescheiden van kerk + wereldlijke macht

  • Toenemende devotie onder leken (in volkstaal)

Bureaucratie

Heilig College (kardinalen)

Secretariaat

Financiën

Rechtspraak gewetenszaken

Andere rechtspraak

Gezanten (Legaten)

= Groeiende macht: hiërocratisch: versterking leiderschap + wereldlijke heerschappij

Kruistochten

Heilige oorlog met toestemming paus: expeditie = pereginatio

Pelgrims, adel, gewone mensen + monniken

Kruisvaardersgelofte

Aardse privileges + bovenaardse geloften

Kruisvaardersstaten: Jeruzalem (Zuiden), Tripoli (Zuidwest-Syrië), Antiochië (Noordwest-Syrië) + Edessa (Westen)

Logistiek: Italiaanse maritieme republieken = schepen, voedsel + voorraden: permanente aanvoer naar kruisvaardersstaten

Verdeeldheid onder christenen

Latijnse kolonisatie: binnen stadsmuren:

  • Ridders

  • Religieuze ridderorden

  • Verzorgen gewonden

  • Burchtenbouw

  • Italiaanse handelaren

  • In + met bewoners kruisstaten

  • Door oorlog onstabiele handel

  • Contacten Mediterranen bleven constant

  • Nieuwe impulsen door kruistochten

  • Stadswijken met eigen jurisdictie: autonomie (foenoek)

Europa

Bevolkingsgroei

Christenen, adel (ridders te paard + kastelen: veroveringen + huurlingen), agrarisch (Ostkolonisation) + commercieel (handel: Italiaanse maritieme republieken: Amalfi, Pisa, Venetië + Genua: goedschiks + kwaadschiks: oorlogsvloten + uitbreiden markten)

Meer interactie, migratie + kolonisatie

Van kern naar periferieën

Byzantijnse Rijk/Griekenland/Turkije

Verliest territorium aan Normandiërs (Zuid-Italië) + Seldjoekse Turken (oosten)

Zwakke keizers

Machtsverschuiving keizers naar lokaal

Fatimiedenrijk/Egypte

900 – 1170: militaire macht + economische welvaart

Caïro = handelshoofdstad

Hout + slaven

Jodengemeenschappen: gemengd in lokale bevolking

Culturele bloei

Expansie Seldjoekse Turken

Seldjoekse Turken/Iran/Palestina

1000 – 1200: sterke expansie

Interne problemen staatsbeheer

Duitse handel

Oost + Noordzee (Hanze)

Lübeck gesticht: Duitse gateway naar Oostzee (Noord-Duitsland)

Permanente vestigingen Londen, Brugge, Bergen (Noorwegen), Novgorod (Rusland)

Gotland: eiland in Oostzee

Schonen (Zuid-Zweden): belangrijkste internationale markt

Aanvallen op steden: handel beïnvloed door vorsten

Denemarken, Rusland, Oost-Baltisch gebied, Duitsland, Nederland + Noordzee

Kogge: met kasteelbouw: tot oorlogsschip omtoveren (brede schepen)

Geen permanent stedenverbond: = netwerk handelaren + steden

Ommelandvaart: om Denemarken heen ipv Lübeck

Privileges (= bevestiging bestaande praktijk)

Schonen: geografisch middelpunt: haring + andere producten

Dynamisch + bulkgoederen + langeafstand

Goedschiks + kwaadschiks: oorlogsvloten + vs concurrerende (piraten)

= Commerciële Revolutie (Lopez(: belangrijkste handel + oorsprong kapitalisme

= Nieuwe ontwikkelingen + herinvesteringen voor extra winst (Italië)

Stad

Nederzetting met geconcentreerde bewoning + centrumplaatsfuncties binnen regionaal verzorgingsgebied (= stad + omgeving)

Produceert niet zelf voedsel (wel = dorp)

  • Markt

  • Bestuur

Afhankelijk van:

  • Omvang

  • Bevolkingsdichtheid

  • Sociaaleconomische kernmerken

  • = In verzorgingsgebied

Urbanisatiegraad: belang steden in samenleving: percentage van het aantal bevolking in stad

Urban potential (De Vries): stad = in relatie met omgeving

  • Inwonersaantallen >10.000 inwoners

  • Onderlinge afstand

  • Geografische ligging (water)

  • = Rond 1500 hoogst in Zuidelijke Nederlanden + Noord-Italië

Commune: gezworen gemeenschap burgers met zelfbestuur + specifieke rechten: organisatie burgers voor help + bescherming door eed: tussen gelijken

  • Beëdigde burgers met 100% stadsrecht

  • Eed = wederzijdse hulp + bescherming

  • Samenzweringen (coniurationes)

  • Solidariteit, horizontale verbanden + (juridische) gelijkheid

  • In essentie buiten feodaliteit

  • Bij stichting nieuwe steden

  • Kan strijd aangaan met landheer: autonomie opeisen/samenwerken: landsheer = orde, communes = inkomsten

  • Vaak zelfde commerciële belangen

Romeinse wortels:

  • Bisschopssteden

  • Residentiesteden vorsten

  • Binnen ex-Romeinse Rijk

Nieuw gesticht:

  • Bewust door landsheer

  • Spontaan

  • Buiten feodale stelsel (leenheer-leenman past niet)

Versnelling urbanisatie

900 – 1200: groei bestaande steden: uitbreidingen + stadsmuren

Uitbreiding aantal steden: handelscentra:

  • Samenvloeiing rivieren (Leiden)

  • Riviermondingen (Genua)

  • Eiland (Parijs)

  • Natuurlijke havens

  • Kruising land- + waterwegen

Stad

Ideologische begrippen:

  • Bonum commune: gemeen goed

  • Utilitas publica: algemeen belang

  • Concordia: eensgezindheid (samenwerking)

  • Pax: vrede (intern)

  • Justitia: recht(vaardigheid)

  • Publieke ruimte: van gemeenschap

Utilitas publica:

  • Stadsmuren + stadshuis

  • Financiën: rekening

  • Rechtsgebied: stadsrecht

= Door gemeenschap onderhouden: enorme investeringen

Stadsrecht

  • Bijzonder juridisch statuut: bestuurlijke autonomie (‘vrijheid’)

  • Schriftelijke erkenning privilege (oorkonde)

  • Rechtsregels-geheel binnen stad (materieel + procedureel)

Autonomie:

  • Handhaving law + order (= primair)

  • Uitgifte wetten + regels

Persoonlijke vrijheid burgers:

  • Territoriaal + personaal

  • Betekenis rechtspositie: burgerschap

Vlaanderen

Sociale gelaagdheid textielsteden:

  • Patriciaat = elite kooplieden (erfachtig): grondbezitters

  • Ambachtslieden = middenstand, wevers: behoorlijk inkomen (eigen kapitaal voor ambacht)

  • Arbeiders = ververs, scheerders

  • Marginalen = soms werk

Stadsbestuur

Schepenen (7/12): bestuur + rechtspraak

Gerechtsofficier (schout/baljuw): voorzitter, aanklager + vonnisuitvoerder namens vorst (gezagsrepresentant + handhaver)

Patriciaat: bovenlaag steden, heerste door economische dominantie

  • Gesloten elite

  • Achtergrond in koopliedengilden

  • Grondbezitters stadscentrum

  • Adellijke aspiraties (= niet feodaal): via huwelijken

  • Arbeiders afhankelijk van kapitaal/investeringen

= 1300: exclusieve bestuurselite

Ambachtsgilden

Representeren mensen maar = niet representatief: evenveel stemmen groot + klein gilde

1000: beheersing door patriciaat

1200: caritatieve broederschappen

Islam

Onvervuilde versie jodendom en christendom

Tolerantie zolang superioriteit erkend + belasting betaald: overheersing multireligieuze meerderheid

Ook etnische, taal + culture verschillen: verscheidenheid volkeren

Onderlinge sekten

Christendom: islamitische heersers = bevrijding Byzantijnse heersers: kruistocht = westerse motieven

1000

Algemeen

Kerk

Kerkelijke hervormingen: herstel oude waarden

1000: opkomst geloofsgemeenschappen buiten kerk: kritiek corruptie + verwereldlijking kerk: heilig vs ketterverklaring

Morele verbetering

Renovatie Christus om lekeninvloed terug te dringen

Hoogste geestelijken = moreel smetteloos: bevoegdheid sacramenten = macht over huwelijk adel

Vermindering lekeninvestuur (= geestelijke ambten door koning benoemt)

  • Simonie (= verkoop geestelijke ambten)

  • Roomse Rijk: bemoeienis koningen met pauskeuze + bisschoppen inschakelen voor landsbestuur

  • Frankrijk: koning te weinig autoriteit voor benoeming (vs paus)

Niet-militaire kerkelijke wapens:

  • Excommunicatie: uitsluiting gelovigen uit christelijke gemeenschap

  • Interdict: opschorten kerkelijke diensten gebied

  • Verkettering: met militaire bijstand wereldlijke vorsten bij verstoren wereldvrede vs afwijken kerkleer

  • = Territoriale heerschappij door claims + bondgenoten (vazallen)

Versteviging greep paus op kerk: uitbouw centrale bestuursorganen Rome (Heilige College)

  • Kardinalen: gevolmachtigde gezanten

  • Pauselijke curie (= centrale hof)

  • Gespecialiseerde afdelingen

  • 1100: geïnstitutionaliseerd hoogste gezag paus: actievere verdeling: toename pauselijke rechtspraak

  • Gespecialiseerde rechtscolleges

  • Zaken lokaal afhandelen

Volk

1000: actieve rol: succes kerkelijke zielenzorg + netwerk

  • 1e grote stenen kerken voor grote toestromen: hoofdroutes pelgrims

  • Religieuze enthousiasme bestuurd door kerk: hostie (geloofsmysterie aanschouwen) + religieus geïnspireerde volksmilities

  • Beleving volksgeloof: reliekenverering: persoonlijk/openbaar (fysieke aanwezigheid + krachten) + schietgebed

  • Heiligen voor medische kwalen: miraculeuze genezingen + tegenprestaties offer

Kathedraalscholen

1000: Arabische wiskunde en geometrie

Kerk

1050: algemene verslapping religieuze toewijding

Te wereldlijk, nadruk beheer landgoederen, politieke zaken + administratieve taken

Adellijke banden (toelating novices door schenkingen, Eigenkirche + bemoeienis geestelijke benoeming)

= Kerk = enorme bezittingen vs ideaal kloosterleven: hervorming:

  • Kritiek verslapping idealen

  • Te weinig aandacht kerktaken

  • Te nauwe banden adel:

  • Stichten zelf kerken (Eigenkirche)

  • Kinderen in klooster

  • = Grotere scheiding geestelijk + wereldlijk

Hervormingen

Terug naar wortels

Herstel vrijheid van wereldlijke invloeden

Reinigen wereldlijke verontreiniging

  • Lekeninvloed bij aanstelling clericus weg

  • Hele clerus celibatair (zonder vrouw)

  • Zuivere kloosterregels + strenger

  • Strijd ketters + ongelovigen: kruistochten

Duitse Rijk

Rijkskerksysteem: bisschoppen als wereldlijke vorsten: aanleiding investituurstrijd (keizer = grote invloed politieke benoemingen vs kerkelijke autoriteit aanstellingen)

Investituur: iemand uiterlijk bekleden als ambt

  • Geestelijk: staf + ring: herderssymboliek + verbond God

  • Wereldlijk: zwaard/scepter

= door keizer, daarna pas kerk (politieke benoeming)

Pauselijke kritiek op keizerlijk investituur geestelijkheid

Expansie

Vanuit voormalig Karolingische Rijk + Engeland

  • Door invasies vanuit westerse steppen, Scandinavië + islamitisch Noord-Afrika

  • Door nieuwe vestigingsgebieden boeren-kolonisten, marktkooplieden, krijgstonelen ridders + heidenen bekeren

Vroege koninkrijken

Erfenis Karel de Grote

Byzantijnse Rijk

1000: wanbestuur vs sterke tegenstanders

Byzantijnen in Klein-Azië (mbv kruisleger)

Machtsverschuiving van centraal naar lokaal: grootgrondbezitters = krijgsheren: hoge belasting = boeren afhankelijk: erosie keizerlijke macht

