Kopie.docx
VROEGE MIDDELEEUWEN
Kerk
Onbereikbare morele idealen: redding door schenkingen: rijkdom
Vermenging kerkelijk met wereldlijk: kloosters in lekenbezit en bemoeienis
Morele verbetering
Dualistisch zeggenschap
Maria = hemelkoningin (troon)
Steden
Primair: machtscentra
Vorstenresidenties
Religieuze centra
Aristocratie aan hof
Secundair: commercieel
Lokaal (landgoed/abdij)
Internationaal (emporia)
Onderwijs
Centra intellectuele vormgeving = kloosterscholen + kathedraalscholen
500 – 1000
Algemeen
Tijdlijn
Byzantijnse Rijk/moslimrijken
800 – 1000: hoogtepunt
Onderwijs
800 – 1000: studie naar:
Bijbel + kerkvaders
Vorming karakter + manieren ipv ontdekkingen
Redding oude werken in Karolingische periode
Europa
900: verstedelijking = grootste invloed op Europese geschiedenis pre-Industriële Revolutie:
Relatie met elkaar
Basis door communes, niet vorst
Technologische innovaties
Institutionele vooruitgang
Handel
Macht
Ideologische vernieuwing
= Stad = centrum
Historische continuïteit: moderne grote steden gelijkend aan middeleeuwse grote steden, minder continu met Romeinse Rijk-urbanisatie
Europa
900 – 1200: Commerciële Revolutie (Lopez)
Internationale toename handel
Massaler
Meer alledaagse producten + minder verre oorsprong
Schaalvergroting door:
Toename koopvraag elites
Nieuwe financieringsinstrumenten
Beter transport
Cluny
910: abdij
Hervormingen voor zuiverheid Benedictus
Liturgie + bidden voor zielenheil
Direct onder paus
Zo’n 1000 dochterpriorijen
Centrum geleerdheid
Benadrukt relatie paus door relieken Petrus + Paulus
Te rijk
Teveel banden wereldlijke macht
Fatimiedenrijk/Egypte
969: dynamisch hart moslimwereld: Caïro = hoofdstad + belangrijkste markt Midden-Oosten: toestroom mensen (hout, slaven, handelaren + werkzoekenden)
Militaire macht, economische welvaart + cultureel sterk
Kerk
989: Godsvredebeweging (Pax Dei/Godsbestand): tegen geweld banale heerschappijen
Geweldsbeperking, -verbod + ontzien kwetsbare groepen
Afgedwongen door kerk via volkswoede, ook vs kerk
Vredes in eigen geestelijke + wereldlijke machtsgebieden
HOGE MIDDELEEUWEN
Kerk
950 – 1250: religieuze vernieuwing
Investuurstrijd verkiezing bisschoppen + positie paus: hiërocratie + ‘monarchie’
Nieuwe idealen: reformatie clerus + kloosterwezen: nieuwe ordes
Nieuwe idealen: vermenselijking Christus + Maria: dichtbij
Grotere betrokkenheid leken bij religie: pastorale revolutie door toename inwoners steden + kunnen lezen
Tot 1059: pauskeuze door ‘clerus + volk Rome’: door adel Rome
Hiërocratisch zeggenschap
Simonie: verbod op kopen kerkelijke ambten
Kloosters in stedelijke gebieden (Europa): geen afzondering
Nieuwe orden: veel kloosterorden ten onder aan giften door populariteit: opgeheven na kritiek
Dichter bij Christus komen: christenheid actief uitdragen
Imitatio Christi: leven als Christus
1100 – 1400: lijden van Christus: lijdend mens
= Empathie + inleving opwekken
Aanzetten tot contemplatie + devotie
Fysiek intimiteren Christus’ lijden: eigen lichaam verwaarlozen/pijnigen
Christus = aanwezig (hostie)
Christenheid = corpus mysticum Christi (mystiek lichaam: hostie) = corpus Christi:
Hostie ronddragen in processies
Christus aanwezig in gemeenschap
Letterlijk vlees + bloed = transsubstantieleer (= wetenschappelijk)
Mis = fysieke ervaring
Antisemitisch (Christus aangevallen)
Hostie-verering
Pax Christi: vrede nastreven
Vrede = kern christendom (aardse vrede = hemelse vrede)
Persoonlijk: innerlijke harmonie
Collectief: pacificatie ongelovigen + gewelddadige groepen: wel gerechtvaardigd tegen niet-christenen
Vita aostolica: leven als apostelen (armoede-ideaal + goede doelen)
Verandering Maria-devotie: moederfiguur: identificatie:
Treurende moeder
Christus als baby: herkenning ipv keizerfiguur
Pastorale revolutie: leken = meer betrokken
Beter geïnformeerd
Activistischer (bedevaarten, eigen devoties, preken, sacramenten)
Democratisering heiligheid
Volkstalen
Christendom = militanter + fundamentalistischer (exclusiever) + fanatieker
Kritiek op kerk
1200 + 1300: vrouwelijke heiligen
Gevolgen:
Kleinere invloed adel op kerk
Tot 1300: groei macht paus: meer nationaliteit
Kloosters meer gescheiden van kerk + wereldlijke macht
Toenemende devotie onder leken (in volkstaal)
Bureaucratie
Heilig College (kardinalen)
Secretariaat
Financiën
Rechtspraak gewetenszaken
Andere rechtspraak
Gezanten (Legaten)
= Groeiende macht: hiërocratisch: versterking leiderschap + wereldlijke heerschappij
Kruistochten
Heilige oorlog met toestemming paus: expeditie = pereginatio
Pelgrims, adel, gewone mensen + monniken
Kruisvaardersgelofte
Aardse privileges + bovenaardse geloften
Kruisvaardersstaten: Jeruzalem (Zuiden), Tripoli (Zuidwest-Syrië), Antiochië (Noordwest-Syrië) + Edessa (Westen)
Logistiek: Italiaanse maritieme republieken = schepen, voedsel + voorraden: permanente aanvoer naar kruisvaardersstaten
Verdeeldheid onder christenen
Latijnse kolonisatie: binnen stadsmuren:
Ridders
Religieuze ridderorden
Verzorgen gewonden
Burchtenbouw
Italiaanse handelaren
In + met bewoners kruisstaten
Door oorlog onstabiele handel
Contacten Mediterranen bleven constant
Nieuwe impulsen door kruistochten
Stadswijken met eigen jurisdictie: autonomie (foenoek)
Europa
Bevolkingsgroei
Christenen, adel (ridders te paard + kastelen: veroveringen + huurlingen), agrarisch (Ostkolonisation) + commercieel (handel: Italiaanse maritieme republieken: Amalfi, Pisa, Venetië + Genua: goedschiks + kwaadschiks: oorlogsvloten + uitbreiden markten)
Meer interactie, migratie + kolonisatie
Van kern naar periferieën
Byzantijnse Rijk/Griekenland/Turkije
Verliest territorium aan Normandiërs (Zuid-Italië) + Seldjoekse Turken (oosten)
Zwakke keizers
Machtsverschuiving keizers naar lokaal
Fatimiedenrijk/Egypte
900 – 1170: militaire macht + economische welvaart
Caïro = handelshoofdstad
Hout + slaven
Jodengemeenschappen: gemengd in lokale bevolking
Culturele bloei
Expansie Seldjoekse Turken
Seldjoekse Turken/Iran/Palestina
1000 – 1200: sterke expansie
Interne problemen staatsbeheer
Duitse handel
Oost + Noordzee (Hanze)
Lübeck gesticht: Duitse gateway naar Oostzee (Noord-Duitsland)
Permanente vestigingen Londen, Brugge, Bergen (Noorwegen), Novgorod (Rusland)
Gotland: eiland in Oostzee
Schonen (Zuid-Zweden): belangrijkste internationale markt
Aanvallen op steden: handel beïnvloed door vorsten
Denemarken, Rusland, Oost-Baltisch gebied, Duitsland, Nederland + Noordzee
Kogge: met kasteelbouw: tot oorlogsschip omtoveren (brede schepen)
Geen permanent stedenverbond: = netwerk handelaren + steden
Ommelandvaart: om Denemarken heen ipv Lübeck
Privileges (= bevestiging bestaande praktijk)
Schonen: geografisch middelpunt: haring + andere producten
Dynamisch + bulkgoederen + langeafstand
Goedschiks + kwaadschiks: oorlogsvloten + vs concurrerende (piraten)
= Commerciële Revolutie (Lopez(: belangrijkste handel + oorsprong kapitalisme
= Nieuwe ontwikkelingen + herinvesteringen voor extra winst (Italië)
Stad
Nederzetting met geconcentreerde bewoning + centrumplaatsfuncties binnen regionaal verzorgingsgebied (= stad + omgeving)
Produceert niet zelf voedsel (wel = dorp)
Markt
Bestuur
Afhankelijk van:
Omvang
Bevolkingsdichtheid
Sociaaleconomische kernmerken
= In verzorgingsgebied
Urbanisatiegraad: belang steden in samenleving: percentage van het aantal bevolking in stad
Urban potential (De Vries): stad = in relatie met omgeving
Inwonersaantallen >10.000 inwoners
Onderlinge afstand
Geografische ligging (water)
= Rond 1500 hoogst in Zuidelijke Nederlanden + Noord-Italië
Commune: gezworen gemeenschap burgers met zelfbestuur + specifieke rechten: organisatie burgers voor help + bescherming door eed: tussen gelijken
Beëdigde burgers met 100% stadsrecht
Eed = wederzijdse hulp + bescherming
Samenzweringen (coniurationes)
Solidariteit, horizontale verbanden + (juridische) gelijkheid
In essentie buiten feodaliteit
Bij stichting nieuwe steden
Kan strijd aangaan met landheer: autonomie opeisen/samenwerken: landsheer = orde, communes = inkomsten
Vaak zelfde commerciële belangen
Romeinse wortels:
Bisschopssteden
Residentiesteden vorsten
Binnen ex-Romeinse Rijk
Nieuw gesticht:
Bewust door landsheer
Spontaan
Buiten feodale stelsel (leenheer-leenman past niet)
Versnelling urbanisatie
900 – 1200: groei bestaande steden: uitbreidingen + stadsmuren
Uitbreiding aantal steden: handelscentra:
Samenvloeiing rivieren (Leiden)
Riviermondingen (Genua)
Eiland (Parijs)
Natuurlijke havens
Kruising land- + waterwegen
Stad
Ideologische begrippen:
Bonum commune: gemeen goed
Utilitas publica: algemeen belang
Concordia: eensgezindheid (samenwerking)
Pax: vrede (intern)
Justitia: recht(vaardigheid)
Publieke ruimte: van gemeenschap
Utilitas publica:
Stadsmuren + stadshuis
Financiën: rekening
Rechtsgebied: stadsrecht
= Door gemeenschap onderhouden: enorme investeringen
Stadsrecht
Bijzonder juridisch statuut: bestuurlijke autonomie (‘vrijheid’)
Schriftelijke erkenning privilege (oorkonde)
Rechtsregels-geheel binnen stad (materieel + procedureel)
Autonomie:
Handhaving law + order (= primair)
Uitgifte wetten + regels
Persoonlijke vrijheid burgers:
Territoriaal + personaal
Betekenis rechtspositie: burgerschap
Vlaanderen
Sociale gelaagdheid textielsteden:
Patriciaat = elite kooplieden (erfachtig): grondbezitters
Ambachtslieden = middenstand, wevers: behoorlijk inkomen (eigen kapitaal voor ambacht)
Arbeiders = ververs, scheerders
Marginalen = soms werk
Stadsbestuur
Schepenen (7/12): bestuur + rechtspraak
Gerechtsofficier (schout/baljuw): voorzitter, aanklager + vonnisuitvoerder namens vorst (gezagsrepresentant + handhaver)
Patriciaat: bovenlaag steden, heerste door economische dominantie
Gesloten elite
Achtergrond in koopliedengilden
Grondbezitters stadscentrum
Adellijke aspiraties (= niet feodaal): via huwelijken
Arbeiders afhankelijk van kapitaal/investeringen
= 1300: exclusieve bestuurselite
Ambachtsgilden
Representeren mensen maar = niet representatief: evenveel stemmen groot + klein gilde
1000: beheersing door patriciaat
1200: caritatieve broederschappen
Islam
Onvervuilde versie jodendom en christendom
Tolerantie zolang superioriteit erkend + belasting betaald: overheersing multireligieuze meerderheid
Ook etnische, taal + culture verschillen: verscheidenheid volkeren
Onderlinge sekten
Christendom: islamitische heersers = bevrijding Byzantijnse heersers: kruistocht = westerse motieven
1000
Algemeen
Kerk
Kerkelijke hervormingen: herstel oude waarden
1000: opkomst geloofsgemeenschappen buiten kerk: kritiek corruptie + verwereldlijking kerk: heilig vs ketterverklaring
Morele verbetering
Renovatie Christus om lekeninvloed terug te dringen