Onbetrouwbare + dure huurlingen ter compensatie

Fatimiedenrijk/Egypte

1000: snelle expansie Seldjoekse Turken: macht naar kalief Bagdad + verovering Klein-Azië

Geweld = reden kruistochten, maar vooral intolerant tegen sjiieten

Oost-Rooms Duitse Rijk/Slavisch

Schaars bevolkt: gebiedsinbezitneming

Keltische periferie in Brittannië, Iberië, Italië + Centraal-Europa

Expansies door vastlopen kruistocht Palestina

Herintensivering handelsrelaties moslims: Venetië + Almalifa (scheepsbouw en vloten in Byzantijnse Rijk)

Handel onafhankelijk van religie: vooruitstrevend

Italië = bemiddelaars Oost en West

Europa

1000: onderontwikkeld tov Middellandse Zee + islamitische gebieden

  • Zuid-Scandinavië = kern: handel Byzantijnse Rijk, hout voor islam + wapens + slaven

  • Venetië: band Byzantijnse Rijk, zout + glasproductie + ligging

  • Pisa + Genua: Sardinië + Sicilië: banden Oost-Mediterranen: veroveringen + handel moslims: ook handelsposten Noord-Afrika (goed, keramiek, graan + leer)

Italiaanse handel

900 – 1000: Amalfi, Venetië, Pisa, Florence + Genua

Handel met geweld: handelaren, piraten + kruisvaarders

Handelsposten worden kolonies:

  • Venetië: Egeïsche Zee

  • Genua: Zwarte Zee + Zee van Azov

Galeien: professionele + betaalde roeiers

Geïntegreerd handelsnetwerk + afspraken

Kolonies:

  • Kleine immigrantenelites met nauwe banden metropool

  • Sterk gemengde bevolking

  • Strijd onderling + vs elite

Venetië: kolonies = ankerplaatsen

Genua: kolonies = Oost + West-Mediterranen + rivaliteit Venetië: steunt Byzantijnse Rijk tijdens Latijns Keizerrijk = extra privileges Zwarte Zee (Kaffa) + zijderoutes: zijde + specerijen (import) + slaven (export)

Scheepvaart = overheersend in Mediterranen:

  • Monopolie verbinding Latijns Westen + Zuidoost-Mediterranen

  • Transport pelgrims + moslims

  • Aanvoer pelgrims naar kruisstaten

Verbreding Europese horizon

Steden

Vroege steden: egalitair door burgerrecht + ontsnapping horigheid:

  • Vrijheid = bevrijding belemmeringen

  • Voorsprong originelen op nieuwkomers

  • Landheer = oproep tot (geld)bewapening + deel inkomsten

  • Machtsverhoudingen heer + gemeenschappen bepaald door bevolkingsomvang + kapitaalkracht

Aan waterknooppunten: massagoederen met schip = goedkoper

Territoriale modernisering landwegen

Nederzetting geconcentreerde bewoning + economisch, sociaal, politiek-bestuurlijk + cultureel centrumplaats-functie in regionaal verzorgingsgebied: met uitgestrektheid, bevolkingsdichtheid + sociaaleconomische kernmerken achterland

= Belang = urbanisatiegraad (= %-bevolking in steden): via groei bestaande + toename nieuwe mbv groei voedselproductie

1000 – 1300: verdubbeling bevolking + meer in steden

Kuststeden:

  • Bereikbaarheid voor schip massagoederen

  • Grootsten in Middellandse Zee (ex-Romeinse Rijk)

  • Landbouwproductiviteit

  • Bereikbaarheid grote schepen

  • Verbinding Oosten

  • Beschikbaarheid grondstoffen

  • Invloed hoofdstad op achterland

Europa boven Alpen: grootste = Parijs + Antwerpen = kernen uitbreidend systeem

Gecentraliseerde hoofdsteden = focus erop = meer concentratie, anders = klein + administratieve focus

Verbonden met achterland: immigratie vanuit platteland = sterfteoverschot aanvullen

Markt + productiecentrum nijverheid + diensten

  • Voeding = voedseloverschot platteland

  • Groei = interregionale markt

  • Eigen productie voor voedsel kopen

  • Langeafstand transportdiensten

= Afhankelijk van bevoorradingslijnen

Platteland = marktgerichte productie

= Correlatie verstedelijkingsgraad + bevolkingsdichtheid: beide = hoog want afstoting + intensivering

De Vries: verstedelijking meten = urban potential:

  • Absolute inwoners per stad > 10.000

  • Onderlinge afstand steden

  • Geografische ligging-gunstigheid

  • = 1500: grootste = Zuidelijke Nederlanden, Noord-Italië + West-Italië met sterk contrast rest Europa

  • Nadeel: steden met minder inwoners = ook centrumfunctie

Stadsmuren, omwallingen + stadspoorten = uitvergroot kasteelplan

Romeinse steden = middeleeuwse groeikernen

Ongepland = buiten ex-Romeinse Rijk-steden = door waterwegen

Spontaan plan: (half)rond op oever(s) met wegen vanaf centrale marktplaats naar poorten

Gepland plan = dambord

Handelaren + ambachtslieden in buurt ouder gezagscentrum

Uitbreiding = opeenvolging omwallingen (concentrisch)

Dure verdedigingswerken = boekhouding + financiering door gemeenschap

Prestigieuze openbare gebouwen + pleinen

Stadbevolking = bijeenstroming achtergronden: samenwerken door dreiging grond- + banheren = solidariteitsverplichtingen in stadsrechten + koopgilden

Eigenbelang: eigendomsrechten verzekeren + risico verminderen = vertrouwensrelaties = verenigingen: zichzelf beveiligen + concurrenten buiten stad weren = bestuur stad

Lidmaatschap met geld (materieel vertrouwen) + eed (religieuze garantie)

= Minder functioneel bij grotere bevolking, economische verschillen + tussenpersonen: sociale differentiatie: patriciaat: door economisch onafhankelijke handelaren: eigenaars waardevolle stadsgrond (kern) + adel nabootsen

Stadsrecht:

  • Duidelijk door afscheiding stadsmuren

  • Vanuit stedenverbond bijstand bij aanvallen via collectieve eed = coniurationes

  • Persoonsgebonden = juridisch vrije burgers

  • Stadsbestuurders = schepenen: vs heer voor macht

  • Autonomie opgeëist met geldvergoeding

Rechtsregime: opeenvolgende verleningen particuliere privileges + gewoonterechten

Juridisch: territoriaal (binnen muren + banmijl (omgeving)) + personaal (burgers)

1000: opkomst steden:

  • Markt

  • Eigen ideologie

  • Economisch-politieke elites

Gilden

1000: beheersing door patriciaat

Tijdlijn

Normandië/Zuid-Italië

Gesettelde Vikingen

1029: territoria in Zuid-Italië vanuit huurlingridders

Overwinning op moslims in Sicilië

Koninkrijk Zuid-Italië = vazal paus: strategische positie vs moslims + Rooms-Duitse koningen

Katharen

Materiële wereld door Satan ipv God geschapen: stoffelijkheid afwijzen

Gewone gelovigen

Volmaakte elite

Kerkelijk verzet

Verspreid over Frankrijk en Italië

Roomse Rijk/Rome

1049 – 1054: paus Leo IXL: aangesteld door Roomse keizer = hervormingen

Italië

1050: impuls door Romeins-Justiniaans recht: keizerlijk recht = bemoeienis

Noord-Frankrijk

1055 – 1124: Guibert de Nogent: over toestanden Noord-Frankijk: ordehandhaving door stedelijke gemeenschap

Kerk

1059: herziening procedure pausverkiezing: autoriteit van adellijk naar geestelijk

1059: pauskeuze door ‘clerus Rome’: college van kardinalen (= belangrijkste geestelijken Rome)

1073 – 1085: paus Gregorius VII: vs Roomse keizer = hervormingen

  • 1075: uitvaardiging Dictates papae

  • Excommunicatie + interdict (toegang sacramenten ontzeggen persoon/regio) + verkettering

  • Heilige oorlog + kruistocht (binnen + buiten Europa)

  • Pauselijke leenheren (koning ontvangt eigen land in leen paus): Jan zonder Land

  • Paus kroont keizer: keizers naar Rome

  • Donatio constantini (700-vervalsing: Constantijn (300) = Romeinse Rijk overgedragen aan paus: rechtmatig gezag

1073: extreme herinterpretatie tweezwaardenleer: paus = macht beide zwaarden

  • Gregorius VII: hoogste macht aan paus (hiërocratisch)

1075: keizer door paus in kerkelijke en ambtelijke ban: erkenning pauselijke macht over koning

Paus: koning = gehoorzaam, nuttig + geschikt aan paus: vs investuur koning

1077: gang naar Canossa: Hendrik IV + paus beiden bisschop: keizer geëxcommuniceerd door paus: Duitse adel vs keizer: keizer naar paus voor vergiffenis: excommunicatie opgeheven + keizerlijke investituur geestelijkheid afgeschaft + keizer = gehoorzaam: pauselijke macht over keizer: wie = hoogste macht?

Stad

1080: bestuur + recht door stad ipv heer

Machtsmonopolie rijke handelaren + families

Heer: benoemt schepenen (= bestuur, recht + wet) + via gerechtsofficier

Noord + Midden-Italië = gescheiden rechterlijke macht (= onpartijdig)

Stads- + grote raad (vrije mannen)

Bloedwraak vs financiële compensatie

Privéoorlogen + ridderideaal

Vrede bewaren = geweldsmonopolie stadsbestuur: blijvende rivaliteit adel

Algemeen belang: verdedigd door stadsbestuur: geweldsmonopolie + beslissingen: gezag + eenheid

Belastingstelsel voor collectieve veiligheid

Publieke + openbare gebouwen + ruimtes

Handel + werk onder stadsbestuur, sociale zorg onder geestelijkheid + gilden

Byzantijnse Rijk

1081: samenwerking Italië

Cisterciënzers

1090: wijd verspreid

1 moeder = kapittel-generaal (bijeenkomst abten)

Oorsprong kloosterwezen: afzondering + landexploitatie door monniken + lage arbeiders

Succes:

  • Bernard van Clairveaux’s bemoeienis met buitenwereld

  • Militair inzetbaar

Kerk

1095: Concilie van Clermont: eerste oproep kruistocht naar Palestina (vs islam-bezetters)

  • Adel wijdt krachten aan geloofsbescherming in plaats van opstand hervormingen

  • Heilige Graf bezoeken = aflaat zonden

  • Bevorderen christelijk geloof

  • Bijstaan Byzantijnse keizer

  • Nieuwe pauselijke vazalstaat (Palestina)

  • = Propagandacampagne: heilige oorlog

  • = Kruisvaarders: religieuze roeping + ridderlijke deugdzaamheid: financiële offers + terugkeer naar huis

Syrië

1096: kruisvaarders

  • Verzwakt Byzantijns Rijk

  • Verzwakt Fatimiedenrijk

  • Intern conflict Seldjoekse Turken

Eerste Kruistocht

1096: na oproep Urbanus II

Mislukte volkskruistocht: conflict + gevangenneming

Nieuwe impuls door expansie vanuit Westen

Scheepsruimte noodzakelijk: hulp Noord-Italiaanse havensteden voor vergoeding: handelsprivileges + land in veroverde gebieden

Logistieke overzeese ondersteuning door Italië + nieuwe markten

Handelsrecht Constantinopel door Venetië, Genua + Pisa: onvrede

Brachten concurrentie ipv herstel naar Byzantijnse Rijk

1097: kruisleger verzamelde in Constantinopel: vestigen in Byzantijnse Rijk + veroverde gebieden: nieuwe Latijns-christelijke staatjes:

  • Antiochië

  • Edessa

  • Jeruzalem

  • Tripoli

Onderhandelingen

1099: verovering Jeruzalem: koning Jeruzalem boven paus

Vijandige houding Palestina – christenen

Kruisstaatjes overleefden door coalities: bescherming burchten

Tekort aan blijvende mannen: leen door geldrente

Soorten kolonisten:

  • Ridders noodzakelijk: 4 colonnes:

  • Rooms Duitse Rijk: via Hongarije

  • Noord-Frankrijk: via Italië

  • Zuid-Frankrijk

  • Zuid-Italië: via Normandië

  • Ridderorden: groei + schenkingen: overmaken Westen naar Oosten = bankieren: grootste Westerse machtsconcentraties in Levant

  • Italiaanse handelaren: militaire bescherming + beloning (autonome handelswijken)

  • Focus handel Egypte

  • Handelsposten kruisvaardersstaten (autonomie)

  • = Onderstroom Westerse expansie

1100

Algemeen

Kerk

Nieuwe religieuze idealen:

  • Imitatio Christi: leven als Christus en apostelen

  • Spiritualiteit: persoonlijke relatie God: via Christus en Maria: verandering naar menselijk lijden: devotie en liefde

  • Radicale apostolische bewegingen: fascinatie armoede door leken

  • Begijnen

  • = Rand ketterij

1100: religieuze vernieuwingen

  • Nadruk verfraaiing exterieur: ondersteuning openluchtpreken

  • Rijke liturgie (= geheel aan geschreven handelingen) + koorzang

  • Reliekenverering = prominent

  • Altaren = meer priesters/missen tegelijk + eucharistie vieren (dood + verrijzenis Christus herdenken)

  • Grotere binnenruimten voor broederschappen

Romaanse kunst:

  • Domkerken: 2 torens voor 2 machten

  • Oostelijk: Heilige Land (altaar)

  • Westelijk: wereldlijke macht (inkomsthal troonzaal)

  • Focus op functie

Bedelorden: preek in volkstaal = uitbreiding indoctrinatie gelovigen: agressie tegen onorthodox

Tot 1200: weinig zielenzorg door focus voorbeeldige kloosters

Volk

Bevolkingsgroei = meer parochies

Ongeletterde dorpspastoor: basisregels kerkelijke praxis + overgangsrituelen met sacramenten

Bij angst dood + goed-slecht-hiernamaals

  • Voor gewone mensen = tijdelijk reinigende verblijfplaats: vagevuur

  • Vagevuur-duur afhankelijk van goedheid: zelf invloed + voor geliefde: kerk = kapitaal + bemiddeling

Midden-Italië

Pauselijke territorialisering wereldlijk gezag

Italië

1100: compagnieën: kapitaal uitbreiden door uitgifte aandelen met winstaandeel: vennoten = aansprakelijk voor compagnie

Op jaarmarkten Noord-Europa

Doorsluizen pauselijke inkomsten (lokaal innen: lokaal goederen kopen: in Italië verkopen: geld naar paus minus kostenaftrek)

Schaalvergroting handelsondernemingen

Netwerken permanente vertegenwoordigers

Arbeidsverdeling handelaar + vervoerder

Risicospreiding + risicoverzekering

  • Samenwerking

  • Investeerders: meerdere delen lading op meerdere schepen

  • Zeevaartverzekering: konvooien = collectieve bescherming

Verschriftelijking bedrijfsvoering:

  • Aandeelhouders

  • Handelscorrespondentie (koeriers)

  • Handelsvertegenwoordigers (informaten)

  • Verificatie ladingen

Tot 1480: ondernemingen in meerdere onderdelen (productie, handel + bank)

Stad

1100: ambachtsgilden = ambachtsrecht + onderlinge hulp (tehuizen): kleine huishoudens = meer geïnstitutionaliseerde verzorging

1100 + 1200: toename bovenlokale vraag naar massagoederen: groei steden = meer ruil tussen stad + platteland

  • Voeding + grondstoffen

  • Monetarisering: arbeid in geld omzetten

  • Meer bevolking dan grond = aanvullend inkomen

1100: standenvertegenwoordigers + -vergaderingen

Onderwijs/kooplieden

1100: doorbraak kerkelijk onderwijsmonopolie door stedelijke scholen: opleiding kooplieden: doel = winst: winst investeren = uitgroeien boven concurrenten = meer winst = kapitalisme

= Vs kerk (materie nastreven = slecht): compromis = ‘juiste prijs’: winst als vergoeding geleverde dienst aanvaard: vs woekering

Kritiek richting onderwijs door bisschoppen en monniken

1100: vernieuwing geleerdheid:

  • Donder door: kerkelijke autoriteit + traditionalisme

= Beperkte impact vanuit Karolingische onderwijshervormingen

Nieuwe instellingen uit rijke kathedraalscholen

1100: scholen

1150: universiteiten (Parijs, Bologna, Oxford + Cambridge):

  • Magistri: geleerden

  • Kerkvaders: autoriteit

  • Heidense (Oudheid) filosofen: autoriteit

= Reactie: ideeën: verder dan autoriteiten: uitbouwen: moderniteit

Oude logica (Boethius) + nieuwe logica (dialectica, Aristoteles): georganiseerd nadenken transformaties (politiek, economie, religie): logica + orde voor behering:

  • Nieuwe benaderingen + tradities

  • Conflicten in handboeken: buiten traditie (synthese, anithese + these)

1100 – 1500: geleerdheid + politieke filosofie:

  • Scholastiek: voor algemeen belang

  • Geen consensus: veel debatten: logische structuur door Aristoteles

  • Dualisme: 2 autonome sferen (wereldlijk + kerkelijk): geen inmenging andere sfeer toegestaan behalve uitzondering

Parijs

1100: kathedraalschool, 2 kloosterscholen + kleintjes

Hongersnoden

1100: lokale hongersnoden door bevolkingsgroei

  • Hongeroedeem: opgezwollen buiken + bedorven voedsel

  • Broodprijzen stijgen x24

Tijdlijn

Roomse Rijk/Rome

1103: Rijksvrede: adellijke vetes stoppen: landvredes = vitale openbare belangen

1122: Concordaat van Worms: compromis: koning = geen investuur geestelijke, wel wereldlijke macht bisschoppen

  • Geestelijke investituur door priesters (kanunniken)

  • Spanningen blijven doorwerken

  • = Bisschoppen gekozen door belangrijkste geestelijken bisdom (kanunniken)

  • = Hoogste gezag = God: theocratisch

  • = Zeggenschap:

  • Caesaropapisme (keizer/koning)

  • Hiërocratie (paus)

  • Dualisme (beiden)

  • Spanningen blijven doorwerken

Hervorming eigenkerksysteem: macht lokale pastorale ambten + kerken bij adel: nu parochianen = macht

Rome

Nieuwe oecumenische concilies: zonder keizer: defensieve naar offensieve strategie

Leo IX: kerkvergaderingen zonder keizer

Persoonlijk gezag + eenheid demonstreren: pauselijke wil goedgekeurd

1123: concilies in Rome

  • 1139: 2e Lateraanse Concilie: nicolaïsme: handhaving celibaat na priestersacrament: huwelijk + omgang met vrouwen verboden

  • 1179: 3e Lateraanse Concilie: huwelijk + verwantschap

  • 1215: 4e Lateraanse Concilie: wereldlijken aanwezig, maar geen macht

  • Door Innocentius III: indrukwekkende bestuurlijke activiteiten: ideaal pausschap door plenitudo potestatis (machtsvolheid): paus = superieur over wereldlijk

1150: kerk = actieve waarheidsvinding via inquisitoire procedures: door inquisitie onder paus: verontreiniging bestrijden: antisemitisme:

  • Schuldig dood Christus

  • Jaloezie rijkdom door beheer geldverkeer

  • Beschuldigingen moord + wapenhandel

  • = Bloedbaden (vaker in Late Middeleeuwen)

Tweede Kruistocht

1146 – 1148: na machtsovername Turken in christelijk Edessa + vereniging Egypte met Syrië: vs Jeruzalem = overgenomen

Cluny

1150: grootste klooster Latijns-christendom

Succes:

  • Overbrengen hervorming op dochterkloosters

  • Geen seculier gezag: direct onder paus

  • Relieken = relatie Petrus en Paulus

  • Centrum geleerdheid + advies

In Europa meer onafhankelijke hervormingen

Kritiek: rijkdom + macht: nieuwe kloostergemeenschappen: Chartreuse + Citeaux = moeders kartuizers + cisterciënzers

Kartuizers/Chartreuse

1100: nog strenger: individueel afgezonderde gemeenschap

Herstel heremitische traditie, strengheid + afzondering

Cisterciënzers/Citeaux

Zuivere regel Benedictus

Te rijk

Premonstratenzers/norbertijnen/augustijnen

Boeteprediker + zielzorg

Kanunniken (regulier = priesters in lekenwereld, leven in kloosters; seculier = actief in kerk) in plaats van monniken

Reguliere kanunniken (priesters volgens Augustinus)

Onderwijs

Universiteit = onderwijs zonder monnik-monopolie

Door:

  • Studenten/docenten in corporaties voor verdedigen belangen = universitas (= gilde)

  • Meer vraag hoger onderwijs = verbreding onderwijsaanbod: specialisatie + samenwerking: overkoepelende scholen met faculteiten

  • 1176: 3e Lateraanse Concilie = doceervergunning aan alle erkenden afgestaan ipv alleen bisschoppen

  • Steun pausen + vorsten

  • Vs bisschoppen + monniken

  • Kritiek richting onderwijs

  • Zelf klooster-geïsoleerd: fix = nieuwe eigen scholen oprichten = ordescholen

= Veel integratie: effecten 1 gebied = overal voelbaar

Engeland

1178: Court of Common Pleas: civiele zaken

1180: Court of King’s Bench: criminele zaken

Katharen

1180: vervolgd: persecuting society: nauwkeurige definities door kerk + feodale staten = scherpe scheiding goed – slecht

Engeland

1180 – 1330 = commercialisering plattelandseconomie

Landgoed exploiteren met ingehuurde arbeid

Groei aantal mensen zonder eigen voedselvoorziening = marktafhankelijk

Regionale specialisaties buiten stad

Deel agrarische productie voor markt: verbreding producten + uitbreiding handelsnetwerken

Intermediaire markten: schakel landbouw + handelscentra

Graan goedkoper stroomafwaarts schepen: relatie transportkosten + prijs

Transport ruwe producten naar markten voor bewerking + terugkopen

Italië

1180 – 1300: tirannie

Stad

1180: Institutionalisering verzorging met leken ipv alleen geestelijken

Derde kruistocht

1189: Voor bevrijding Jeruzalem

Door Frederik Barbarossa, Filips II + Hendrik II/Richard Leeuwenhart: Richard = onderhandelingen, rest = dood/terug

Engeland

1190: Exchequer of Pleas: financiële zaken

1200

Algemeen

Lekenbewegingen

Kloosterachtig:

  • Begijnen (vrouwengemeenschappen)

  • Religieuze ridderorden

Bedelorden

1200: in steden: armoede + vita activa

Leven door verzorging, bedelen + eigen onderwijs (natuurfilosofie): stof = verboden op universiteiten

Kloosterlingen

1200: 5 soorten

  • Monniken: leven in afzondering (benedictijnen, cisterciënzers, kartuizers)

  • Reguliere kanunniken: afwisselend actief + afzondering (augustijnen)

  • Bedelbroeders: actief leven (franciscanen + dominicanen)

  • Religieuze ridderorden: actief militair

  • Religieus-gemotiveerde leken: actief zonder gelofte (begijnen)

  • Klooster = afstand bezit

Kruistochten/Italië

Uitlaatklep interne spanningen: externe focus ipv intern

Venetië: handelsposten Middellandse Zee + plantages voor slavenarbeid

Genua: steunt Byzantijnse Rijk: monopolie Zwarte Zee = voorraad slaven + landroutes Mongolenrijken + China: uitschakeling moslims als tussenpersonen + verbinding West-Afrikaanse Sahara-karavaanroutes

Randen steppen/Balkan = plundertochten = slaven

Iberië: moslims + Afrikanen = slaven

Baltisch gebied

1200: expansie ernaartoe door religieuze ridderorden: christendom met geweld verspreiden

Pruisen: macht door Duitse Orde: exporteconomie

Nieuwe dorpen met Westerse migranten met eigen gewoontes

Oorlogen

Relatief weinig burgerslachtoffers

  • Kortere, mobiele oorlogen met kleinere legers

  • Veel adel dood

Belegering = veelvoorkomend: stad uithongeren

Korte plundertochten: vernieling productiemiddelen

Doortrekkende troepen + vluchtelingen = ziekte + plunder

Mongoolse Rijk

Kennis uit elders voor eigen verbetering

Tot 1260: Genghis Khan: grootste aaneengesloten rijk

Pax Mongolica: veiligheid door 1 heerser: intensivering contacten

Tot Hongarije: niet verder door gebrek grasland (paarden)

Geschiedschrijving bepaald door nationaal perspectief

Missie + handel: Europeanen naar Oost-Azië

Handel langs zijderoutes (sinds 2000 BC): nieuwe impulsen + aansluiting Europa (Genua)

Midden-Oosten

1200: afzwakking dominantie

Abbasieden ten onder aan Fatimiedenrijk

Koude + droge klimaatverandering

Mongolen-invallen: verlenging handelswegen

Egypte = schakel Europa met India: specerijen, edelstenen + parfums

Hanzen + gilden

Genootschappen voor bescherming

Privileges niet-lokale handelaren: eigen rechtspraak, internationaal handelsrecht + andere represailles: arresteer onschuldigen om eigen rechtspraak af te dwingen

1200: Duitse Hanze: verbond oudere regionale genootschappen

Voor individuele handelaren + handelskolonies: buitenlandse kooplieden bij elkaar voor bescherming/controle (wijken/kwartieren)

Duurzame relaties: alleen knooppunten = permanente vestigingen (havensteden)

Bescherming buitenlandse handelaren door lokale overheden: activering plaatselijke economie = verhoging inkomsten + informaten + boodschappers

  • Bescherming jaarmarkt: concentratie globaal aanbod + veel vraag: bij grote stad/handelsroute

  • Jaarcyclussen in regio’s: veilig verplaatsen

  • Winst = direct krediet verlenen: geldschieters: schuld terugbetalen op andere jaarmarkt met rente

  • Beïnvloed door verschuivingen door economie/politiek

Handelsmetropolen

Tot 1700: zeer autonoom: handelsprioriteiten boven landsheer

Middellandse Zee-steden: marktorganisatie, beveiliging handelsroutes + bescherming verre eigen burgers: tol = veilige doorgang

Handel = steden onderling afhankelijk: rivalen onderdrukken + voedselproductie platteland constant houden = land opkopen

Lombarden

Italiaanse financiële specialisten aan Europese hoven: machtig door veel geld te belenen + complexiteit + spreiding

Indekken tegen lenen aan vorsten

Steden

1200: waterpeil reguleren + steden met kanalen verbinden

Onkosten verbeterde landverbindingen met tol opvangen = duurdere marktprijs: voordeel voor scheepvaart:

  • Kompas + kaarten vanuit China en Arabië

  • Roer aan achtersteven

  • Brede schepen voor massagoederen (kogge: groter laadvermogen, goedkoper + veiliger)

  • = Bescherming: koopliedengilden + hanzen door lidmaatschapsgeld

1200: stadskern + gilden = exclusief: door aantallen (kleiner = hechter) + verzadiging (grotere competitie = meer eigenbelang): bestuur = klassenkarakter door economisch afhankelijkheid + onafhankelijkheid (vs feodale adel = landbezitters)

Grote concentratie binnen muren = onhygiënisch

Onzekerheid voedselbevoorrading + prijsstijging

Afhankelijkheid tussenhandelaren + internationale markten

Mensen nemen Gods taken over: zelf invloed

Juridisch: stedelingen = meerdere categorieën: burgers + armen, geestelijken, edelen + migranten: andere monotheïsten

Sociaaleconomisch: economische sectoren + status: kleinere stad = meer agrarisch

1200: beroepsgroep-organisering:

  • Centralisatie + clustering: gunstige locaties

  • Door nabuurschap, reglementering, religieuze + liefdadige functies: + belangen

  • Familiaal door onderlinge, lange opleiding: meester = eigen producten + locatie: meer scheiding door concurrentie + demografische decline: erfelijke ambacht

Ondernemer-bestuurders: samen/vs gilden

  • Meer macht gilden vs dominantie bestuur

  • Bescherming levensstandaard + beperking combinatie groothandel-ondernemerschap

  • Ondernemers = arbeid naar dorpen (lage lonen) = industrialisatie kleine gebieden ipv grote: marktaandeel gilden behouden door exclusiviteit: focus dure mode

  • Vrouwen = onder voogdij, maar voortzetting ambacht man/eigen

  • Exclusiviteit = gezellen (volwaardige ambachters) = rondtrekken + focus onregelmatige grote werkzaamheden

  • Grote identificatie met gilde door regelingen + voorzieningen vanuit gilde

Republiek: gemeenschappelijk met collectieve identiteit + regelt zaken publiekelijk

Stad = particularistisch: ieder = eigen recht + exclusiviteit

Samenwerking door onderwerping

Grote focus eigenbelang + corporatief egoïsme

Stad

Bestuurscentrum: ontwikkeling eigen ambtelijke staf

1200: meer schriftelijke mensen

= Centrum schriftelijkheid

Gilden

1200: caritatieve broederschappen:

  • Onderlinge hulp

  • Bepalingen bij productie

  • Prijzen

  • Kwaliteit

  • Soms politieke belangenbehartiging

  • Opstanden

  • = Plutocratie: bestuur door rijken: bepalen politiek, economisch + sociaal beleid

Parijs

1200: ‘Gemeenschap magistri + studenten’ = privilege autonomie

  • Docenten (scolares) + studenten onder koninklijke bescherming

  • Onder kerkelijke rechtsmacht

= Leden universiteit = klerikale status

1215: 1e interne reglement

1220: universitas (docentengilde): leden verdeeld over vakgebieden

Les in openbare gebouwen

Bologna

Uit niet-kerkelijke notarisopleidingen: transacties schriftelijk vastleggen

Romeins-Justiniaans recht

1200: studentenverenigingen (naties) meer autoriteit dan docentengilde: staken/andere universiteit: oprichting ander universiteiten

Europa

1200: rechtenstudie los van theologie = rationeel denken: in alle openbare besturen

1200 – 1300: nieuwe universiteiten in grote + kleine steden: vanuit kleinere scholen

1200 – 1500: kleine specialisatie + grote brede universiteiten: cursussen elders = rondzwervende studenten: studentenleven

  • Klerikale stijl vs losbandigheid: gewelddadig door adellijke achtergrond

Toename studenten = vermindering kwaliteit

Lage universitaire kosten/beurzen: vergoeding aan studenten

Gebrek woningruimte + inkomstenverschillen opheffen = colleges oprichten (= verzorgt woning + inkomen)

Universitaire studie:

  • Lange opleidingen

  • Eerst artes-baccalaureaat (BA) + magister artium (MA), dan hogere opleidingen: ook lager al goed maatschappelijk uitzicht door expansie + modernisering

  • Artes = veel Aristoteles: logica, dialectica, natuurwetenschappen, metafysica + ethiek: verandering artes curriculum: 3 overkoepelende filosofieën:

  • Natuurfilosofie: rationele verklaring natuurlijke ordering

  • Metafysica

  • Ethiek

  • Theologie = Bijbel + kerkvaders: massaproductie + standaardtekstindeling + nieuwe samengestelde handboeken

  • Rechten = Justiniaans + canon rechtschapen kerkelijke teksten

  • Medicijnen = Hippocrates + middeleeuwse werken

  • Magister: hoorcolleges geven + disputen houden: hoorcollege = gezaghebbende tekst met commentaar + uitleg, dispuut = uitwerking vraagstuk: alleen/onderlinge discussie

  • Extreem duur door dure boeken

Tijdlijn

Vierde Kruistocht

1202 – 1204: verovering Constantinopel

1204: Venetië = voorwaarden voor scheepshuur: onbetaald = plundering Constantinopel

Misbruik: verovering Constantinopel = Latijns Keizerrijk

Byzantijnse Rijk

1204: overname Constantinopel door Venetië

1204 – 1261: Latijns Keizerrijk

Vijfde Kruistocht

1217: na misbruik door Venetië

Verschuiving doelwit naar Egypte (machtscentrum)

Franciscanen

1200: bedelorde

Empathisch naleven Christus

Oog voor Gods natuurschoon

Absolute bezitloosheid-principe vs succesvolle orde: realistisch: inkomsten + goederen = noodzakelijk

Isolement vs evangelie verkondigen

1263: Clarissen (zusterorde)

3e orde = lekenparticipatie

Dominicanen

1216: bedelorde

Evangelisch armoede-ideaal

Prediken voor gewone gelovigen

Eigen onderwijssysteem + instellingen voor theologie

In grote steden

Mongoolse expansie

1220: begin expansie

Bloedbaden

Vernietiging irrigatiesystemen

Oost-Europa

1240: Mongoolse Rijk = bezit Westerse steppen: constante dreiging Europa

1240: contacten naar Oost-Azië:

  • Mongolen eisen onderwerping paus

  • Rubroeks beschrijvingen

  • Pax Mongolica: opbloeien contact Oosten en Westen op Zijderoutes: intensieve handel met Italië: onderbroken door oorlogen Mongoolse kanaten

Matteo, Nicolio + Marco Polo naar China (onder Mongoolse keizer Kublai Kahn) via landroutes ipv veiligere zeeroutes

Landroutes voor waardevolle + lichte producten

Zesde Kruistocht

1240: wapengeweld + meer diplomatie: coalities lokalen

1243: verlies in Jeruzalem

1250: verzwakte kruistochten

Stad

1250: volkstaal in officiële documenten: toenemende rol burgers in bestuur: minder vreemde taal = minder afstand

1250: opstanden tegen uitbuiting door patriciërs: nieuwe rijken = hoofden volksbewegingen = machtsverschuiving door aantal + coalities

1250: rivaliteit adel vs stadsbestuur

Noord + Midden-Italië

1250: tirannieke regimes + dynastieën

Venetië + Genua = republikeins

Oost-Rooms Duitse Rijk/Slavisch

1250: kruistocht vs heidense Slaven

Mamlukse Turken

1250: overname macht Egypte, Syrië + Palestina

1520: opgenomen in Osmaanse Rijk

Handel

1254: verbond Rijnsteden = vrede bewaren + recht: handelsverbonden

Mongoolse Rijk

1253: inval Iran, Irak + Syrië

1258: Bagdad veroverd door Hülügü: Il-Kanaat

1260: uiteenvallen in kanaten

1260 – 1290: diplomatieke contacten met Mongolen in Midden-Oosten

  • Nadruk Mongoolse schapen + paarden: afstanden overbruggen + wol, tenten + melk: mobiliteit

  • Intensivering contacten Oost + West: kennis, handel + missie

Byzantijnse Rijk

1261 – 1453: zelfstandige lokalen met privélegertjes: verbrokkeling

  • Vs blijvende westersen, ridderordes, Venetië, Genua, huurlingen + immigranten

  • Interne tegenstellingen

Leiden

1266: stadsrecht vastgelegd

4 oudere lagen (>1213)

Onderwijs

Spanningen seculier + geestelijkheid:

  • Aantal leerstoelen van ordes per faculteit

  • ‘Oorlog geloof + wetenschap’: onverenigbaarheid natuurwetenschap met christendom = verbod + controle

  • 1277: lijst verboden stellingen: aanval seculiere magistri: gesteund door theologiedocenten

  • Teveel nadruk Aristoteles/natuur

Wetenschap vs christendom:

  • Heelal = eeuwig

  • Machtsbeperking God (geen gelijktijdig tegenstellende acties)

  • Ziel = sterfelijk

= Uiteindelijk dubbele waarheid met theologie = superieur: aristoteles-ish vs/met religieus perspectief = nieuwe mogelijkheden

Ockhams wetenschap = rationele bewijsvoering met logica/natuurfilosofie: = geen theologie: God = almachtig + ordelijk: geloof boven rationaliteit

Kerk

1274: pauskeuze door Conclaaf (heimelijke vergadering)

1280: nieuw caesaropapisme: nationale kerken onder wereldlijke heren

Stad

1280: eigen stedelijke milities

Italië/Europa

1280: wisselbrief: informeel ipv formele klerk/notaris: betalingsopdracht via partners: verlenen handelskrediet + overmaken wisselkoers: beter door duurzame partnerschappen