Hoogste geestelijken = moreel smetteloos: bevoegdheid sacramenten = macht over huwelijk adel
Vermindering lekeninvestuur (= geestelijke ambten door koning benoemt)
Simonie (= verkoop geestelijke ambten)
Roomse Rijk: bemoeienis koningen met pauskeuze + bisschoppen inschakelen voor landsbestuur
Frankrijk: koning te weinig autoriteit voor benoeming (vs paus)
Niet-militaire kerkelijke wapens:
Excommunicatie: uitsluiting gelovigen uit christelijke gemeenschap
Interdict: opschorten kerkelijke diensten gebied
Verkettering: met militaire bijstand wereldlijke vorsten bij verstoren wereldvrede vs afwijken kerkleer
= Territoriale heerschappij door claims + bondgenoten (vazallen)
Versteviging greep paus op kerk: uitbouw centrale bestuursorganen Rome (Heilige College)
Kardinalen: gevolmachtigde gezanten
Pauselijke curie (= centrale hof)
Gespecialiseerde afdelingen
1100: geïnstitutionaliseerd hoogste gezag paus: actievere verdeling: toename pauselijke rechtspraak
Gespecialiseerde rechtscolleges
Zaken lokaal afhandelen
Volk
1000: actieve rol: succes kerkelijke zielenzorg + netwerk
1e grote stenen kerken voor grote toestromen: hoofdroutes pelgrims
Religieuze enthousiasme bestuurd door kerk: hostie (geloofsmysterie aanschouwen) + religieus geïnspireerde volksmilities
Beleving volksgeloof: reliekenverering: persoonlijk/openbaar (fysieke aanwezigheid + krachten) + schietgebed
Heiligen voor medische kwalen: miraculeuze genezingen + tegenprestaties offer
Kathedraalscholen
1000: Arabische wiskunde en geometrie
Kerk
1050: algemene verslapping religieuze toewijding
Te wereldlijk, nadruk beheer landgoederen, politieke zaken + administratieve taken
Adellijke banden (toelating novices door schenkingen, Eigenkirche + bemoeienis geestelijke benoeming)
= Kerk = enorme bezittingen vs ideaal kloosterleven: hervorming:
Kritiek verslapping idealen
Te weinig aandacht kerktaken
Te nauwe banden adel:
Stichten zelf kerken (Eigenkirche)
Kinderen in klooster
= Grotere scheiding geestelijk + wereldlijk
Hervormingen
Terug naar wortels
Herstel vrijheid van wereldlijke invloeden
Reinigen wereldlijke verontreiniging
Lekeninvloed bij aanstelling clericus weg
Hele clerus celibatair (zonder vrouw)
Zuivere kloosterregels + strenger
Strijd ketters + ongelovigen: kruistochten
Duitse Rijk
Rijkskerksysteem: bisschoppen als wereldlijke vorsten: aanleiding investituurstrijd (keizer = grote invloed politieke benoemingen vs kerkelijke autoriteit aanstellingen)
Investituur: iemand uiterlijk bekleden als ambt
Geestelijk: staf + ring: herderssymboliek + verbond God
Wereldlijk: zwaard/scepter
= door keizer, daarna pas kerk (politieke benoeming)
Pauselijke kritiek op keizerlijk investituur geestelijkheid
Expansie
Vanuit voormalig Karolingische Rijk + Engeland
Door invasies vanuit westerse steppen, Scandinavië + islamitisch Noord-Afrika
Door nieuwe vestigingsgebieden boeren-kolonisten, marktkooplieden, krijgstonelen ridders + heidenen bekeren
Vroege koninkrijken
Erfenis Karel de Grote
Byzantijnse Rijk
1000: wanbestuur vs sterke tegenstanders
Byzantijnen in Klein-Azië (mbv kruisleger)
Machtsverschuiving van centraal naar lokaal: grootgrondbezitters = krijgsheren: hoge belasting = boeren afhankelijk: erosie keizerlijke macht
Onbetrouwbare + dure huurlingen ter compensatie
Fatimiedenrijk/Egypte
1000: snelle expansie Seldjoekse Turken: macht naar kalief Bagdad + verovering Klein-Azië
Geweld = reden kruistochten, maar vooral intolerant tegen sjiieten
Oost-Rooms Duitse Rijk/Slavisch
Schaars bevolkt: gebiedsinbezitneming
Keltische periferie in Brittannië, Iberië, Italië + Centraal-Europa
Expansies door vastlopen kruistocht Palestina
Herintensivering handelsrelaties moslims: Venetië + Almalifa (scheepsbouw en vloten in Byzantijnse Rijk)
Handel onafhankelijk van religie: vooruitstrevend
Italië = bemiddelaars Oost en West
Europa
1000: onderontwikkeld tov Middellandse Zee + islamitische gebieden
Zuid-Scandinavië = kern: handel Byzantijnse Rijk, hout voor islam + wapens + slaven
Venetië: band Byzantijnse Rijk, zout + glasproductie + ligging
Pisa + Genua: Sardinië + Sicilië: banden Oost-Mediterranen: veroveringen + handel moslims: ook handelsposten Noord-Afrika (goed, keramiek, graan + leer)
Italiaanse handel
900 – 1000: Amalfi, Venetië, Pisa, Florence + Genua
Handel met geweld: handelaren, piraten + kruisvaarders
Handelsposten worden kolonies:
Venetië: Egeïsche Zee
Genua: Zwarte Zee + Zee van Azov
Galeien: professionele + betaalde roeiers
Geïntegreerd handelsnetwerk + afspraken
Kolonies:
Kleine immigrantenelites met nauwe banden metropool
Sterk gemengde bevolking
Strijd onderling + vs elite
Venetië: kolonies = ankerplaatsen
Genua: kolonies = Oost + West-Mediterranen + rivaliteit Venetië: steunt Byzantijnse Rijk tijdens Latijns Keizerrijk = extra privileges Zwarte Zee (Kaffa) + zijderoutes: zijde + specerijen (import) + slaven (export)
Scheepvaart = overheersend in Mediterranen:
Monopolie verbinding Latijns Westen + Zuidoost-Mediterranen
Transport pelgrims + moslims
Aanvoer pelgrims naar kruisstaten
Verbreding Europese horizon
Steden
Vroege steden: egalitair door burgerrecht + ontsnapping horigheid:
Vrijheid = bevrijding belemmeringen
Voorsprong originelen op nieuwkomers
Landheer = oproep tot (geld)bewapening + deel inkomsten
Machtsverhoudingen heer + gemeenschappen bepaald door bevolkingsomvang + kapitaalkracht
Aan waterknooppunten: massagoederen met schip = goedkoper
Territoriale modernisering landwegen
Nederzetting geconcentreerde bewoning + economisch, sociaal, politiek-bestuurlijk + cultureel centrumplaats-functie in regionaal verzorgingsgebied: met uitgestrektheid, bevolkingsdichtheid + sociaaleconomische kernmerken achterland
= Belang = urbanisatiegraad (= %-bevolking in steden): via groei bestaande + toename nieuwe mbv groei voedselproductie
1000 – 1300: verdubbeling bevolking + meer in steden
Kuststeden:
Bereikbaarheid voor schip massagoederen
Grootsten in Middellandse Zee (ex-Romeinse Rijk)
Landbouwproductiviteit
Bereikbaarheid grote schepen
Verbinding Oosten
Beschikbaarheid grondstoffen
Invloed hoofdstad op achterland
Europa boven Alpen: grootste = Parijs + Antwerpen = kernen uitbreidend systeem
Gecentraliseerde hoofdsteden = focus erop = meer concentratie, anders = klein + administratieve focus
Verbonden met achterland: immigratie vanuit platteland = sterfteoverschot aanvullen
Markt + productiecentrum nijverheid + diensten
Voeding = voedseloverschot platteland
Groei = interregionale markt
Eigen productie voor voedsel kopen
Langeafstand transportdiensten
= Afhankelijk van bevoorradingslijnen
Platteland = marktgerichte productie
= Correlatie verstedelijkingsgraad + bevolkingsdichtheid: beide = hoog want afstoting + intensivering
De Vries: verstedelijking meten = urban potential:
Absolute inwoners per stad > 10.000
Onderlinge afstand steden
Geografische ligging-gunstigheid
= 1500: grootste = Zuidelijke Nederlanden, Noord-Italië + West-Italië met sterk contrast rest Europa
Nadeel: steden met minder inwoners = ook centrumfunctie
Stadsmuren, omwallingen + stadspoorten = uitvergroot kasteelplan
Romeinse steden = middeleeuwse groeikernen
Ongepland = buiten ex-Romeinse Rijk-steden = door waterwegen
Spontaan plan: (half)rond op oever(s) met wegen vanaf centrale marktplaats naar poorten
Gepland plan = dambord
Handelaren + ambachtslieden in buurt ouder gezagscentrum
Uitbreiding = opeenvolging omwallingen (concentrisch)
Dure verdedigingswerken = boekhouding + financiering door gemeenschap
Prestigieuze openbare gebouwen + pleinen
Stadbevolking = bijeenstroming achtergronden: samenwerken door dreiging grond- + banheren = solidariteitsverplichtingen in stadsrechten + koopgilden
Eigenbelang: eigendomsrechten verzekeren + risico verminderen = vertrouwensrelaties = verenigingen: zichzelf beveiligen + concurrenten buiten stad weren = bestuur stad
Lidmaatschap met geld (materieel vertrouwen) + eed (religieuze garantie)
= Minder functioneel bij grotere bevolking, economische verschillen + tussenpersonen: sociale differentiatie: patriciaat: door economisch onafhankelijke handelaren: eigenaars waardevolle stadsgrond (kern) + adel nabootsen
Stadsrecht:
Duidelijk door afscheiding stadsmuren
Vanuit stedenverbond bijstand bij aanvallen via collectieve eed = coniurationes
Persoonsgebonden = juridisch vrije burgers
Stadsbestuurders = schepenen: vs heer voor macht
Autonomie opgeëist met geldvergoeding
Rechtsregime: opeenvolgende verleningen particuliere privileges + gewoonterechten
Juridisch: territoriaal (binnen muren + banmijl (omgeving)) + personaal (burgers)
1000: opkomst steden:
Markt
Eigen ideologie
Economisch-politieke elites
Gilden
1000: beheersing door patriciaat
Tijdlijn
Normandië/Zuid-Italië
Gesettelde Vikingen
1029: territoria in Zuid-Italië vanuit huurlingridders
Overwinning op moslims in Sicilië
Koninkrijk Zuid-Italië = vazal paus: strategische positie vs moslims + Rooms-Duitse koningen
Katharen
Materiële wereld door Satan ipv God geschapen: stoffelijkheid afwijzen
Gewone gelovigen
Volmaakte elite
Kerkelijk verzet
Verspreid over Frankrijk en Italië
Roomse Rijk/Rome
1049 – 1054: paus Leo IXL: aangesteld door Roomse keizer = hervormingen
Italië
1050: impuls door Romeins-Justiniaans recht: keizerlijk recht = bemoeienis
Noord-Frankrijk
1055 – 1124: Guibert de Nogent: over toestanden Noord-Frankijk: ordehandhaving door stedelijke gemeenschap
Kerk
1059: herziening procedure pausverkiezing: autoriteit van adellijk naar geestelijk
1059: pauskeuze door ‘clerus Rome’: college van kardinalen (= belangrijkste geestelijken Rome)
1073 – 1085: paus Gregorius VII: vs Roomse keizer = hervormingen
1075: uitvaardiging Dictates papae
Excommunicatie + interdict (toegang sacramenten ontzeggen persoon/regio) + verkettering
Heilige oorlog + kruistocht (binnen + buiten Europa)
Pauselijke leenheren (koning ontvangt eigen land in leen paus): Jan zonder Land
Paus kroont keizer: keizers naar Rome
Donatio constantini (700-vervalsing: Constantijn (300) = Romeinse Rijk overgedragen aan paus: rechtmatig gezag
1073: extreme herinterpretatie tweezwaardenleer: paus = macht beide zwaarden
Gregorius VII: hoogste macht aan paus (hiërocratisch)
1075: keizer door paus in kerkelijke en ambtelijke ban: erkenning pauselijke macht over koning
Paus: koning = gehoorzaam, nuttig + geschikt aan paus: vs investuur koning
1077: gang naar Canossa: Hendrik IV + paus beiden bisschop: keizer geëxcommuniceerd door paus: Duitse adel vs keizer: keizer naar paus voor vergiffenis: excommunicatie opgeheven + keizerlijke investituur geestelijkheid afgeschaft + keizer = gehoorzaam: pauselijke macht over keizer: wie = hoogste macht?
Stad
1080: bestuur + recht door stad ipv heer
Machtsmonopolie rijke handelaren + families
Heer: benoemt schepenen (= bestuur, recht + wet) + via gerechtsofficier
Noord + Midden-Italië = gescheiden rechterlijke macht (= onpartijdig)
Stads- + grote raad (vrije mannen)
Bloedwraak vs financiële compensatie
Privéoorlogen + ridderideaal
Vrede bewaren = geweldsmonopolie stadsbestuur: blijvende rivaliteit adel
Algemeen belang: verdedigd door stadsbestuur: geweldsmonopolie + beslissingen: gezag + eenheid
Belastingstelsel voor collectieve veiligheid
Publieke + openbare gebouwen + ruimtes
Handel + werk onder stadsbestuur, sociale zorg onder geestelijkheid + gilden
Byzantijnse Rijk
1081: samenwerking Italië
Cisterciënzers
1090: wijd verspreid
1 moeder = kapittel-generaal (bijeenkomst abten)
Oorsprong kloosterwezen: afzondering + landexploitatie door monniken + lage arbeiders
Succes:
Bernard van Clairveaux’s bemoeienis met buitenwereld
Militair inzetbaar
Kerk
1095: Concilie van Clermont: eerste oproep kruistocht naar Palestina (vs islam-bezetters)
Adel wijdt krachten aan geloofsbescherming in plaats van opstand hervormingen
Heilige Graf bezoeken = aflaat zonden
Bevorderen christelijk geloof
Bijstaan Byzantijnse keizer
Nieuwe pauselijke vazalstaat (Palestina)
= Propagandacampagne: heilige oorlog
= Kruisvaarders: religieuze roeping + ridderlijke deugdzaamheid: financiële offers + terugkeer naar huis
Syrië
1096: kruisvaarders
Verzwakt Byzantijns Rijk
Verzwakt Fatimiedenrijk
Intern conflict Seldjoekse Turken
Eerste Kruistocht
1096: na oproep Urbanus II
Mislukte volkskruistocht: conflict + gevangenneming
Nieuwe impuls door expansie vanuit Westen
Scheepsruimte noodzakelijk: hulp Noord-Italiaanse havensteden voor vergoeding: handelsprivileges + land in veroverde gebieden
Logistieke overzeese ondersteuning door Italië + nieuwe markten
Handelsrecht Constantinopel door Venetië, Genua + Pisa: onvrede
Brachten concurrentie ipv herstel naar Byzantijnse Rijk
1097: kruisleger verzamelde in Constantinopel: vestigen in Byzantijnse Rijk + veroverde gebieden: nieuwe Latijns-christelijke staatjes:
Antiochië
Edessa
Jeruzalem
Tripoli
Onderhandelingen
1099: verovering Jeruzalem: koning Jeruzalem boven paus
Vijandige houding Palestina – christenen
Kruisstaatjes overleefden door coalities: bescherming burchten
Tekort aan blijvende mannen: leen door geldrente
Soorten kolonisten:
Ridders noodzakelijk: 4 colonnes:
Rooms Duitse Rijk: via Hongarije
Noord-Frankrijk: via Italië
Zuid-Frankrijk
Zuid-Italië: via Normandië
Ridderorden: groei + schenkingen: overmaken Westen naar Oosten = bankieren: grootste Westerse machtsconcentraties in Levant
Italiaanse handelaren: militaire bescherming + beloning (autonome handelswijken)
Focus handel Egypte
Handelsposten kruisvaardersstaten (autonomie)
= Onderstroom Westerse expansie
1100
Algemeen
Kerk
Nieuwe religieuze idealen:
Imitatio Christi: leven als Christus en apostelen
Spiritualiteit: persoonlijke relatie God: via Christus en Maria: verandering naar menselijk lijden: devotie en liefde
Radicale apostolische bewegingen: fascinatie armoede door leken
Begijnen
= Rand ketterij
1100: religieuze vernieuwingen
Nadruk verfraaiing exterieur: ondersteuning openluchtpreken
Rijke liturgie (= geheel aan geschreven handelingen) + koorzang
Reliekenverering = prominent
Altaren = meer priesters/missen tegelijk + eucharistie vieren (dood + verrijzenis Christus herdenken)
Grotere binnenruimten voor broederschappen
Romaanse kunst:
Domkerken: 2 torens voor 2 machten
Oostelijk: Heilige Land (altaar)
Westelijk: wereldlijke macht (inkomsthal troonzaal)
Focus op functie
Bedelorden: preek in volkstaal = uitbreiding indoctrinatie gelovigen: agressie tegen onorthodox
Tot 1200: weinig zielenzorg door focus voorbeeldige kloosters
Volk
Bevolkingsgroei = meer parochies
Ongeletterde dorpspastoor: basisregels kerkelijke praxis + overgangsrituelen met sacramenten
Bij angst dood + goed-slecht-hiernamaals
Voor gewone mensen = tijdelijk reinigende verblijfplaats: vagevuur
Vagevuur-duur afhankelijk van goedheid: zelf invloed + voor geliefde: kerk = kapitaal + bemiddeling
Midden-Italië
Pauselijke territorialisering wereldlijk gezag
Italië
1100: compagnieën: kapitaal uitbreiden door uitgifte aandelen met winstaandeel: vennoten = aansprakelijk voor compagnie
Op jaarmarkten Noord-Europa
Doorsluizen pauselijke inkomsten (lokaal innen: lokaal goederen kopen: in Italië verkopen: geld naar paus minus kostenaftrek)
Schaalvergroting handelsondernemingen
Netwerken permanente vertegenwoordigers
Arbeidsverdeling handelaar + vervoerder
Risicospreiding + risicoverzekering
Samenwerking
Investeerders: meerdere delen lading op meerdere schepen
Zeevaartverzekering: konvooien = collectieve bescherming
Verschriftelijking bedrijfsvoering:
Aandeelhouders
Handelscorrespondentie (koeriers)
Handelsvertegenwoordigers (informaten)
Verificatie ladingen
Tot 1480: ondernemingen in meerdere onderdelen (productie, handel + bank)
Stad
1100: ambachtsgilden = ambachtsrecht + onderlinge hulp (tehuizen): kleine huishoudens = meer geïnstitutionaliseerde verzorging
1100 + 1200: toename bovenlokale vraag naar massagoederen: groei steden = meer ruil tussen stad + platteland
Voeding + grondstoffen
Monetarisering: arbeid in geld omzetten
Meer bevolking dan grond = aanvullend inkomen
1100: standenvertegenwoordigers + -vergaderingen
Onderwijs/kooplieden
1100: doorbraak kerkelijk onderwijsmonopolie door stedelijke scholen: opleiding kooplieden: doel = winst: winst investeren = uitgroeien boven concurrenten = meer winst = kapitalisme
= Vs kerk (materie nastreven = slecht): compromis = ‘juiste prijs’: winst als vergoeding geleverde dienst aanvaard: vs woekering
Kritiek richting onderwijs door bisschoppen en monniken
1100: vernieuwing geleerdheid:
Donder door: kerkelijke autoriteit + traditionalisme
= Beperkte impact vanuit Karolingische onderwijshervormingen
Nieuwe instellingen uit rijke kathedraalscholen
1100: scholen
1150: universiteiten (Parijs, Bologna, Oxford + Cambridge):
Magistri: geleerden
Kerkvaders: autoriteit
Heidense (Oudheid) filosofen: autoriteit
= Reactie: ideeën: verder dan autoriteiten: uitbouwen: moderniteit
Oude logica (Boethius) + nieuwe logica (dialectica, Aristoteles): georganiseerd nadenken transformaties (politiek, economie, religie): logica + orde voor behering:
Nieuwe benaderingen + tradities
Conflicten in handboeken: buiten traditie (synthese, anithese + these)
1100 – 1500: geleerdheid + politieke filosofie:
Scholastiek: voor algemeen belang
Geen consensus: veel debatten: logische structuur door Aristoteles
Dualisme: 2 autonome sferen (wereldlijk + kerkelijk): geen inmenging andere sfeer toegestaan behalve uitzondering
Parijs
1100: kathedraalschool, 2 kloosterscholen + kleintjes
Hongersnoden
1100: lokale hongersnoden door bevolkingsgroei
Hongeroedeem: opgezwollen buiken + bedorven voedsel
Broodprijzen stijgen x24
Tijdlijn
Roomse Rijk/Rome
1103: Rijksvrede: adellijke vetes stoppen: landvredes = vitale openbare belangen
1122: Concordaat van Worms: compromis: koning = geen investuur geestelijke, wel wereldlijke macht bisschoppen
Geestelijke investituur door priesters (kanunniken)
Spanningen blijven doorwerken
= Bisschoppen gekozen door belangrijkste geestelijken bisdom (kanunniken)
= Hoogste gezag = God: theocratisch
= Zeggenschap:
Caesaropapisme (keizer/koning)
Hiërocratie (paus)
Dualisme (beiden)
Spanningen blijven doorwerken
Hervorming eigenkerksysteem: macht lokale pastorale ambten + kerken bij adel: nu parochianen = macht
Rome
Nieuwe oecumenische concilies: zonder keizer: defensieve naar offensieve strategie
Leo IX: kerkvergaderingen zonder keizer
Persoonlijk gezag + eenheid demonstreren: pauselijke wil goedgekeurd
1123: concilies in Rome
1139: 2e Lateraanse Concilie: nicolaïsme: handhaving celibaat na priestersacrament: huwelijk + omgang met vrouwen verboden
1179: 3e Lateraanse Concilie: huwelijk + verwantschap
1215: 4e Lateraanse Concilie: wereldlijken aanwezig, maar geen macht
Door Innocentius III: indrukwekkende bestuurlijke activiteiten: ideaal pausschap door plenitudo potestatis (machtsvolheid): paus = superieur over wereldlijk
1150: kerk = actieve waarheidsvinding via inquisitoire procedures: door inquisitie onder paus: verontreiniging bestrijden: antisemitisme:
Schuldig dood Christus
Jaloezie rijkdom door beheer geldverkeer
Beschuldigingen moord + wapenhandel
= Bloedbaden (vaker in Late Middeleeuwen)
Tweede Kruistocht
1146 – 1148: na machtsovername Turken in christelijk Edessa + vereniging Egypte met Syrië: vs Jeruzalem = overgenomen
Cluny
1150: grootste klooster Latijns-christendom
Succes:
Overbrengen hervorming op dochterkloosters
Geen seculier gezag: direct onder paus
Relieken = relatie Petrus en Paulus
Centrum geleerdheid + advies
In Europa meer onafhankelijke hervormingen
Kritiek: rijkdom + macht: nieuwe kloostergemeenschappen: Chartreuse + Citeaux = moeders kartuizers + cisterciënzers
Kartuizers/Chartreuse
1100: nog strenger: individueel afgezonderde gemeenschap
Herstel heremitische traditie, strengheid + afzondering
Cisterciënzers/Citeaux
Zuivere regel Benedictus
Te rijk
Premonstratenzers/norbertijnen/augustijnen
Boeteprediker + zielzorg
Kanunniken (regulier = priesters in lekenwereld, leven in kloosters; seculier = actief in kerk) in plaats van monniken
Reguliere kanunniken (priesters volgens Augustinus)
Onderwijs
Universiteit = onderwijs zonder monnik-monopolie