Beheersen contact Levant = verdelen Mediterrane + Oosterse producten aan Europa

  • Vooral import (specerijen) = afvloeiing edelmetaal

  • Afvloeiing verminderen door niet-Europese praktijken in Europa doen (zijderups, katoen, suikerriet + papier)

  • = Europa = te weinig zilver: goudmunten uit Afrika = hogere waarde: negatieve balans (munt vs goederen) wegwerken: Italië = positieve balans: vergroten door krediet verstrekken

Brugge + Barcelona: dagelijkse wisselkoersbeurzen:

  • Handelsoperaties vereffenen zonder muntstukken

  • Betrouwbare relaties noodzakelijk

China = papiergeld, Europa = schuldbekentenissen, cheques + wisselbrieven + giraal geld (giro): deposito’s bij bankier van rekening naar andere (geld van ene rekening naar andere overmaken zonder fysiek geld)

China = keizerlijk-vastgestelde waarde, Europa = geen controle munten door internationaliteit

  • Genovino (Genua)

  • Florijn (Florence)

  • Dukaat (Venetië)

  • = Goudmunten

  • = Standaard om andere munten tegen af te wegen door stabiel gewicht + gehalte

= Bijhouden = boekhouden: dubbel = aparte rekeningen per klant, product + type transactie: linkerpagina = debet (= klant verschuldigd), rechterpagina = krediet (= klant tegoed): 2x noteren= 1 voor goederen + 1 voor partnerschap

Zesde Kruistocht

1291: val Akko = laatste staat in Midden-Oosten

LATE MIDDELEEUWEN

Kerk

Caesaropapistisch zeggeschap

Continuïteit vs Reformatie

  • Intensiteit geloofsbeleving

  • Voorgeschiedenis

  • Kritiek, maar geen volledige afwijzing

  • Persoonlijk contact vs uiterlijk vertoon

  • Obsessie moraliteit

1300: enorme invloed kerk

Observantisme: verslapping = reactie-roep hervormingen (terugkeer uitgangspunten)

1350: interne scheiding (niet-)observanten

Verslapping klooster = minder intredes: nieuwe kloosterorden + individuele/leken religieus leven: Geert Grote

  • Beweging vrome leken

  • Vereniging observante kanunniken

  • Beweging Moderne Devotie

  • = innerlijke geloofsbeleving: eenvoud + stilte: teksten naar volkstaal + goedkope boekjes

Nieuwe bewegingen = marginaal/ketterij: lollarden (volgelingen Wyclif = direct contact God + mens + Bijbelwaarheid = volkstaal)

Mystiek: spiritueel streven vereniging innerlijk met God: mediatie = geestelijke reis:

  • Intellectueel: geestelijken: ego overstijgen

  • Wilskracht: lekenbewegingen: vrouwen-identificatie door zachtheid Christus: intens optreden vrouwen = heiligverklaring

Volk

Kerk = controle ontvangst boodschap: gewenst moreel gedrag: boodschap vereenvoudigen:

  • Credo: belijdenis hoofddogma’s

  • Belangrijkste gebeden

  • Belangrijkste zedelijke voorschriften (10 geboden + deugden)

  • Betekenis 7 sacramenten

  • Betekenis eschatologie: bestaan na dood: vagevuur = goeddoen in leven

Verbeterde toedracht door parochiegeestelijken

Preken

Hulpmiddelen voor leken + visuele voorstellingen

Focus emotionele devotie: bijgeloof, angst + intensiteit

Maria + Christus-devotie: moederlijkheid, lijden + doen

  • Empathie-focus: majestueuze heerser naar hulpeloos

Reliekenjacht + -handel: lichamelijk + contact

Vereren afbeeldingen = heilzame werking

Wonderen = hostie

Maagdelijkheid: veel heiligverklaringen: tegengaan = alleen door paus

Bedevaarten

Broederschappen rond heiligenbeelden: zeer gevarieerd

Religieuze toneelspelen

Groeiend geloof geestverschijningen: duivels + heksen

Kerk = volkse haat aansterken vs inperken: eigen autoriteit behouden

Bijgeloof = antiklerikale beweging: teveel materiële verering, te weinig innerlijke goedheid

Europa

1250 - 1350: veroveringen door Mongoolse Rijk

Europa = onderdeel wereldeconomie

Gelijkenissen:

  • Geld + krediet (goud + papier)

  • Kapitaalconcentratie + risicospreiding + familiebanden

  • Financiële middelen handelaren = los van staat: kapitaalmarkt naar politieke macht (Italië + Hanze)

Europa

1500: minder autonome steden door dubbel huwelijk: 4 tegelijk uit 2 dynastieën = hechtheid

Uitbreiding territorium = meer inkomsten

Noodzaak continuïteit bekwame heersers: geen eenduidige opvolger = strijd (verre) verwanten

Grotere conflicten door grotere schaal gebied + middelen

Traject + conflicten samenleving = vorm instellingen + nationale loyaliteit

Nationalisme vs vreemde overheersers

Oorlogen

Hoge fiscale lasten: belasting + schulden

Groei stadsbevolking = nieuwe krachtsverhoudingen: veel voetvolk vs minder dure ruiter-legers

1300: verliezen ridders vs voetvolk + huurlingen

Steden = versterkte burchten: kwetsbaar tegen kanon, gewone belegering te duur

Relatief weinig burgerslachtoffers

Wordt staatszaak (tijdens Honderdjarige Oorlog):

  • Grootschaliger

  • Langduriger

  • Professioneler: kanon + handvuurwapens

Kleine legers + korte oorlogen door prijs

Verstoort handelsrelaties vs handel in wapens

Vernielt agrarische productie + infrastructuur

Legers verspreiden ziektes + plunderingen

Steden

Duurzaam = agressie + stabiliteit: recht

Voorrang vorstelijke rechtbanken over lokale door:

  • Macht/gezag

  • Algemene procedures + principes

  • Open voor (hoger) beroep: meer rechtvaardigheid

Vanuit kerkelijk (onderzoek) + Romeins (absoluut) recht

Rechtenstudie los van theologie = rationeel denken

Bureaucratische controles, lokaal = recht makkelijker afdwingbaar

Monarchie = aanpassen aan regionaliteit

Tot 1500: toestaan lokale rechtsstelsels

Statusgroepen

Eigen levensstijl + sociaal/juridisch gescheiden

= Door stedenoprichting (1100), hiërarchie + mobiliteit: emancipatie + complexie: fix = herkenbaarheid

Typische (on)deugden

Vrouwen: negatief vanuit Oudheid vs christelijke Maria: blijft inferieur + zwakker:

  • Vooral private rechten, weinig publiek

  • Lagere klassen = minder verschil: veel geld nodig + weinig bezit

  • Weduwen = meeste juridische vrijheid, maar economisch nadeel

  • Steden = vrouwenoverschot: dienstpersoneel + bescherming: veel alleenstaand = demonisering oude, alleenstaande vrouwen

  • Door vele dood + hokjesdenken + zedelijke reputatie

  • Magie = slechter door meer echte medicijnen

Stad vs platteland: vanuit stedelijk imperialisme + dominantie: afkeer boeren: lompe boerencultuur vs (elite) burgercultuur

= Burgers vs luidruchtige adel vs gewone volk

Armoede door gebrek technologie + sociale zekerheid:

  • Fiscaal: te weinig eigen vermogen voor belastingen

  • Bedeling: liefdadigheidsrecht

  • Marginalen: geen eigen middelen

Institutionalisering: leken en geestelijken:

  • Hospitalen: zieken, armen (+ reizigers)

  • Parochiale armenkassen: voor eigen gemeenschap

  • Gebrek fondsen

  • Te hoge kosten

Geen goede christelijke levensstijl (weinig bezitten) = aalmoezen geven

Commercialisering: armoede = niet willen werken

  • Arbeidsschaarste

  • Hebzucht geestelijkheid

  • = Vs predikanten bedelorden: verdedigden armen

  • = Vs humanisten: armen negatief gegeneraliseerd = strengere armenzorg

Steden

Primair: commercieel

  • Verkeersknooppunten

  • Stedelijke netwerken

  • Centrale handelspositie regio

  • Eigen cultuur

  • Sterke commerciële elite

Secundair: bestuur

  • Autonomie

  • Politiek + juridische overheersing verzorgingsgebied

  • Vestiging hoogwaardigheidsbekleders

Holland

Stedelijk netwerk: samenwerking eenheden/steden

Belastingen

  • Door heilige oorlog

  • Verdediging dreigende invasie

Proportioneel op roerende goederen: hoogte door oorlog

Direct onder koning (Frankrijk)/parlement (Engeland)

Vorsten: meer oorlog = meer belasting: onderhandelen met vertegenwoordigers onderdanen

Leningen voor oorlog, betaald door hogere accijns

Oorlog = ongeplande uitgaven

Economie:

  • Indirecte belastingen boven landbouweconomie

  • Stad = flexibel + snel boven trage landbouweconomie

= Meer gecommercialiseerd = meer militair overwicht (met goedkope huurlingen van platteland)

Competitie

Door meer geconcentreerde machtsmiddelen

Elite + (kerkelijke) rijken

Kleinere gemeenten = eigen politieke stelsels

Tegenreacties overlopende heren

= Parlementarisme: dialectische vertegenwoordigers, weerstand + coalities

Stad

Publieksrechtelijke uitbreiding feodale huldigingseed:

  • Wederkerig = controle vorst door (pseudo (= stad))vazallen

Complexe erfopvolging + hoge sterfte adel: voorkeur vanuit onderdanen

Burgers vanuit zichzelf (inter)regionale overlegstructuren

  • Handelsbelangen (weinig interesse vorsten = vrijheid)

  • Handelsrelaties vs oorlog: hechte structuren los van monarchie: onderhandeling

Effectief functionerende, representatieve instelling: territoriaal bewustzijn: identiteit

= Eigenbelangen + corporatief: representatief bij:

  • Minder ruimte door uitbreiding monarchie

  • Hogere fiscale + militaire eisen door oorlogen

Europa

Economie = contractie: minder mensen + goederen = geen crisis

Loonverdieners: stijging levensstandaard

Steeds meer aansluiting handelsnetwerken

Bevordering geografische + sociale mobiliteit: sterfteloterij: exclusiviteit adel

Migratie naar stad = arbeidsmobiliteit = klassenvorming: exclusiviteit ambachten door contractie

Opstanden

  • Arbeidskrapte = spanningen werkgevers + werknemers

  • Groeiende fiscale eisen onderdanen

  • Noodzaak meer geloofwaardigheid verdeelde kerk + maatschappelijke veranderingen

= Grootschalig, maar vaak scheiding stadsvolk + boeren

Vs elite + abdijen

Veel stedelijke oproeren + vooral in grote steden

Geen klassenstrijd:

  • Opstandsgroepen = niet homogeen

  • Klassendoorsnijdende belangen

  • Geen revolutionaire ideologie

Boerenopstanden = beter georganiseerd (dorpsgemeenten)

Europa

1300 – 1600: humanisme:

  • Minder focus ethiek, (meta)fysica + politica (van Aristoteles) + 7 vrije kunsten

  • Focus Romeinse schrijvers:

  • Grammatica

  • Retorica

  • Geschiedenis

  • Poëzie

  • Moraalfilosofie

  • Politieke redevoeringen (grammatica + retorica + poëzie)

  • Eervolle voorbeelden gedrag + acties (geschiedenis)

  • = Praktisch:

  • Regulering + gezag

  • Publieke moraliteit

  • Vormen eervolle persoonlijkheid

  • Buiten universiteiten: scholastiek vs pragmatisch

  • Petrarca, Boccaccio, Salutati, Bruni, Machiavelli

Staatsvorming

Moderne staat: autonoom politiek systeem met gecentraliseerde bestuursorganisatie met gezag over afgebakend territorium + overwicht geweldsmiddelen

= Feodaal naar modern: ambtelijke hiërarchie

Suzereiniteit naar soevereiniteit:

  • Staten uit feodale koninkrijken

  • Machtsbalans intern + tov buren

= Ontwikkeling verschillende landen: ken achterliggende lijnen + Frankrijk + Duitse Rijk

Staatsvorming:

  • Belang oorlogvoering + schaalvergroting: professionalisering (staatsapparaat)