Door:
Studenten/docenten in corporaties voor verdedigen belangen = universitas (= gilde)
Meer vraag hoger onderwijs = verbreding onderwijsaanbod: specialisatie + samenwerking: overkoepelende scholen met faculteiten
1176: 3e Lateraanse Concilie = doceervergunning aan alle erkenden afgestaan ipv alleen bisschoppen
Steun pausen + vorsten
Vs bisschoppen + monniken
Kritiek richting onderwijs
Zelf klooster-geïsoleerd: fix = nieuwe eigen scholen oprichten = ordescholen
= Veel integratie: effecten 1 gebied = overal voelbaar
Engeland
1178: Court of Common Pleas: civiele zaken
1180: Court of King’s Bench: criminele zaken
Katharen
1180: vervolgd: persecuting society: nauwkeurige definities door kerk + feodale staten = scherpe scheiding goed – slecht
Engeland
1180 – 1330 = commercialisering plattelandseconomie
Landgoed exploiteren met ingehuurde arbeid
Groei aantal mensen zonder eigen voedselvoorziening = marktafhankelijk
Regionale specialisaties buiten stad
Deel agrarische productie voor markt: verbreding producten + uitbreiding handelsnetwerken
Intermediaire markten: schakel landbouw + handelscentra
Graan goedkoper stroomafwaarts schepen: relatie transportkosten + prijs
Transport ruwe producten naar markten voor bewerking + terugkopen
Italië
1180 – 1300: tirannie
Stad
1180: Institutionalisering verzorging met leken ipv alleen geestelijken
Derde kruistocht
1189: Voor bevrijding Jeruzalem
Door Frederik Barbarossa, Filips II + Hendrik II/Richard Leeuwenhart: Richard = onderhandelingen, rest = dood/terug
Engeland
1190: Exchequer of Pleas: financiële zaken
1200
Algemeen
Lekenbewegingen
Kloosterachtig:
Begijnen (vrouwengemeenschappen)
Religieuze ridderorden
Bedelorden
1200: in steden: armoede + vita activa
Leven door verzorging, bedelen + eigen onderwijs (natuurfilosofie): stof = verboden op universiteiten
Kloosterlingen
1200: 5 soorten
Monniken: leven in afzondering (benedictijnen, cisterciënzers, kartuizers)
Reguliere kanunniken: afwisselend actief + afzondering (augustijnen)
Bedelbroeders: actief leven (franciscanen + dominicanen)
Religieuze ridderorden: actief militair
Religieus-gemotiveerde leken: actief zonder gelofte (begijnen)
Klooster = afstand bezit
Kruistochten/Italië
Uitlaatklep interne spanningen: externe focus ipv intern
Venetië: handelsposten Middellandse Zee + plantages voor slavenarbeid
Genua: steunt Byzantijnse Rijk: monopolie Zwarte Zee = voorraad slaven + landroutes Mongolenrijken + China: uitschakeling moslims als tussenpersonen + verbinding West-Afrikaanse Sahara-karavaanroutes
Randen steppen/Balkan = plundertochten = slaven
Iberië: moslims + Afrikanen = slaven
Baltisch gebied
1200: expansie ernaartoe door religieuze ridderorden: christendom met geweld verspreiden
Pruisen: macht door Duitse Orde: exporteconomie
Nieuwe dorpen met Westerse migranten met eigen gewoontes
Oorlogen
Relatief weinig burgerslachtoffers
Kortere, mobiele oorlogen met kleinere legers
Veel adel dood
Belegering = veelvoorkomend: stad uithongeren
Korte plundertochten: vernieling productiemiddelen
Doortrekkende troepen + vluchtelingen = ziekte + plunder
Mongoolse Rijk
Kennis uit elders voor eigen verbetering
Tot 1260: Genghis Khan: grootste aaneengesloten rijk
Pax Mongolica: veiligheid door 1 heerser: intensivering contacten
Tot Hongarije: niet verder door gebrek grasland (paarden)
Geschiedschrijving bepaald door nationaal perspectief
Missie + handel: Europeanen naar Oost-Azië
Handel langs zijderoutes (sinds 2000 BC): nieuwe impulsen + aansluiting Europa (Genua)
Midden-Oosten
1200: afzwakking dominantie
Abbasieden ten onder aan Fatimiedenrijk
Koude + droge klimaatverandering
Mongolen-invallen: verlenging handelswegen
Egypte = schakel Europa met India: specerijen, edelstenen + parfums
Hanzen + gilden
Genootschappen voor bescherming
Privileges niet-lokale handelaren: eigen rechtspraak, internationaal handelsrecht + andere represailles: arresteer onschuldigen om eigen rechtspraak af te dwingen
1200: Duitse Hanze: verbond oudere regionale genootschappen
Voor individuele handelaren + handelskolonies: buitenlandse kooplieden bij elkaar voor bescherming/controle (wijken/kwartieren)
Duurzame relaties: alleen knooppunten = permanente vestigingen (havensteden)
Bescherming buitenlandse handelaren door lokale overheden: activering plaatselijke economie = verhoging inkomsten + informaten + boodschappers
Bescherming jaarmarkt: concentratie globaal aanbod + veel vraag: bij grote stad/handelsroute
Jaarcyclussen in regio’s: veilig verplaatsen
Winst = direct krediet verlenen: geldschieters: schuld terugbetalen op andere jaarmarkt met rente
Beïnvloed door verschuivingen door economie/politiek
Handelsmetropolen
Tot 1700: zeer autonoom: handelsprioriteiten boven landsheer
Middellandse Zee-steden: marktorganisatie, beveiliging handelsroutes + bescherming verre eigen burgers: tol = veilige doorgang
Handel = steden onderling afhankelijk: rivalen onderdrukken + voedselproductie platteland constant houden = land opkopen
Lombarden
Italiaanse financiële specialisten aan Europese hoven: machtig door veel geld te belenen + complexiteit + spreiding
Indekken tegen lenen aan vorsten
Steden
1200: waterpeil reguleren + steden met kanalen verbinden
Onkosten verbeterde landverbindingen met tol opvangen = duurdere marktprijs: voordeel voor scheepvaart:
Kompas + kaarten vanuit China en Arabië
Roer aan achtersteven
Brede schepen voor massagoederen (kogge: groter laadvermogen, goedkoper + veiliger)
= Bescherming: koopliedengilden + hanzen door lidmaatschapsgeld
1200: stadskern + gilden = exclusief: door aantallen (kleiner = hechter) + verzadiging (grotere competitie = meer eigenbelang): bestuur = klassenkarakter door economisch afhankelijkheid + onafhankelijkheid (vs feodale adel = landbezitters)
Grote concentratie binnen muren = onhygiënisch
Onzekerheid voedselbevoorrading + prijsstijging
Afhankelijkheid tussenhandelaren + internationale markten
Mensen nemen Gods taken over: zelf invloed
Juridisch: stedelingen = meerdere categorieën: burgers + armen, geestelijken, edelen + migranten: andere monotheïsten
Sociaaleconomisch: economische sectoren + status: kleinere stad = meer agrarisch
1200: beroepsgroep-organisering:
Centralisatie + clustering: gunstige locaties
Door nabuurschap, reglementering, religieuze + liefdadige functies: + belangen
Familiaal door onderlinge, lange opleiding: meester = eigen producten + locatie: meer scheiding door concurrentie + demografische decline: erfelijke ambacht
Ondernemer-bestuurders: samen/vs gilden
Meer macht gilden vs dominantie bestuur
Bescherming levensstandaard + beperking combinatie groothandel-ondernemerschap
Ondernemers = arbeid naar dorpen (lage lonen) = industrialisatie kleine gebieden ipv grote: marktaandeel gilden behouden door exclusiviteit: focus dure mode
Vrouwen = onder voogdij, maar voortzetting ambacht man/eigen
Exclusiviteit = gezellen (volwaardige ambachters) = rondtrekken + focus onregelmatige grote werkzaamheden
Grote identificatie met gilde door regelingen + voorzieningen vanuit gilde
Republiek: gemeenschappelijk met collectieve identiteit + regelt zaken publiekelijk
Stad = particularistisch: ieder = eigen recht + exclusiviteit
Samenwerking door onderwerping
Grote focus eigenbelang + corporatief egoïsme
Stad
Bestuurscentrum: ontwikkeling eigen ambtelijke staf
1200: meer schriftelijke mensen
= Centrum schriftelijkheid
Gilden
1200: caritatieve broederschappen:
Onderlinge hulp
Bepalingen bij productie
Prijzen
Kwaliteit
Soms politieke belangenbehartiging
Opstanden
= Plutocratie: bestuur door rijken: bepalen politiek, economisch + sociaal beleid
Parijs
1200: ‘Gemeenschap magistri + studenten’ = privilege autonomie
Docenten (scolares) + studenten onder koninklijke bescherming
Onder kerkelijke rechtsmacht
= Leden universiteit = klerikale status
1215: 1e interne reglement
1220: universitas (docentengilde): leden verdeeld over vakgebieden
Les in openbare gebouwen
Bologna
Uit niet-kerkelijke notarisopleidingen: transacties schriftelijk vastleggen
Romeins-Justiniaans recht
1200: studentenverenigingen (naties) meer autoriteit dan docentengilde: staken/andere universiteit: oprichting ander universiteiten
Europa
1200: rechtenstudie los van theologie = rationeel denken: in alle openbare besturen
1200 – 1300: nieuwe universiteiten in grote + kleine steden: vanuit kleinere scholen
1200 – 1500: kleine specialisatie + grote brede universiteiten: cursussen elders = rondzwervende studenten: studentenleven
Klerikale stijl vs losbandigheid: gewelddadig door adellijke achtergrond
Toename studenten = vermindering kwaliteit
Lage universitaire kosten/beurzen: vergoeding aan studenten
Gebrek woningruimte + inkomstenverschillen opheffen = colleges oprichten (= verzorgt woning + inkomen)
Universitaire studie:
Lange opleidingen
Eerst artes-baccalaureaat (BA) + magister artium (MA), dan hogere opleidingen: ook lager al goed maatschappelijk uitzicht door expansie + modernisering
Artes = veel Aristoteles: logica, dialectica, natuurwetenschappen, metafysica + ethiek: verandering artes curriculum: 3 overkoepelende filosofieën:
Natuurfilosofie: rationele verklaring natuurlijke ordering
Metafysica
Ethiek
Theologie = Bijbel + kerkvaders: massaproductie + standaardtekstindeling + nieuwe samengestelde handboeken
Rechten = Justiniaans + canon rechtschapen kerkelijke teksten
Medicijnen = Hippocrates + middeleeuwse werken
Magister: hoorcolleges geven + disputen houden: hoorcollege = gezaghebbende tekst met commentaar + uitleg, dispuut = uitwerking vraagstuk: alleen/onderlinge discussie
Extreem duur door dure boeken
Tijdlijn
Vierde Kruistocht
1202 – 1204: verovering Constantinopel
1204: Venetië = voorwaarden voor scheepshuur: onbetaald = plundering Constantinopel
Misbruik: verovering Constantinopel = Latijns Keizerrijk
Byzantijnse Rijk
1204: overname Constantinopel door Venetië
1204 – 1261: Latijns Keizerrijk
Vijfde Kruistocht
1217: na misbruik door Venetië
Verschuiving doelwit naar Egypte (machtscentrum)
Franciscanen
1200: bedelorde
Empathisch naleven Christus
Oog voor Gods natuurschoon
Absolute bezitloosheid-principe vs succesvolle orde: realistisch: inkomsten + goederen = noodzakelijk
Isolement vs evangelie verkondigen
1263: Clarissen (zusterorde)
3e orde = lekenparticipatie
Dominicanen
1216: bedelorde
Evangelisch armoede-ideaal
Prediken voor gewone gelovigen
Eigen onderwijssysteem + instellingen voor theologie
In grote steden
Mongoolse expansie
1220: begin expansie
Bloedbaden
Vernietiging irrigatiesystemen
Oost-Europa
1240: Mongoolse Rijk = bezit Westerse steppen: constante dreiging Europa
1240: contacten naar Oost-Azië:
Mongolen eisen onderwerping paus
Rubroeks beschrijvingen
Pax Mongolica: opbloeien contact Oosten en Westen op Zijderoutes: intensieve handel met Italië: onderbroken door oorlogen Mongoolse kanaten
Matteo, Nicolio + Marco Polo naar China (onder Mongoolse keizer Kublai Kahn) via landroutes ipv veiligere zeeroutes
Landroutes voor waardevolle + lichte producten
Zesde Kruistocht
1240: wapengeweld + meer diplomatie: coalities lokalen
1243: verlies in Jeruzalem
1250: verzwakte kruistochten
Stad
1250: volkstaal in officiële documenten: toenemende rol burgers in bestuur: minder vreemde taal = minder afstand
1250: opstanden tegen uitbuiting door patriciërs: nieuwe rijken = hoofden volksbewegingen = machtsverschuiving door aantal + coalities
1250: rivaliteit adel vs stadsbestuur
Noord + Midden-Italië
1250: tirannieke regimes + dynastieën
Venetië + Genua = republikeins
Oost-Rooms Duitse Rijk/Slavisch
1250: kruistocht vs heidense Slaven
Mamlukse Turken
1250: overname macht Egypte, Syrië + Palestina
1520: opgenomen in Osmaanse Rijk
Handel
1254: verbond Rijnsteden = vrede bewaren + recht: handelsverbonden
Mongoolse Rijk
1253: inval Iran, Irak + Syrië
1258: Bagdad veroverd door Hülügü: Il-Kanaat
1260: uiteenvallen in kanaten
1260 – 1290: diplomatieke contacten met Mongolen in Midden-Oosten
Nadruk Mongoolse schapen + paarden: afstanden overbruggen + wol, tenten + melk: mobiliteit
Intensivering contacten Oost + West: kennis, handel + missie
Byzantijnse Rijk
1261 – 1453: zelfstandige lokalen met privélegertjes: verbrokkeling
Vs blijvende westersen, ridderordes, Venetië, Genua, huurlingen + immigranten
Interne tegenstellingen
Leiden
1266: stadsrecht vastgelegd
4 oudere lagen (>1213)
Onderwijs
Spanningen seculier + geestelijkheid:
Aantal leerstoelen van ordes per faculteit
‘Oorlog geloof + wetenschap’: onverenigbaarheid natuurwetenschap met christendom = verbod + controle
1277: lijst verboden stellingen: aanval seculiere magistri: gesteund door theologiedocenten
Teveel nadruk Aristoteles/natuur
Wetenschap vs christendom:
Heelal = eeuwig
Machtsbeperking God (geen gelijktijdig tegenstellende acties)
Ziel = sterfelijk
= Uiteindelijk dubbele waarheid met theologie = superieur: aristoteles-ish vs/met religieus perspectief = nieuwe mogelijkheden
Ockhams wetenschap = rationele bewijsvoering met logica/natuurfilosofie: = geen theologie: God = almachtig + ordelijk: geloof boven rationaliteit
Kerk
1274: pauskeuze door Conclaaf (heimelijke vergadering)
1280: nieuw caesaropapisme: nationale kerken onder wereldlijke heren
Stad
1280: eigen stedelijke milities
Italië/Europa
1280: wisselbrief: informeel ipv formele klerk/notaris: betalingsopdracht via partners: verlenen handelskrediet + overmaken wisselkoers: beter door duurzame partnerschappen
Beheersen contact Levant = verdelen Mediterrane + Oosterse producten aan Europa
Vooral import (specerijen) = afvloeiing edelmetaal
Afvloeiing verminderen door niet-Europese praktijken in Europa doen (zijderups, katoen, suikerriet + papier)
= Europa = te weinig zilver: goudmunten uit Afrika = hogere waarde: negatieve balans (munt vs goederen) wegwerken: Italië = positieve balans: vergroten door krediet verstrekken
Brugge + Barcelona: dagelijkse wisselkoersbeurzen:
Handelsoperaties vereffenen zonder muntstukken
Betrouwbare relaties noodzakelijk
China = papiergeld, Europa = schuldbekentenissen, cheques + wisselbrieven + giraal geld (giro): deposito’s bij bankier van rekening naar andere (geld van ene rekening naar andere overmaken zonder fysiek geld)
China = keizerlijk-vastgestelde waarde, Europa = geen controle munten door internationaliteit
Genovino (Genua)
Florijn (Florence)
Dukaat (Venetië)
= Goudmunten
= Standaard om andere munten tegen af te wegen door stabiel gewicht + gehalte
= Bijhouden = boekhouden: dubbel = aparte rekeningen per klant, product + type transactie: linkerpagina = debet (= klant verschuldigd), rechterpagina = krediet (= klant tegoed): 2x noteren= 1 voor goederen + 1 voor partnerschap
Zesde Kruistocht
1291: val Akko = laatste staat in Midden-Oosten
LATE MIDDELEEUWEN
Kerk
Caesaropapistisch zeggeschap
Continuïteit vs Reformatie
Intensiteit geloofsbeleving
Voorgeschiedenis
Kritiek, maar geen volledige afwijzing
Persoonlijk contact vs uiterlijk vertoon
Obsessie moraliteit
1300: enorme invloed kerk
Observantisme: verslapping = reactie-roep hervormingen (terugkeer uitgangspunten)
1350: interne scheiding (niet-)observanten
Verslapping klooster = minder intredes: nieuwe kloosterorden + individuele/leken religieus leven: Geert Grote
Beweging vrome leken
Vereniging observante kanunniken
Beweging Moderne Devotie
= innerlijke geloofsbeleving: eenvoud + stilte: teksten naar volkstaal + goedkope boekjes
Nieuwe bewegingen = marginaal/ketterij: lollarden (volgelingen Wyclif = direct contact God + mens + Bijbelwaarheid = volkstaal)
Mystiek: spiritueel streven vereniging innerlijk met God: mediatie = geestelijke reis:
Intellectueel: geestelijken: ego overstijgen
Wilskracht: lekenbewegingen: vrouwen-identificatie door zachtheid Christus: intens optreden vrouwen = heiligverklaring
Volk
Kerk = controle ontvangst boodschap: gewenst moreel gedrag: boodschap vereenvoudigen:
Credo: belijdenis hoofddogma’s
Belangrijkste gebeden
Belangrijkste zedelijke voorschriften (10 geboden + deugden)
Betekenis 7 sacramenten
Betekenis eschatologie: bestaan na dood: vagevuur = goeddoen in leven
Verbeterde toedracht door parochiegeestelijken
Preken
Hulpmiddelen voor leken + visuele voorstellingen
Focus emotionele devotie: bijgeloof, angst + intensiteit
Maria + Christus-devotie: moederlijkheid, lijden + doen
Empathie-focus: majestueuze heerser naar hulpeloos
Reliekenjacht + -handel: lichamelijk + contact
Vereren afbeeldingen = heilzame werking
Wonderen = hostie
Maagdelijkheid: veel heiligverklaringen: tegengaan = alleen door paus
Bedevaarten
Broederschappen rond heiligenbeelden: zeer gevarieerd
Religieuze toneelspelen
Groeiend geloof geestverschijningen: duivels + heksen
Kerk = volkse haat aansterken vs inperken: eigen autoriteit behouden
Bijgeloof = antiklerikale beweging: teveel materiële verering, te weinig innerlijke goedheid
Europa
1250 - 1350: veroveringen door Mongoolse Rijk
Europa = onderdeel wereldeconomie
Gelijkenissen:
Geld + krediet (goud + papier)
Kapitaalconcentratie + risicospreiding + familiebanden
Financiële middelen handelaren = los van staat: kapitaalmarkt naar politieke macht (Italië + Hanze)
Europa
1500: minder autonome steden door dubbel huwelijk: 4 tegelijk uit 2 dynastieën = hechtheid
Uitbreiding territorium = meer inkomsten
Noodzaak continuïteit bekwame heersers: geen eenduidige opvolger = strijd (verre) verwanten
Grotere conflicten door grotere schaal gebied + middelen
Traject + conflicten samenleving = vorm instellingen + nationale loyaliteit
Nationalisme vs vreemde overheersers
Oorlogen
Hoge fiscale lasten: belasting + schulden
Groei stadsbevolking = nieuwe krachtsverhoudingen: veel voetvolk vs minder dure ruiter-legers
1300: verliezen ridders vs voetvolk + huurlingen
Steden = versterkte burchten: kwetsbaar tegen kanon, gewone belegering te duur
Relatief weinig burgerslachtoffers
Wordt staatszaak (tijdens Honderdjarige Oorlog):
Grootschaliger
Langduriger
Professioneler: kanon + handvuurwapens
Kleine legers + korte oorlogen door prijs
Verstoort handelsrelaties vs handel in wapens
Vernielt agrarische productie + infrastructuur
Legers verspreiden ziektes + plunderingen
Steden
Duurzaam = agressie + stabiliteit: recht
Voorrang vorstelijke rechtbanken over lokale door:
Macht/gezag
Algemene procedures + principes
Open voor (hoger) beroep: meer rechtvaardigheid
Vanuit kerkelijk (onderzoek) + Romeins (absoluut) recht
Rechtenstudie los van theologie = rationeel denken
Bureaucratische controles, lokaal = recht makkelijker afdwingbaar
Monarchie = aanpassen aan regionaliteit
Tot 1500: toestaan lokale rechtsstelsels
Statusgroepen
Eigen levensstijl + sociaal/juridisch gescheiden
= Door stedenoprichting (1100), hiërarchie + mobiliteit: emancipatie + complexie: fix = herkenbaarheid
Typische (on)deugden
Vrouwen: negatief vanuit Oudheid vs christelijke Maria: blijft inferieur + zwakker:
Vooral private rechten, weinig publiek