  • Economische politiek

  • Medezeggenschap

Staatsmacht: overal versterking: groter territorium, geweldsmiddelenconcentratie vs machtskernen + ambtenarenapparaat voor recht + belasting

Nauw verweven onderliggende lijnen:

  • Schaalvergroting staatsorganisatie: oorlogvoering

  • Bureaucratisering: belastingen

  • Vorstenhof

  • Huishouden

  • Centrum feodaliteit, rechtspraak, bestuur, financieel beheer + cultuur

Onderliggende processen:

  • Financiële nood centraliserende overheid:

  • Oorlog + schaalvergroting

  • Belastingen: niet vanzelfsprekend: erkend doel + betaalt regering

  • Toekenning na onderhandelingen

  • Treffen vooral Derde Stand (werkstand)

  • Incidenteel naar regulier: toestaan democratisering

  • Dynastieke rivaliteit

Verliezers:

  • Feodale edelen (gemarginaliseerd)

  • Individuele autonome steden

  • Kerk:

  • Eind kruistochtideaal

  • Afhankelijk van wereldlijke heersers

Algemeen Belang

Leidend: belang gemeenschappen

Jargon overgenomen uit stedelijke broederschappen

Orde + rust: handhaving

Vorst:

  • Gebonden door eed (huldiging)

  • Ondergeschikt aan wet

  • Dienaar algemeen belang

Representativiteit

Gemene Land

Geestelijkheid:

  • Kanunniken

  • Abten

Adel

Werkenden:

  • Ambachten: + patriciaat + bestuur = geld = economische belangen

  • Stadspatriciaat

  • Bestuur + stadsmacht

  • Vrijheden

Representatieve instellingen: 3 standen:

  • Uitgangspunt = feodale raad vorst

  • Feodale edelen

  • Toenemende betekenis Derde Stand

  • In verstedelijking

  • Bevolkingsconcentraties (Italië, Nederlanden)

  • Financiële macht

Betrokkenheid representatieve instellingen:

  • Inhuldiging: constitutie

  • Instemming belastingen

  • Instemming oorlog

  • Tegen vorstelijke ambtenaren

  • Deelname wetgeving

  • Uitspraak recht

Moderne staat

Centraal bestuur met territorium + overwicht geweldsmiddelen

Afgebakend gebied + grenzen

Soeverein: regering door overheid: geen erkenning hogere wereldlijke macht + suprematie over alle onderdanen:

  • Wetgeving

  • Rechtspraak

  • geweld

Bureaucratisch: administratief + controleerbaar

Scheiding staatsmacht + persoon: formeel staatshoofd (koning) vs macht (regering)

Identiteit onderdanen: nationalisme

Suzereiniteit: feodale mediatisering overheidsmacht

  • Uitvoering essentiële overheidstaken;

  • Wetgeving

  • Rechtspraak

  • Banale revolutie

Feodaal (suzerein):

  • Monarchaal

  • Gezag gemediatiseerd

  • Via vazallen

  • Financiering door landbouw

  • Karolingische erflanden

Modern (soeverein):

  • Monarchaal?

  • Gezag direct

  • Via bureaucratisering

  • Financiering via belastingen

  • Wereldwijd?

Staat + oorlog

Volgens Parker:

  • Leger steeds omvangrijker:

  • Huurlingen

  • Staand

  • Technologie complexer + duurder

  • Bekostiging door grote heersers

  • Extern + intern

Volgens Tilly:

  • Oorlog = staten = oorlog: gaat om macht

  • Oorsprong moderne natiestaat:

  • Coercion-wielding

  • Distinct from household + kinships

  • Clear priority over other organizations

  • Within territories

Kritiek:

  • Nadruk overheid = top-down-focus

  • Obsessie ‘coercion’: geweld = niet alles staatsvormend

  • Teleologiesch (focus heden) + niet lineair

Staatsvormen

  • Vrije boerengemeenten (Oost-Friesland)

  • Autonome steden (Genua)

  • Lokale heerlijkheden (Monaco)

  • Federaties boerengemeenten + steden (Friesland)

  • Metropool met afhankelijke steden/gemeenten (Florence)

  • Kerkelijke vorstendommen (Pruisen) + prinsbisdommen (Utrecht)

  • Vorstendommen met zelfstandige heerser onder koning (hertogdommen/graafschappen)

  • Unies vorstendommen onder 1 koning (Nederland onder Hapsburgers): composite polities

  • Koninkrijken (Frankrijk)

  • Unies koninkrijken (Polen-Litouwen)

  • Keizerrijken (Byzantijnse Rijk)

  • = Onder koning/keizerlijke soevereiniteit: directe suprematie: gemediatiseerd = suzerein: soevereiniteit (Frankrijk) vs feodale machtsverhoudingen (Spanje, Italië, Duitse Rijk)

  • Macht door Hausmacht: bezit in rijksleen: koning vs territoriale vorsten (Honderdjarige Oorlog)

Unies territoriale vorstendommen: Duitse Rijk + Frankrijk: interne gebieden met eigen regels

= Composite polities (Koeningsberger): bijvoorbeeld Europese Unie:

  • Composite ipv unitary/national

  • Representative assemblies

= Personele unie:

  • Eenheden samen door aankoop, diplomatie, huwelijk

  • Eigen instellingen

  • Optreden door overkoepelende regering

= Frankrijk: Bourgondië + Bretagne

= Aragon: Castilië + Valencia

Vorstendommen + wapenschilden

Institutionalisering

Formalisering overheidsrelaties + overheidsposities: tijdelijk + ontslaanbaar

Bureaucratische instellingen:

  • College

  • Gesalarieerd personeel

  • Professionals

  • Reglementering

  • Vaste procedures

  • Heldere registratie

  • Vaste locatie

Ontstaan juridische hiërarchie

Ontstaan financiële hiërarchie

Klein bureaucratisch apparaat

= Fidelity accountability naar office accountability (persoonlijk contact naar ambtenarij): samenvallen financiële, juridische, militaire + politieke ontwikkelingen

Bureaucratisering

Belang vorst:

  • Betrouwbare, controleerbare ambtenaren

  • Effectief beheer

  • Versterking machtspositie tov feodale adel

Belang onderdanen:

  • Betrouwbare, controleerbare ambtenaren?

  • Duidelijkheid + regels: betrouwbaarheid

  • Effectieve besteding overheidsgelden

  • Heldere procedures

  • Betere behartiging Algemeen Belang

Constitutionalisme

‘Tegeneisen’ inhuldiging vorst:

  • Bevestiging rechten + privileges onderdanen

  • Beperkingen bewegingsvrijheid

  • Regelingen institutioneel vorstendom

Gevolgen:

  • Consolidatie macht vorst:

  • Wapen tegen feodale adel

  • Versterking greep territorium

  • Banale revolutie ingeperkt

  • Rechtvaardiging

Consolidatie staten:

  • Dialoog overheid + instellingen

  • Institutionalisering + bureaucratisering

Composite monarchies

Staatsvorming + professionalisering voor vorst + onderdanen: algemeen belang

Beambtenstaat

Concentrisch vanuit hof

Geestelijkheid = schrijven = Latijn: ambten = specifieke deskundigheid: financiën + recht: naar afzonderlijke instellingen

Klerikale status kanseliers (= hoofden schrijfkamers): vaak geestelijk, vanaf 1350 meer seculier

  • Geestelijke waardigheid = eigen inkomen + vertrouwen

Staatsvorming

Widerstandsrecht: geen gehoorzaamheid nodig bij nalatigheid = basis staat

Machtigere eenheden = dominantie + opslokking

Minder autonomie stad door macht vorst op bestuur

Meer macht vorst door uitbreiding + belasting

Tegengestelde regionale belangen

= Versterking staatsmacht

  • Groter gebied

  • Meer geweldsmiddelen

  • Ambtenarenapparaat: recht + belasting

Geen cohesie = gebiedsverliezing

Machtsverlies lokale + kerkelijke heren

  • Afhankelijk van wereldlijke heersers

  • Verlies kruistochtideaal + exclusieve functies

  • Wereldlijke instellingen nemen over: kerk = aflaten

= Secularisering:

  • Voortbestaan regionale instellingen

  • Gecommercialiseerde economie = flexibel + sneller

  • Mobiele economie = snelle lokale variatie

  • Overlegmodel kapitalisten + vorsten

  • Eigenheid West-Europese eenheden vs imperiaal ruraal Midden + Oost-Europa

1300

Algemeen

Geleerdheid + politieke filosofie

1300: dualisme

Marsilius:

  • Macht clerici = verdeling christendom

  • Fix: geestelijkheid geen wereldlijke macht

  • Geestelijk = beperkt ambtenaar

  • Wereldlijke leiders vertegenwoordigen hele bevolking

  • Functie leider = handhaven orde + welvaart

Wyclif:

  • Zichtbare katholieke kerk + onzichtbare ware kerk

  • Geestelijkheid = geen eigendom

  • Bijbel = voldoende voor gelovigen: vertalingen nodig

  • Geestelijkheid = geen noodzaak: alleen goeden

  • Geestelijkheid = onder koning als medeburgers: geen privileges

Avignon

1300: verlies universalisme, uitbreiding centralisme: versteviging positie + bureaucratisering curie (pauselijk hof)

  • Belasting geestelijkheid door paus

  • Revenu uit vergeven kerkelijke ambten (beneficies)

Meer afdelingen

Paus = overal invloed

Verrijking pauselijk bezit

Religieuze crisis

1300: lekenheersers vs christenheersers

Conflicten vorsten + pausdom:

  • Nieuw caesaropapisme

Antipaus vs koningen:

  • Politieke filosofie: variatie christendom

  • = Leken meer invloed binnen kerk: nationale kerken: meer solidariteit

  • Meer scheiding = meer verdeling =kerkelijke crisis

  • Bonifatius VII vs Filips IV: immuniteit geestelijkheid tegen belastingen + koninklijke rechtspraak + processen Tempeliers

  • Belasting voor oorlogen nodig: noodzaak

  • Bisschopverrader berechten

  • Filips = Tempeliers veroordeeld tot ketterij: koning = baas correcte religie

  • = Monarchie met eigen pauselijk gezag

  • Johannes XXII vs Lodewijk IV: rivaliteit macht Italië + alliantie Lodewijk met franciscanen + keurvereniging Rhense (1338)

  • Johannes steunde Lodewijks rivaal: Lodewijk geëxcommuniceerd

  • Grondwettelijke breuk vorst + paus: keurvorsten kiezen Rooms-keizer zonder goedkeuring paus

  • = Monarchie zonder pauselijk gezag

1378 – 1417: Westers schisma Rome vs Avignon

  • Urbanus II + Clemens VII: keuze dubbele paus

  • Keuze ene/andere per koninkrijk (Avignon vs Rome)

  • Oplossingen:

  • 1 paus afzetten

  • 1 paus aftreden

  • Weigering pausen erkenning

  • Bijeenkomsten concilies (1415): nieuwe paus na aftreding

  • = Conciliarisme: concilie boven paus

Paradoxen religieuze bemiddeling mens + God:

  • Inflatie traditionele vormen devotie:

  • Relikwieën: veel geld voor verkrijgen:

  • Bedevaarten

  • Broederschappen

  • Kapellen zielenzorg

  • Invloed religieuze kennis gewone mensen

  • Hervormingen:

  • Gemiddelde mens:

  • Kennis credo

  • Kennis belangrijkste gebeden

  • Kennis zedelijke voorschriften

  • Wat kennis 7 sacramenten

  • Wat kennis eschatologie (leer der laatste dingen)

  • = Grote religieuze toewijding:

  • Katholieke virtuozen

  • Moderne Devotie (Geert Grote): alliantie:

  • Lekenbroeders + -zuster Gewone Leven

  • Kanunniken/-essen hervormde kloosters

  • Lekenvrouwen-connectie franciscanen

  • = Meditatie (over Christus + navolging) boven kerkelijke rituelen

  • Mystiek:

  • Frequente communie voor opname Christus = hostie

  • Vrouwelijke mystici: voeden met zijwond Christus (water + bloed): heilig vs heks

  • Mystici = invloed + politieke plannen (Jeanne d’Arc)

  • Toename marginale groeperingen: meer vijandigheid:

  • Melaatsen

  • Ketters

  • Heksen (vanuit stedelijke overheden)

  • Bedelaars + armen

  • Joden:

  • Schending hostie (bleef intact na opzettelijke verwoesting)

  • Bloedsprookje (kidnapping + offeren christelijke kinderen)

  • = Georganiseerde massamoorden tijdens pest door christenen

  • = Verdreven uit steden Heilige Roomse Rijk

  • = 1492: verdreven uit Spanje

Gotische kunst

Focus abstract + decoratie

Door kennis Arabische wiskunde + geometrie aan kathedraalscholen

Tegelijk met scholastiek (= middeleeuwse vakken): streven structuren + elegante verdelingen

1300: verspreiding door groei Franse macht + financiële steun burgers in snelgroeiende steden: concurrentie + prestige = belang stad tonen = torenhoogte

1400: glas-in-loodramen, muurschilderingen, beschilderde altaarstukken + houtsnijwerk

Kathedraal:

  • Religieuze diensten effectief uitvoeren

  • Prestige monarchie/stad

Gotiek ook op gewone gebouwen + voorwerpen

Midden-Europa

1300: aangehuwde West-Europese dynastieën in Hongarije-Polen + Bohemen

Hongarije = migranten met eigen rechten + koninklijke dynastieën vs onderlinge adel + Osmanen

Polen:

  • Duitse handelselites

  • Hongaarse bondgenoten

  • Oosterse expansie

  • = Vs Mongolen + heidense Litouwers

Litouwen: centraal bestuur groothertogdom + dynastie: vs christelijke adel

  • Vs Moskou + Mongolen + Russische gebieden

  • Guerilla-strategieën + belasting = bescherming

Russische gebieden

Confederatie vorstendommen (vanuit Kiev)

Vs Mongoolse Gouden Horde

1300: Moskou = grootvorsten = vazallen Mongoolse Rijk: controle naar Novgorod (autonome verbinding Baltische + Zwarte Zee + zijderoutes)

Elite = loyale dienaar grootvorst

Byzantijnse Rijk

1300: vs Servische koninkrijk

Europa

1300: autonomie steden

Handelingsruimte kooplieden tov autoriteiten: eigen waarden en normen door afzonderlijke rechtsgebieden: nastreven eigen materiële rijkdom (= handelskapitalisme)

  • Grotere invloed handel op levenswijze: start in Italië

  • Grote vernieuwingen technologie, transport + producten

  • Groei populatie = groei agrarisch = commercialisering meeropbrengsten

  • Externe omstandigheden + mogelijkheden (Italië = overzee)

Bevolking

1300: bevolkingsafname + handelstoename

  • Stijging levensstandaard overlevenden

  • Winstmogelijkheden passen aan aan vraag: dynamiek door ongelijkheid, complementariteit + competitie

Stad

1300 – 1500: daling bevolking + meer in steden

  • Grootsten in Italië + Iberië (kust)

  • Meeste = honderden – duizenden inwoners = Kleinstädte (continentaal)

Crisis + contractie:

  • Demografische crisis

  • Economische verschuiving: voordeel loonarbeider

Klimaat

1300 – 1400: afkoeling

Misoogst

Lagere oogst = duurdere prijzen:

  • Klein deel voor markt: grote fluctuatie marktaanbod

  • Graan = goedkoopst: prijsstijging = vraagstijging + minder vraag naar niet-noodzakelijk voedsel/ambacht

  • Voorraden achterhouden voor prijsstijging

Prijsfluctuatie ongeveer gelijk in Europa: afhankelijk van afstand tot productiegebied + omvang aanvoer

Tijdlijn

Rome/Avignon

1294: Bonifatius VII: paus = hoogste macht: afgezet door Filips IV

1309: paus in pauselijke enclave Avignon (tussen Frankrijk + Duitse Rijk)

Tempeliers te rijk in Frankrijk = verketterd door Clemens V (om Bonifatius VII’s status te beschermen)

1316: Johannes XXII in Avignon vs Rooms-keizerkroning Lodewijk IV van Beieren in Rome door leek: wederzijdse verkettering + tegenpaus

Versterking bekende argumenten: paus = superieur vs koning = in (wereldlijke) wereld autonoom: paus = alleen educatieve rol + Marsilius = volkssoevereiniteit (Defensor pacis)

Wyclif:

  • Kerk = geen bezit/wereldlijke macht

  • Waarheid in Bijbel: letterlijk ipv allegorisch

  • Niet-evangelische leefwijze geestelijken + = tussenpersonen: overbodig

= Radicaliserende bewegingen + kruistochten ertegen

Hongersnood

1315 – 1317: Grote Hongersnood door 2x slecht weer

Geen opslagmogelijkheid

Overheidsbemoeienis (tegen) graanschaarste: prijsstijging beheren vs export/import verhinderen

Hongerziekten + vergiftigd/rottend voedsel eten

Kinderen = later vatbaar voor ziekten

Veepestepidemie: dood door vele regen + pest: minder mest, trekkracht, vlees, zuivel + wol

Voedselschaarste overal, maar massale sterfte zeldzaam

Ongedierte + plantenziekten = enorme misoogst: 2 opeenvolgend = geen voorraad/zaaizaad voor volgend seizoen

Verschillen oogstomvang: versterkt doorgegeven aan markt = grote schommelingen: steden zwaar getroffen + meer vraag = hogere prijs: prijsinelasticiteit: ongeacht prijs zelfde vraag (= altijd enorm): dus meer inkomsten aan graan kwijt

1315 – 1317: algemene hongersnood:

  • Herhaalde slechte weersomstandigheden: 2 opeenvolgende misoogsten

  • Gebrekkige marktwerking

  • Grote bevolkingsconcentraties

Markt: onvolkomen (= sterke prijsverschillen regionaal): onderontwikkeld transport

Opkomende staten: negatieve effecten graanschaarste = maatregelen: graanimport

Mensen blijven kinderen krijgen, maar ondervoed = gevoeliger voor ziekte

Oorzaken:

  • Lege productiviteit + geringe marktintegratie: kwetsbaarheid

  • Klimaat + gewasziekten

  • Bevolkingsgroei verhoogt kwetsbaarheid + gebrekkige hygiëne

  • Uitbreiding landbouw naar marginale gronden = minder opbrengst

Effecten:

  • Lange termijn: stagnatie bevolking 1280 – 1490

  • Pre-industriële bestaanscrisis:

  • Graanprijzen duurder dan daling aanbod = King-effect:

  • Klein deel oogst voor markt = groot effect markt

  • Graanprijsstijging = vraagstijging want niks anders beschikbaar: algemene crisis

  • Voorraadvorming + geselecteerd aanbieden voor handelaren = maximale prijs verkrijgen

  • Afname vraag overige producten = werkeloosheid

  • Vraag graan inelastisch: verschuiving naar slecht graan = ziektes

Franciscanen

1323: ‘Christus = bezitloosheid’-canon = ketterij

Mongoolse Rijk

1330: pestepidemie: vanuit Mongoolse Rijk naar China + Europa

Oorlog

1330: uitvinding kanon

Honderdjarige Oorlog

1337 – 1453: Engelse gebieden in leen op Frans territorium: beide expansie

Hoge financiering oorlog = ambachtsopstanden

In fases

Frankrijk: nederlagen: focus centralisatie + nationalisme = staand leger + permanente belastingen

Engeland: onderlinge strijd adel

Italië

1300: studia humanitas (= niet aristotelisch)

  • Grammatica

  • Retorica

  • Geschiedenis

  • Poëzie

  • Moraalfilosofie

1304 – 1374: Petrarca: orenator, dichter + diplomaat

1313 – 1375: Boccaccio: filoloog, Latinist + auteur

= Bewonderaars Dante (1265 – 1321) (scholastisch) + belangrijk in Florence = centrum humanisme

1330 – 1406: Salutatio (Florence):

  • Vaardig in schrijven + retoriek

  • Promotie vita activa in leven, vita contemplativa = alleen in hemel

  • Kritiek nieuwe despoten (= tirannen: veel macht, geen gehoor wet) (vs Milaan)

  • Vrijheid stadsleven

Grote invloed op Latijnse scholen (voor burgerij-kinderen)

= Mentale omwenteling:

  • Vergroten praktische waarde hoger onderwijs = ontwikkeling morele, zakelijk + politieke karaktereigenschappen (Noord + Midden-Italië = veel (in)formele participatie)

Cicero ipv Aristoteles: nadruk welbespraaktheid

Vernieuwingen tekstkritiek:

  • Echtheid

  • Context afhankelijk van interpretatie

  • Vergelijkend + historisch

Verwerping middeleeuws christendom + aandacht toevalligheden

Nadruk Latijn: vehikel voor idealen: classicistisch = niet populair, volkstaal veel meer

Parijs

1350: 4 faculteiten: door 1 rector + 3 decanen (dekens)

Onderwijs

1350: algemene tweedeling onderwijs: nieuwe weg (via moderna) (Ockham) = gescheiden wetenschap + theologie; oude weg (via antiqua) (Thomas van Aquino) = verwoven-ish wetenschap + theologie

= Meer autonoom onderwijs natuurfilosofie:

  • Minder christelijke dogma’s

  • Minder afhankelijk van Aristoteles door Gods almacht: kritiek + speculaties

  • = Gezag kerk/Aristoteles wel altijd onderkend

Ook invloed wetenschap op theologie: theologische kwesties met wetenschap oplossen

= Vertraging wetenschappelijke ontwikkeling door weinig vernieuwing + druk theologie: vooral vernieuwingen door niet-(antieke) universitaire leden (kooplieden)

Europa

1347 – 1353: Zwarte Dood (pestepidemie)

30% - 60% bevolking dood

Door Yersinia pestis-bacterie: in vlooi: in knaagdier: sterfte: vlooi op mensen: sterfte

Vanuit Mongoolse Rijk

Pandemisch: endemisch = actief in series epidemieën

Geen verweer door snelle dood

  • Builenpest: ontstoken lymfeklieren + donkere onderhuidse bloedingen + aantasting zenuwstelsel + dood binnen 5 dagen, 60% dodelijk

  • Longpest: dood binnen 3 dagen, 100% dodelijk: overdragen door hoesten

1347: vanuit Mongoolse Rijk naar Krim naar Mediterranen: via havens naar steden + platteland: zowel dun- + dichtbevolkt = overdracht door mensen (= longpest)

Ziekte bestrijden = op afstand houden:

  • Stad isoleren door verkeerscontrole

  • Huizen/wijken isoleren

  • = Milaan + Venetië: quarantaine (toegang na 40 dagen)

  • = Neurenberg: hygiëne

Vele echo-epidemieën, elk 10%-20% Europa dood

Ook andere ziektes

Einde pest na 3 of 4 eeuwen door eind endemie: mutatie/ecologische verandering

Malthus geaccepteerd

Oorsprong:

  • Exogene factor: endemisch in Zuid-Azië

  • Bacterie via handelsroutes naar West-Europa:

  • 1347: belegering Kaffa (Krim): Genua

  • Bacterie

  • In tandresten begraafplaats Provence

  • Rattenvlo met bacterie via galeien

‘Zwarte dood’ (1800): grootste biologische ramp Europa: 30% - 50% populatie dood

Viel iedereen aan door ratten overal

Middeleeuws perspectief: verspreid door lucht:

  • Stad ontvluchten (naar schone platteland)

  • Ramen afsluiten (lucht tegengaan)

  • Badverbod (poriën = toegang ziekte)

Modern perspectief: via speeksel

Pest-verspreiding:

  • Snel

  • Ontbreken immuniteit

  • Handelscontacten

  • Overbevolking

Bacterie:

  • Door Yersin ontdekt

  • Builenpest (vlooienbeten): dood binnen 5 dagen

  • Longpest (speeksel)

  • Sceptische pest (speeksel): dood voor builen

  • Komt telkens terug als echo

  • Geen afweer door snelle dood

1347 – 1352: eerste golf

10-jaarlijke terugkeer tot 1402: geen kans op herstel

In dun- + dichtbevolkte gebieden (door integratie)

  • Minder impact door gedwongen isolement wijken

  • Streng toezicht hygiëne

  • Quarantaine-systeem

Reacties:

  • Geen medisch antwoord

  • Religie:

  • Toorn Gods: devotie

  • Flagellanten, processies, vrome stichtingen

  • Bestuur: toezicht + maatregelen

Byzantijnse Rijk

1350: vs Osmaanse Turken (islam)

  • Bureaucratie, grenscontroles + belastingen

  • Nomaden: focus Bulgarije + Servië = pragmatische expansie (steppen)

  • Huurlingen in Griekenland

Frankrijk

1355: belasting op zout + 30e penning op handelswaren

Duitse Rijk

Keizerschap: geen effectieve macht: beperkte invloed paus, meer koning

1355: regelgeving koningsverkiezing Duitse Rijk: blijvende rivaliteit vorstengeslachten

Eigen dynastieke middelen = macht

Duitse Hanze

1350: Hanze = netwerk individuele handelaren voor risicospreiding

1358 – 1669: liga handelssteden ipv handelaarsassociatie: handelsbelangen burgers bevorderen

Rome/Avignon

1377: terugkeer paus naar Rome (rust Italië): dood = nieuwe paus in Rome + Avignon

1378 – 1414: Westers schisma:

  • Keuze paus per koning

  • Zuid + West-Europa = Avignon

  • Noord + Centraal-Europa = Rome

  • = Door bondgenoten + tegenstanders

  • Fix: conciliarisme: rol + bevoegdheid concilie

Italië

1370 – 1444: Bruni (Florence):

  • Centrale rol burgerlijk deugd voor politieke vrijheid

  • Vrijheid, gelijkheid

  • Evenwicht + samenwerking binnen alle stadsgroepen

1380: humanisten aan universiteiten: kleine invloed

Scandinavië

1387: personele unie Noorwegen, Zweden + Denemarken door Margrete + zoon

1400

Algemeen

Geleerdheid + politieke filosofie

Hus: hervorming noodzakelijk: focus voorbereiding Antichristus: zuiverheid nodig

Wyclif + Hus veroordeeld tot ketterij

1400: slechte kruistochten = gedwongen compromis met hervormingen

Oorlog

1400: kanon = duur: vorsten = bezit vs autonome steden

Aanpassingen:

  • Infanterie = falanx (speerformatie) vs calvarie

  • Oorlog = permanente troepen ipv vazallen-oproep (gen d’armes)

Noodzaak legitimatie (religie: kruistocht tegen ketters): hoger belang: heilig doel (vs adellijke conflicten)

Jaarmarkten

1400: groei handelsverkeer = permanente markten: afname jaarmarkten

Noord-Italië

1400: regionale staten met hoofdsteden + onderworpen steden + dorpen + platteland: voordeel (hoofd)stad

Hanze

1400: bemoeienis steden = formalisering: alleen deelname/afgezanten bij eigen belang: Hanzedag = samenkomst

Belastingen

1400 – 1600: belastingstelsel onafhankelijk van onderdanen: afhankelijk van economie:

  • Export: belast buitenlandse kopers

  • Import: belast eigen onderdanen

Stad

1400: representatieve instellingen = lokale cliënten monarchie ipv handelsbourgoisie

Intensivering cultuurareaal

Minder arbeidsintensieve landbouw: meer weide + veeteelt (afgebakende weide voor schaapjes) + Wüstungen

Uitbreiding handelsgewassen: ontwikkeling plattelandsnijverheid

Verdere commercialisering massagoederen: uitbreiding handelscircuits + transportcapaciteit schepen

Uitbreidende adel: squire + gentlemen

Toename urbanisatie

Statusgroepen: sociale + juridische afsluiting met eigen levensstijl (gilden)

Onderklassen: dagloonzoekers

Positie vrouw

Tweeslachtig:

  • Kerk: heiligverklaring vrouwen (met negatieve hoofdgedachte: onderworpen aan man)

  • In lagere klassen: actief in inkomstenverwerving:

  • Vrouwenoverschot = verslechterde positie huwelijksmarkt

  • Demonisering alleenstaande oude vrouwen vs juridisch onafhankelijke weduwen (door opkomende hokjesgeest: samenleving in groepen verdeeld)

  • Veiliger binnen stadsmuren (werk + kloosters)

  • Opkomst geneeskunde = negatieve magie: 1500 – 1800 heksenjachten

Pest

1400: minder epidemieën + meer regionaal

1400 – 1600: endemisch aanwezig: opflakkeringen

Demografische achteruitgang

Malthus: bevolking groeit sneller dan voedsel: minder door druk opheffen:

  • Goedschiks (preventive checks): minder kinderen krijgen

  • Kwaadschiks (positive checks): sterftestijging

  • Mens = lui

Kritiek op Malthus:

  • Boserup: technologische innovaties

  • Seavoy: markteconomie + verandering peasant mentality (risk avoidance + veel kinderen voor eigen verzorging)

  • Migratie/kolonisatie

Ricardo: Malthus +:

  • Wet afnemende meeropbrengsten (= relatief, wel meer absoluut): meer arbeid aan grond = minder productiviteit

  • Grondrentetheorie: meer bevolking = meer slechte grond

  • Fix = gunstige effecten op levensstandaard

Boserup: meer bevolking = meer innovatie want meer voedselproductie nodig

Seavoy: peasant mentality =

  • Subsistence compromise

  • Risk avoidance

  • Children solution for old age-care

Kritiek op Seavoy: belasting door leenheren, niet alleen conservatieve boeren

Brenner: boeren overbelast door grondheren

Geen malthusiaanse crisis:

  • Pest = exogeen

  • Klimaat = exogeen

  • Geen hervatting na sterftestijging

Moraliteit groter dan fertiliteit door echo’s

Regionaal minder fertiliteit: vrouwen = in arbeidsleegte (Europa) + niet vruchtbaar hertrouwen (Mediterranen)

Neomalthusiaanse economie:

  • Deflatie-spiraal (alles goedkoper) op platteland

  • Crisis = minder huwelijk = minder fertiliteit

Gevolgen:

  • Land goedkoper + arbeid duurder: nederzettingen opgeven

  • Betere grond + minder mensen = goedkoper graan

  • Minder mensen = minder arbeid + mensen naar stad = duurder graan (relatief, absoluut wel goedkoper):

  • Lage grondprijs = zelfvoorzienend

  • Minder arbeid = hogere lonen: stijging levensstandaard: focus duurdere producten = graan = geen focus

Gevolgen bevolking:

  • Grootgrondbezitters: adel + kloosters

  • Dalende inkomsten + stijgende uitgaven

  • Deel bezit verkopen/geld trouwen/nieuwe inkomsten

  • Lonen inperken, vrije arbeid beletten + prijzen verhogen

  • Boeren aantrekken

  • Specialisatie extensieve veehouderij: veel grond + weinig arbeid

  • Arbeidsbesparende technologie: lichte ploeg + zicht (korte zeis)

  • Boeren: keuters (kleine woningen) + landlozen:

  • Focus aanvullende loondiensten

  • Lonen lager op platteland = handelaren verplaatsen productie

  • Niet-agrarische diensten

  • Middenklasse: = alleen zelfvoorziening:

  • Geen financiële reserves

  • Grote boeren:

  • Financiële buffer

  • Diversificatie = op markt afstemmen

  • Bescheidener consumptie + minder loonarbeiders

Gevolgen honger + pest

1350 – 1490: stijging reële lonen (koopkracht): relatieve toename

Daling arbeid = daling grondbewerking (verlate dorpen): vruchtbare gronden wel bevolkt

Daling grondbewerking, maar arbeidsproductiviteit + productie per consument bleef gelijk

Daling graanvraag = daling prijzen

Dalings arbeidskracht = stijging lonen

Stijging lonen = stijging levensstandaard

Stijging levensstandaard = stijging vraag luxegoederen (vis, vlees + zuivel): ontwikkeling mode

= Gouden eeuw loonarbeid: grond goedkoper, arbeid duurder

= Toename vraag naar:

  • Ambachtelijke producten: opkomst in steden

  • Vlees, zuivel + groenten

  • Luxeproducten

= Stimulans: commercialisering + productiediversificatie

Tijdlijn

Italië

1400: teruggreep op antieke voorbeelden: vormentaal + meetkundige verhoudingen: stijging ambities kunstenaars door toepassing artes: boven Italië = eigen kunststijl

Buiten Italië:

  • Verbonden met hervorming roomse kerk

  • Door netwerk universiteiten + persoonlijkheden

  • Bezwaringen tegen heidense antieke idealen

  • Luther: humanisme voor verbeteren Bijbelonderwijs

  • 1467 – 1536: Erasmus: humanisme voor kerkelijke verbeteringen: renaissance ipv reformatie: morele verbetering individuen ipv verwerpen dogma’s

  • Drukpers

1450: Florentijns platonisme: Plato + occult: ego-gericht + apolitiek

1469 – 1527: Machiavelli (Florence): politiek-moraal humanisme: deels vrije wil, deels geluk: vorstenspiegel

  • Pessimistisch mensbeeld

  • Florentijns patriot

  • Staat = hoogste waarde koste wat kost: handhaving

  • Virtu = geen deugd, = nodig voor bestrijding entropie + toeval

  • Religie = middel staat-regeren + vasthouden

Homo universalis: veelzijdig individu:

  • Virtu (persoonlijke kwaliteit)

  • Ingegno (aangeboren talent)

  • Fantasia (verbeeldingskracht)

Italië

1400: competitie (expansie) Venetië, Florence + Milaan

1442: Zuid-Italië veroverd door unie Aragon + Castilië

1454: vrede tussen Venetië, Florence + Milaan

1499: invasie Frankrijk vs pausen + Habsburgers: Habsburgers winnen in Italië = kleine afhankelijke staatjes

Oorlog

1415: uitvinding kanon

Rome/Avignon

1414 – 1418: Concilie van Konstanz = openbaar: pausen = aftreden + 1 nieuwe

= Vacuüm = aansterking nationale kerken:

Nieuw evenwicht = meer pauselijke macht in Rome + minder vrijheid kerk: afhankelijk van wereldlijke vorsten

Scandinavië

1425: afscheiding Zweden van unie met Noorwegen + Denemarken

Kerk

1431: nieuwe hervormingen: nieuwe paus = herstel pauselijk gezag, maar verzwakt

Frankrijk

1435: 30e penning op handelswaren

1439: jaarlijkse taille = grondbelasting voor alle Fransen

Polen-Litouwen

1447: huwelijk = unie

Europa

1450: 60% aantal inwoners van 1300: traag herstel

1450: weidegronden afsluiten voor adellijke schaapjes

Frankrijk

1450: toename grootte + afdelingen leger

Professionalisering

Specialisering

Alleen betaalbaar voor hoogste machthebbers

Honderdjarige Oorlog

1453: eind: Engeland alleen Calais

Osmaanse Turken

1453: verovering Constantinopel + Genuese Krim

Veroveringen op Mamlukken + Hongarije: strak leger vs verdeeldheid

Constantinopel

1453: val door Osmaanse Turken: slavenhandel voortgezet

Kerk

1460: concilies verboden:

  • Geen standaardapparaat

  • Teveel kritiek op paus, te weinig op hervormingen

Oorlog

1460: uitvinding handvuurwapens

Novgorod

Na val Constantinopel = nieuwe orthodoxe tsaar (= caesar) door huwelijk met Byzantijnse Rijk

1478: veroverd door Russen op Mongolen

Ondernemingen

1480: zelfstandige status filialen

Iberië

1492: unie Castilië + Aragon = behoud eigen instellingen: Aragon = maritiem imperium, Castilië = adellijke + kerkelijke grootgrondbezitters

Staatsvorming door Reconquista: belangengemeenschap koningen, adel + steden

Cortes = standenvergadering: controle koning + wetten + belastingen (Aragon met Barcelona) vs alleenheerser (Castilië)

Aragon = autonome handelssteden + samengesteld koninkrijk

Zeehandel los van koninklijke ambtenaren + rechters

Europa

1490: 200 staten

Spanje

1492: joden verdreven

1500

Algemeen

Europa

1500 – 1800: herstel bevolking

1500 – 1800: heksenjachten

Tijdlijn

Florence

1512: republikeins

Duitse Rijk

1555: vorstendommen + steden bepalen religie

Rest

Europa

1900: 20 staten