Lagere klassen = minder verschil: veel geld nodig + weinig bezit
Weduwen = meeste juridische vrijheid, maar economisch nadeel
Steden = vrouwenoverschot: dienstpersoneel + bescherming: veel alleenstaand = demonisering oude, alleenstaande vrouwen
Door vele dood + hokjesdenken + zedelijke reputatie
Magie = slechter door meer echte medicijnen
Stad vs platteland: vanuit stedelijk imperialisme + dominantie: afkeer boeren: lompe boerencultuur vs (elite) burgercultuur
= Burgers vs luidruchtige adel vs gewone volk
Armoede door gebrek technologie + sociale zekerheid:
Fiscaal: te weinig eigen vermogen voor belastingen
Bedeling: liefdadigheidsrecht
Marginalen: geen eigen middelen
Institutionalisering: leken en geestelijken:
Hospitalen: zieken, armen (+ reizigers)
Parochiale armenkassen: voor eigen gemeenschap
Gebrek fondsen
Te hoge kosten
Geen goede christelijke levensstijl (weinig bezitten) = aalmoezen geven
Commercialisering: armoede = niet willen werken
Arbeidsschaarste
Hebzucht geestelijkheid
= Vs predikanten bedelorden: verdedigden armen
= Vs humanisten: armen negatief gegeneraliseerd = strengere armenzorg
Steden
Primair: commercieel
Verkeersknooppunten
Stedelijke netwerken
Centrale handelspositie regio
Eigen cultuur
Sterke commerciële elite
Secundair: bestuur
Autonomie
Politiek + juridische overheersing verzorgingsgebied
Vestiging hoogwaardigheidsbekleders
Holland
Stedelijk netwerk: samenwerking eenheden/steden
Belastingen
Door heilige oorlog
Verdediging dreigende invasie
Proportioneel op roerende goederen: hoogte door oorlog
Direct onder koning (Frankrijk)/parlement (Engeland)
Vorsten: meer oorlog = meer belasting: onderhandelen met vertegenwoordigers onderdanen
Leningen voor oorlog, betaald door hogere accijns
Oorlog = ongeplande uitgaven
Economie:
Indirecte belastingen boven landbouweconomie
Stad = flexibel + snel boven trage landbouweconomie
= Meer gecommercialiseerd = meer militair overwicht (met goedkope huurlingen van platteland)
Competitie
Door meer geconcentreerde machtsmiddelen
Elite + (kerkelijke) rijken
Kleinere gemeenten = eigen politieke stelsels
Tegenreacties overlopende heren
= Parlementarisme: dialectische vertegenwoordigers, weerstand + coalities
Stad
Publieksrechtelijke uitbreiding feodale huldigingseed:
Wederkerig = controle vorst door (pseudo (= stad))vazallen
Complexe erfopvolging + hoge sterfte adel: voorkeur vanuit onderdanen
Burgers vanuit zichzelf (inter)regionale overlegstructuren
Handelsbelangen (weinig interesse vorsten = vrijheid)
Handelsrelaties vs oorlog: hechte structuren los van monarchie: onderhandeling
Effectief functionerende, representatieve instelling: territoriaal bewustzijn: identiteit
= Eigenbelangen + corporatief: representatief bij:
Minder ruimte door uitbreiding monarchie
Hogere fiscale + militaire eisen door oorlogen
Europa
Economie = contractie: minder mensen + goederen = geen crisis
Loonverdieners: stijging levensstandaard
Steeds meer aansluiting handelsnetwerken
Bevordering geografische + sociale mobiliteit: sterfteloterij: exclusiviteit adel
Migratie naar stad = arbeidsmobiliteit = klassenvorming: exclusiviteit ambachten door contractie
Opstanden
Arbeidskrapte = spanningen werkgevers + werknemers
Groeiende fiscale eisen onderdanen
Noodzaak meer geloofwaardigheid verdeelde kerk + maatschappelijke veranderingen
= Grootschalig, maar vaak scheiding stadsvolk + boeren
Vs elite + abdijen
Veel stedelijke oproeren + vooral in grote steden
Geen klassenstrijd:
Opstandsgroepen = niet homogeen
Klassendoorsnijdende belangen
Geen revolutionaire ideologie
Boerenopstanden = beter georganiseerd (dorpsgemeenten)
Europa
1300 – 1600: humanisme:
Minder focus ethiek, (meta)fysica + politica (van Aristoteles) + 7 vrije kunsten
Focus Romeinse schrijvers:
Grammatica
Retorica
Geschiedenis
Poëzie
Moraalfilosofie
Politieke redevoeringen (grammatica + retorica + poëzie)
Eervolle voorbeelden gedrag + acties (geschiedenis)
= Praktisch:
Regulering + gezag
Publieke moraliteit
Vormen eervolle persoonlijkheid
Buiten universiteiten: scholastiek vs pragmatisch
Petrarca, Boccaccio, Salutati, Bruni, Machiavelli
Staatsvorming
Moderne staat: autonoom politiek systeem met gecentraliseerde bestuursorganisatie met gezag over afgebakend territorium + overwicht geweldsmiddelen
= Feodaal naar modern: ambtelijke hiërarchie
Suzereiniteit naar soevereiniteit:
Staten uit feodale koninkrijken
Machtsbalans intern + tov buren
= Ontwikkeling verschillende landen: ken achterliggende lijnen + Frankrijk + Duitse Rijk
Staatsvorming:
Belang oorlogvoering + schaalvergroting: professionalisering (staatsapparaat)
Economische politiek
Medezeggenschap
Staatsmacht: overal versterking: groter territorium, geweldsmiddelenconcentratie vs machtskernen + ambtenarenapparaat voor recht + belasting
Nauw verweven onderliggende lijnen:
Schaalvergroting staatsorganisatie: oorlogvoering
Bureaucratisering: belastingen
Vorstenhof
Huishouden
Centrum feodaliteit, rechtspraak, bestuur, financieel beheer + cultuur
Onderliggende processen:
Financiële nood centraliserende overheid:
Oorlog + schaalvergroting
Belastingen: niet vanzelfsprekend: erkend doel + betaalt regering
Toekenning na onderhandelingen
Treffen vooral Derde Stand (werkstand)
Incidenteel naar regulier: toestaan democratisering
Dynastieke rivaliteit
Verliezers:
Feodale edelen (gemarginaliseerd)
Individuele autonome steden
Kerk:
Eind kruistochtideaal
Afhankelijk van wereldlijke heersers
Algemeen Belang
Leidend: belang gemeenschappen
Jargon overgenomen uit stedelijke broederschappen
Orde + rust: handhaving
Vorst:
Gebonden door eed (huldiging)
Ondergeschikt aan wet
Dienaar algemeen belang
Representativiteit
Gemene Land
Geestelijkheid:
Kanunniken
Abten
Adel
Werkenden:
Ambachten: + patriciaat + bestuur = geld = economische belangen
Stadspatriciaat
Bestuur + stadsmacht
Vrijheden
Representatieve instellingen: 3 standen:
Uitgangspunt = feodale raad vorst
Feodale edelen
Toenemende betekenis Derde Stand
In verstedelijking
Bevolkingsconcentraties (Italië, Nederlanden)
Financiële macht
Betrokkenheid representatieve instellingen:
Inhuldiging: constitutie
Instemming belastingen
Instemming oorlog
Tegen vorstelijke ambtenaren
Deelname wetgeving
Uitspraak recht
Moderne staat
Centraal bestuur met territorium + overwicht geweldsmiddelen
Afgebakend gebied + grenzen
Soeverein: regering door overheid: geen erkenning hogere wereldlijke macht + suprematie over alle onderdanen:
Wetgeving
Rechtspraak
geweld
Bureaucratisch: administratief + controleerbaar
Scheiding staatsmacht + persoon: formeel staatshoofd (koning) vs macht (regering)
Identiteit onderdanen: nationalisme
Suzereiniteit: feodale mediatisering overheidsmacht
Uitvoering essentiële overheidstaken;
Wetgeving
Rechtspraak
Banale revolutie
Feodaal (suzerein):
Monarchaal
Gezag gemediatiseerd
Via vazallen
Financiering door landbouw
Karolingische erflanden
Modern (soeverein):
Monarchaal?
Gezag direct
Via bureaucratisering
Financiering via belastingen
Wereldwijd?
Staat + oorlog
Volgens Parker:
Leger steeds omvangrijker:
Huurlingen
Staand
Technologie complexer + duurder
Bekostiging door grote heersers
Extern + intern
Volgens Tilly:
Oorlog = staten = oorlog: gaat om macht
Oorsprong moderne natiestaat:
Coercion-wielding
Distinct from household + kinships
Clear priority over other organizations
Within territories
Kritiek:
Nadruk overheid = top-down-focus
Obsessie ‘coercion’: geweld = niet alles staatsvormend
Teleologiesch (focus heden) + niet lineair
Staatsvormen
Vrije boerengemeenten (Oost-Friesland)
Autonome steden (Genua)
Lokale heerlijkheden (Monaco)
Federaties boerengemeenten + steden (Friesland)
Metropool met afhankelijke steden/gemeenten (Florence)
Kerkelijke vorstendommen (Pruisen) + prinsbisdommen (Utrecht)
Vorstendommen met zelfstandige heerser onder koning (hertogdommen/graafschappen)
Unies vorstendommen onder 1 koning (Nederland onder Hapsburgers): composite polities
Koninkrijken (Frankrijk)
Unies koninkrijken (Polen-Litouwen)
Keizerrijken (Byzantijnse Rijk)
= Onder koning/keizerlijke soevereiniteit: directe suprematie: gemediatiseerd = suzerein: soevereiniteit (Frankrijk) vs feodale machtsverhoudingen (Spanje, Italië, Duitse Rijk)
Macht door Hausmacht: bezit in rijksleen: koning vs territoriale vorsten (Honderdjarige Oorlog)
Unies territoriale vorstendommen: Duitse Rijk + Frankrijk: interne gebieden met eigen regels
= Composite polities (Koeningsberger): bijvoorbeeld Europese Unie:
Composite ipv unitary/national
Representative assemblies
= Personele unie:
Eenheden samen door aankoop, diplomatie, huwelijk
Eigen instellingen
Optreden door overkoepelende regering
= Frankrijk: Bourgondië + Bretagne
= Aragon: Castilië + Valencia
Vorstendommen + wapenschilden
Institutionalisering
Formalisering overheidsrelaties + overheidsposities: tijdelijk + ontslaanbaar
Bureaucratische instellingen:
College
Gesalarieerd personeel
Professionals
Reglementering
Vaste procedures
Heldere registratie
Vaste locatie
Ontstaan juridische hiërarchie
Ontstaan financiële hiërarchie
Klein bureaucratisch apparaat
= Fidelity accountability naar office accountability (persoonlijk contact naar ambtenarij): samenvallen financiële, juridische, militaire + politieke ontwikkelingen
Bureaucratisering
Belang vorst:
Betrouwbare, controleerbare ambtenaren
Effectief beheer
Versterking machtspositie tov feodale adel
Belang onderdanen:
Betrouwbare, controleerbare ambtenaren?
Duidelijkheid + regels: betrouwbaarheid
Effectieve besteding overheidsgelden
Heldere procedures
Betere behartiging Algemeen Belang
Constitutionalisme
‘Tegeneisen’ inhuldiging vorst:
Bevestiging rechten + privileges onderdanen
Beperkingen bewegingsvrijheid
Regelingen institutioneel vorstendom
Gevolgen:
Consolidatie macht vorst:
Wapen tegen feodale adel
Versterking greep territorium
Banale revolutie ingeperkt
Rechtvaardiging
Consolidatie staten:
Dialoog overheid + instellingen
Institutionalisering + bureaucratisering
Composite monarchies
Staatsvorming + professionalisering voor vorst + onderdanen: algemeen belang
Beambtenstaat
Concentrisch vanuit hof
Geestelijkheid = schrijven = Latijn: ambten = specifieke deskundigheid: financiën + recht: naar afzonderlijke instellingen
Klerikale status kanseliers (= hoofden schrijfkamers): vaak geestelijk, vanaf 1350 meer seculier
Geestelijke waardigheid = eigen inkomen + vertrouwen
Staatsvorming
Widerstandsrecht: geen gehoorzaamheid nodig bij nalatigheid = basis staat
Machtigere eenheden = dominantie + opslokking
Minder autonomie stad door macht vorst op bestuur
Meer macht vorst door uitbreiding + belasting
Tegengestelde regionale belangen
= Versterking staatsmacht
Groter gebied
Meer geweldsmiddelen
Ambtenarenapparaat: recht + belasting
Geen cohesie = gebiedsverliezing
Machtsverlies lokale + kerkelijke heren
Afhankelijk van wereldlijke heersers
Verlies kruistochtideaal + exclusieve functies
Wereldlijke instellingen nemen over: kerk = aflaten
= Secularisering:
Voortbestaan regionale instellingen
Gecommercialiseerde economie = flexibel + sneller
Mobiele economie = snelle lokale variatie
Overlegmodel kapitalisten + vorsten
Eigenheid West-Europese eenheden vs imperiaal ruraal Midden + Oost-Europa
1300
Algemeen
Geleerdheid + politieke filosofie
1300: dualisme
Marsilius:
Macht clerici = verdeling christendom
Fix: geestelijkheid geen wereldlijke macht
Geestelijk = beperkt ambtenaar
Wereldlijke leiders vertegenwoordigen hele bevolking
Functie leider = handhaven orde + welvaart
Wyclif:
Zichtbare katholieke kerk + onzichtbare ware kerk
Geestelijkheid = geen eigendom
Bijbel = voldoende voor gelovigen: vertalingen nodig
Geestelijkheid = geen noodzaak: alleen goeden
Geestelijkheid = onder koning als medeburgers: geen privileges
Avignon
1300: verlies universalisme, uitbreiding centralisme: versteviging positie + bureaucratisering curie (pauselijk hof)
Belasting geestelijkheid door paus
Revenu uit vergeven kerkelijke ambten (beneficies)
Meer afdelingen
Paus = overal invloed
Verrijking pauselijk bezit
Religieuze crisis
1300: lekenheersers vs christenheersers
Conflicten vorsten + pausdom:
Nieuw caesaropapisme
Antipaus vs koningen:
Politieke filosofie: variatie christendom
= Leken meer invloed binnen kerk: nationale kerken: meer solidariteit
Meer scheiding = meer verdeling =kerkelijke crisis
Bonifatius VII vs Filips IV: immuniteit geestelijkheid tegen belastingen + koninklijke rechtspraak + processen Tempeliers
Belasting voor oorlogen nodig: noodzaak
Bisschopverrader berechten
Filips = Tempeliers veroordeeld tot ketterij: koning = baas correcte religie
= Monarchie met eigen pauselijk gezag
Johannes XXII vs Lodewijk IV: rivaliteit macht Italië + alliantie Lodewijk met franciscanen + keurvereniging Rhense (1338)
Johannes steunde Lodewijks rivaal: Lodewijk geëxcommuniceerd
Grondwettelijke breuk vorst + paus: keurvorsten kiezen Rooms-keizer zonder goedkeuring paus
= Monarchie zonder pauselijk gezag
1378 – 1417: Westers schisma Rome vs Avignon
Urbanus II + Clemens VII: keuze dubbele paus
Keuze ene/andere per koninkrijk (Avignon vs Rome)
Oplossingen:
1 paus afzetten
1 paus aftreden
Weigering pausen erkenning
Bijeenkomsten concilies (1415): nieuwe paus na aftreding
= Conciliarisme: concilie boven paus
Paradoxen religieuze bemiddeling mens + God:
Inflatie traditionele vormen devotie:
Relikwieën: veel geld voor verkrijgen:
Bedevaarten
Broederschappen
Kapellen zielenzorg
Invloed religieuze kennis gewone mensen
Hervormingen:
Gemiddelde mens:
Kennis credo
Kennis belangrijkste gebeden
Kennis zedelijke voorschriften
Wat kennis 7 sacramenten
Wat kennis eschatologie (leer der laatste dingen)
= Grote religieuze toewijding:
Katholieke virtuozen
Moderne Devotie (Geert Grote): alliantie:
Lekenbroeders + -zuster Gewone Leven
Kanunniken/-essen hervormde kloosters
Lekenvrouwen-connectie franciscanen
= Meditatie (over Christus + navolging) boven kerkelijke rituelen
Mystiek:
Frequente communie voor opname Christus = hostie
Vrouwelijke mystici: voeden met zijwond Christus (water + bloed): heilig vs heks
Mystici = invloed + politieke plannen (Jeanne d’Arc)
Toename marginale groeperingen: meer vijandigheid:
Melaatsen
Ketters
Heksen (vanuit stedelijke overheden)
Bedelaars + armen
Joden:
Schending hostie (bleef intact na opzettelijke verwoesting)
Bloedsprookje (kidnapping + offeren christelijke kinderen)
= Georganiseerde massamoorden tijdens pest door christenen
= Verdreven uit steden Heilige Roomse Rijk
= 1492: verdreven uit Spanje
Gotische kunst
Focus abstract + decoratie
Door kennis Arabische wiskunde + geometrie aan kathedraalscholen
Tegelijk met scholastiek (= middeleeuwse vakken): streven structuren + elegante verdelingen
1300: verspreiding door groei Franse macht + financiële steun burgers in snelgroeiende steden: concurrentie + prestige = belang stad tonen = torenhoogte
1400: glas-in-loodramen, muurschilderingen, beschilderde altaarstukken + houtsnijwerk
Kathedraal:
Religieuze diensten effectief uitvoeren
Prestige monarchie/stad
Gotiek ook op gewone gebouwen + voorwerpen
Midden-Europa
1300: aangehuwde West-Europese dynastieën in Hongarije-Polen + Bohemen
Hongarije = migranten met eigen rechten + koninklijke dynastieën vs onderlinge adel + Osmanen
Polen:
Duitse handelselites
Hongaarse bondgenoten
Oosterse expansie
= Vs Mongolen + heidense Litouwers
Litouwen: centraal bestuur groothertogdom + dynastie: vs christelijke adel
Vs Moskou + Mongolen + Russische gebieden
Guerilla-strategieën + belasting = bescherming
Russische gebieden
Confederatie vorstendommen (vanuit Kiev)
Vs Mongoolse Gouden Horde
1300: Moskou = grootvorsten = vazallen Mongoolse Rijk: controle naar Novgorod (autonome verbinding Baltische + Zwarte Zee + zijderoutes)
Elite = loyale dienaar grootvorst
Byzantijnse Rijk
1300: vs Servische koninkrijk
Europa
1300: autonomie steden
Handelingsruimte kooplieden tov autoriteiten: eigen waarden en normen door afzonderlijke rechtsgebieden: nastreven eigen materiële rijkdom (= handelskapitalisme)
Grotere invloed handel op levenswijze: start in Italië
Grote vernieuwingen technologie, transport + producten
Groei populatie = groei agrarisch = commercialisering meeropbrengsten
Externe omstandigheden + mogelijkheden (Italië = overzee)
Bevolking
1300: bevolkingsafname + handelstoename
Stijging levensstandaard overlevenden
Winstmogelijkheden passen aan aan vraag: dynamiek door ongelijkheid, complementariteit + competitie
Stad
1300 – 1500: daling bevolking + meer in steden
Grootsten in Italië + Iberië (kust)
Meeste = honderden – duizenden inwoners = Kleinstädte (continentaal)
Crisis + contractie:
Demografische crisis
Economische verschuiving: voordeel loonarbeider
Klimaat
1300 – 1400: afkoeling
Misoogst
Lagere oogst = duurdere prijzen:
Klein deel voor markt: grote fluctuatie marktaanbod
Graan = goedkoopst: prijsstijging = vraagstijging + minder vraag naar niet-noodzakelijk voedsel/ambacht
Voorraden achterhouden voor prijsstijging
Prijsfluctuatie ongeveer gelijk in Europa: afhankelijk van afstand tot productiegebied + omvang aanvoer
Tijdlijn
Rome/Avignon
1294: Bonifatius VII: paus = hoogste macht: afgezet door Filips IV
1309: paus in pauselijke enclave Avignon (tussen Frankrijk + Duitse Rijk)
Tempeliers te rijk in Frankrijk = verketterd door Clemens V (om Bonifatius VII’s status te beschermen)
1316: Johannes XXII in Avignon vs Rooms-keizerkroning Lodewijk IV van Beieren in Rome door leek: wederzijdse verkettering + tegenpaus
Versterking bekende argumenten: paus = superieur vs koning = in (wereldlijke) wereld autonoom: paus = alleen educatieve rol + Marsilius = volkssoevereiniteit (Defensor pacis)
Wyclif:
Kerk = geen bezit/wereldlijke macht
Waarheid in Bijbel: letterlijk ipv allegorisch
Niet-evangelische leefwijze geestelijken + = tussenpersonen: overbodig
= Radicaliserende bewegingen + kruistochten ertegen
Hongersnood
1315 – 1317: Grote Hongersnood door 2x slecht weer
Geen opslagmogelijkheid
Overheidsbemoeienis (tegen) graanschaarste: prijsstijging beheren vs export/import verhinderen
Hongerziekten + vergiftigd/rottend voedsel eten
Kinderen = later vatbaar voor ziekten
Veepestepidemie: dood door vele regen + pest: minder mest, trekkracht, vlees, zuivel + wol
Voedselschaarste overal, maar massale sterfte zeldzaam
Ongedierte + plantenziekten = enorme misoogst: 2 opeenvolgend = geen voorraad/zaaizaad voor volgend seizoen
Verschillen oogstomvang: versterkt doorgegeven aan markt = grote schommelingen: steden zwaar getroffen + meer vraag = hogere prijs: prijsinelasticiteit: ongeacht prijs zelfde vraag (= altijd enorm): dus meer inkomsten aan graan kwijt
1315 – 1317: algemene hongersnood:
Herhaalde slechte weersomstandigheden: 2 opeenvolgende misoogsten
Gebrekkige marktwerking
Grote bevolkingsconcentraties
Markt: onvolkomen (= sterke prijsverschillen regionaal): onderontwikkeld transport
Opkomende staten: negatieve effecten graanschaarste = maatregelen: graanimport
Mensen blijven kinderen krijgen, maar ondervoed = gevoeliger voor ziekte
Oorzaken:
Lege productiviteit + geringe marktintegratie: kwetsbaarheid
Klimaat + gewasziekten
Bevolkingsgroei verhoogt kwetsbaarheid + gebrekkige hygiëne
Uitbreiding landbouw naar marginale gronden = minder opbrengst
Effecten:
Lange termijn: stagnatie bevolking 1280 – 1490
Pre-industriële bestaanscrisis:
Graanprijzen duurder dan daling aanbod = King-effect:
Klein deel oogst voor markt = groot effect markt
Graanprijsstijging = vraagstijging want niks anders beschikbaar: algemene crisis
Voorraadvorming + geselecteerd aanbieden voor handelaren = maximale prijs verkrijgen
Afname vraag overige producten = werkeloosheid
Vraag graan inelastisch: verschuiving naar slecht graan = ziektes
Franciscanen
1323: ‘Christus = bezitloosheid’-canon = ketterij
Mongoolse Rijk
1330: pestepidemie: vanuit Mongoolse Rijk naar China + Europa
Oorlog
1330: uitvinding kanon
Honderdjarige Oorlog
1337 – 1453: Engelse gebieden in leen op Frans territorium: beide expansie
Hoge financiering oorlog = ambachtsopstanden
In fases
Frankrijk: nederlagen: focus centralisatie + nationalisme = staand leger + permanente belastingen
Engeland: onderlinge strijd adel
Italië
1300: studia humanitas (= niet aristotelisch)
Grammatica
Retorica
Geschiedenis
Poëzie
Moraalfilosofie
1304 – 1374: Petrarca: orenator, dichter + diplomaat
1313 – 1375: Boccaccio: filoloog, Latinist + auteur
= Bewonderaars Dante (1265 – 1321) (scholastisch) + belangrijk in Florence = centrum humanisme
1330 – 1406: Salutatio (Florence):
Vaardig in schrijven + retoriek
Promotie vita activa in leven, vita contemplativa = alleen in hemel
Kritiek nieuwe despoten (= tirannen: veel macht, geen gehoor wet) (vs Milaan)
Vrijheid stadsleven
Grote invloed op Latijnse scholen (voor burgerij-kinderen)
= Mentale omwenteling:
Vergroten praktische waarde hoger onderwijs = ontwikkeling morele, zakelijk + politieke karaktereigenschappen (Noord + Midden-Italië = veel (in)formele participatie)
Cicero ipv Aristoteles: nadruk welbespraaktheid
Vernieuwingen tekstkritiek:
Echtheid
Context afhankelijk van interpretatie
Vergelijkend + historisch
Verwerping middeleeuws christendom + aandacht toevalligheden
Nadruk Latijn: vehikel voor idealen: classicistisch = niet populair, volkstaal veel meer
Parijs
1350: 4 faculteiten: door 1 rector + 3 decanen (dekens)
Onderwijs
1350: algemene tweedeling onderwijs: nieuwe weg (via moderna) (Ockham) = gescheiden wetenschap + theologie; oude weg (via antiqua) (Thomas van Aquino) = verwoven-ish wetenschap + theologie
= Meer autonoom onderwijs natuurfilosofie:
Minder christelijke dogma’s
Minder afhankelijk van Aristoteles door Gods almacht: kritiek + speculaties
= Gezag kerk/Aristoteles wel altijd onderkend
Ook invloed wetenschap op theologie: theologische kwesties met wetenschap oplossen
= Vertraging wetenschappelijke ontwikkeling door weinig vernieuwing + druk theologie: vooral vernieuwingen door niet-(antieke) universitaire leden (kooplieden)
Europa
1347 – 1353: Zwarte Dood (pestepidemie)
30% - 60% bevolking dood
Door Yersinia pestis-bacterie: in vlooi: in knaagdier: sterfte: vlooi op mensen: sterfte
Vanuit Mongoolse Rijk
Pandemisch: endemisch = actief in series epidemieën
Geen verweer door snelle dood
Builenpest: ontstoken lymfeklieren + donkere onderhuidse bloedingen + aantasting zenuwstelsel + dood binnen 5 dagen, 60% dodelijk
Longpest: dood binnen 3 dagen, 100% dodelijk: overdragen door hoesten
1347: vanuit Mongoolse Rijk naar Krim naar Mediterranen: via havens naar steden + platteland: zowel dun- + dichtbevolkt = overdracht door mensen (= longpest)
Ziekte bestrijden = op afstand houden:
Stad isoleren door verkeerscontrole
Huizen/wijken isoleren
= Milaan + Venetië: quarantaine (toegang na 40 dagen)
= Neurenberg: hygiëne
Vele echo-epidemieën, elk 10%-20% Europa dood
Ook andere ziektes
Einde pest na 3 of 4 eeuwen door eind endemie: mutatie/ecologische verandering
Malthus geaccepteerd
Oorsprong:
Exogene factor: endemisch in Zuid-Azië
Bacterie via handelsroutes naar West-Europa:
1347: belegering Kaffa (Krim): Genua
Bacterie
In tandresten begraafplaats Provence
Rattenvlo met bacterie via galeien
‘Zwarte dood’ (1800): grootste biologische ramp Europa: 30% - 50% populatie dood
Viel iedereen aan door ratten overal
Middeleeuws perspectief: verspreid door lucht:
Stad ontvluchten (naar schone platteland)
Ramen afsluiten (lucht tegengaan)
Badverbod (poriën = toegang ziekte)
Modern perspectief: via speeksel
Pest-verspreiding:
Snel
Ontbreken immuniteit
Handelscontacten
Overbevolking
Bacterie:
Door Yersin ontdekt
Builenpest (vlooienbeten): dood binnen 5 dagen
Longpest (speeksel)
Sceptische pest (speeksel): dood voor builen
Komt telkens terug als echo
Geen afweer door snelle dood
1347 – 1352: eerste golf
10-jaarlijke terugkeer tot 1402: geen kans op herstel
In dun- + dichtbevolkte gebieden (door integratie)
Minder impact door gedwongen isolement wijken
Streng toezicht hygiëne
Quarantaine-systeem
Reacties:
Geen medisch antwoord
Religie:
Toorn Gods: devotie
Flagellanten, processies, vrome stichtingen
Bestuur: toezicht + maatregelen
Byzantijnse Rijk
1350: vs Osmaanse Turken (islam)
Bureaucratie, grenscontroles + belastingen
Nomaden: focus Bulgarije + Servië = pragmatische expansie (steppen)
Huurlingen in Griekenland
Frankrijk
1355: belasting op zout + 30e penning op handelswaren
Duitse Rijk
Keizerschap: geen effectieve macht: beperkte invloed paus, meer koning
1355: regelgeving koningsverkiezing Duitse Rijk: blijvende rivaliteit vorstengeslachten
Eigen dynastieke middelen = macht
Duitse Hanze
1350: Hanze = netwerk individuele handelaren voor risicospreiding
1358 – 1669: liga handelssteden ipv handelaarsassociatie: handelsbelangen burgers bevorderen
Rome/Avignon
1377: terugkeer paus naar Rome (rust Italië): dood = nieuwe paus in Rome + Avignon
1378 – 1414: Westers schisma:
Keuze paus per koning
Zuid + West-Europa = Avignon
Noord + Centraal-Europa = Rome
= Door bondgenoten + tegenstanders
Fix: conciliarisme: rol + bevoegdheid concilie
Italië
1370 – 1444: Bruni (Florence):
Centrale rol burgerlijk deugd voor politieke vrijheid
Vrijheid, gelijkheid
Evenwicht + samenwerking binnen alle stadsgroepen
1380: humanisten aan universiteiten: kleine invloed
Scandinavië
1387: personele unie Noorwegen, Zweden + Denemarken door Margrete + zoon
1400
Algemeen
Geleerdheid + politieke filosofie
Hus: hervorming noodzakelijk: focus voorbereiding Antichristus: zuiverheid nodig
Wyclif + Hus veroordeeld tot ketterij
1400: slechte kruistochten = gedwongen compromis met hervormingen
Oorlog
1400: kanon = duur: vorsten = bezit vs autonome steden
Aanpassingen:
Infanterie = falanx (speerformatie) vs calvarie
Oorlog = permanente troepen ipv vazallen-oproep (gen d’armes)
Noodzaak legitimatie (religie: kruistocht tegen ketters): hoger belang: heilig doel (vs adellijke conflicten)
Jaarmarkten
1400: groei handelsverkeer = permanente markten: afname jaarmarkten
Noord-Italië
1400: regionale staten met hoofdsteden + onderworpen steden + dorpen + platteland: voordeel (hoofd)stad
Hanze
1400: bemoeienis steden = formalisering: alleen deelname/afgezanten bij eigen belang: Hanzedag = samenkomst
Belastingen
1400 – 1600: belastingstelsel onafhankelijk van onderdanen: afhankelijk van economie:
Export: belast buitenlandse kopers
Import: belast eigen onderdanen
Stad
1400: representatieve instellingen = lokale cliënten monarchie ipv handelsbourgoisie
Intensivering cultuurareaal
Minder arbeidsintensieve landbouw: meer weide + veeteelt (afgebakende weide voor schaapjes) + Wüstungen
Uitbreiding handelsgewassen: ontwikkeling plattelandsnijverheid
Verdere commercialisering massagoederen: uitbreiding handelscircuits + transportcapaciteit schepen
Uitbreidende adel: squire + gentlemen
Toename urbanisatie
Statusgroepen: sociale + juridische afsluiting met eigen levensstijl (gilden)
Onderklassen: dagloonzoekers
Positie vrouw
Tweeslachtig:
Kerk: heiligverklaring vrouwen (met negatieve hoofdgedachte: onderworpen aan man)
In lagere klassen: actief in inkomstenverwerving:
Vrouwenoverschot = verslechterde positie huwelijksmarkt
Demonisering alleenstaande oude vrouwen vs juridisch onafhankelijke weduwen (door opkomende hokjesgeest: samenleving in groepen verdeeld)
Veiliger binnen stadsmuren (werk + kloosters)
Opkomst geneeskunde = negatieve magie: 1500 – 1800 heksenjachten
Pest
1400: minder epidemieën + meer regionaal
1400 – 1600: endemisch aanwezig: opflakkeringen
Demografische achteruitgang
Malthus: bevolking groeit sneller dan voedsel: minder door druk opheffen:
Goedschiks (preventive checks): minder kinderen krijgen
Kwaadschiks (positive checks): sterftestijging
Mens = lui
Kritiek op Malthus:
Boserup: technologische innovaties
Seavoy: markteconomie + verandering peasant mentality (risk avoidance + veel kinderen voor eigen verzorging)
Migratie/kolonisatie
Ricardo: Malthus +:
Wet afnemende meeropbrengsten (= relatief, wel meer absoluut): meer arbeid aan grond = minder productiviteit
Grondrentetheorie: meer bevolking = meer slechte grond
Fix = gunstige effecten op levensstandaard
Boserup: meer bevolking = meer innovatie want meer voedselproductie nodig
Seavoy: peasant mentality =
Subsistence compromise
Risk avoidance
Children solution for old age-care
Kritiek op Seavoy: belasting door leenheren, niet alleen conservatieve boeren
Brenner: boeren overbelast door grondheren
Geen malthusiaanse crisis:
Pest = exogeen
Klimaat = exogeen
Geen hervatting na sterftestijging
Moraliteit groter dan fertiliteit door echo’s
Regionaal minder fertiliteit: vrouwen = in arbeidsleegte (Europa) + niet vruchtbaar hertrouwen (Mediterranen)
Neomalthusiaanse economie:
Deflatie-spiraal (alles goedkoper) op platteland
Crisis = minder huwelijk = minder fertiliteit
Gevolgen:
Land goedkoper + arbeid duurder: nederzettingen opgeven
Betere grond + minder mensen = goedkoper graan
Minder mensen = minder arbeid + mensen naar stad = duurder graan (relatief, absoluut wel goedkoper):
Lage grondprijs = zelfvoorzienend
Minder arbeid = hogere lonen: stijging levensstandaard: focus duurdere producten = graan = geen focus
Gevolgen bevolking:
Grootgrondbezitters: adel + kloosters
Dalende inkomsten + stijgende uitgaven
Deel bezit verkopen/geld trouwen/nieuwe inkomsten
Lonen inperken, vrije arbeid beletten + prijzen verhogen
Boeren aantrekken
Specialisatie extensieve veehouderij: veel grond + weinig arbeid
Arbeidsbesparende technologie: lichte ploeg + zicht (korte zeis)
Boeren: keuters (kleine woningen) + landlozen:
Focus aanvullende loondiensten
Lonen lager op platteland = handelaren verplaatsen productie
Niet-agrarische diensten
Middenklasse: = alleen zelfvoorziening:
Geen financiële reserves
Grote boeren:
Financiële buffer
Diversificatie = op markt afstemmen
Bescheidener consumptie + minder loonarbeiders
Gevolgen honger + pest
1350 – 1490: stijging reële lonen (koopkracht): relatieve toename
Daling arbeid = daling grondbewerking (verlate dorpen): vruchtbare gronden wel bevolkt
Daling grondbewerking, maar arbeidsproductiviteit + productie per consument bleef gelijk
Daling graanvraag = daling prijzen
Dalings arbeidskracht = stijging lonen
Stijging lonen = stijging levensstandaard
Stijging levensstandaard = stijging vraag luxegoederen (vis, vlees + zuivel): ontwikkeling mode
= Gouden eeuw loonarbeid: grond goedkoper, arbeid duurder
= Toename vraag naar:
Ambachtelijke producten: opkomst in steden
Vlees, zuivel + groenten
Luxeproducten
= Stimulans: commercialisering + productiediversificatie
Tijdlijn
Italië
1400: teruggreep op antieke voorbeelden: vormentaal + meetkundige verhoudingen: stijging ambities kunstenaars door toepassing artes: boven Italië = eigen kunststijl
Buiten Italië:
Verbonden met hervorming roomse kerk
Door netwerk universiteiten + persoonlijkheden
Bezwaringen tegen heidense antieke idealen
Luther: humanisme voor verbeteren Bijbelonderwijs
1467 – 1536: Erasmus: humanisme voor kerkelijke verbeteringen: renaissance ipv reformatie: morele verbetering individuen ipv verwerpen dogma’s
Drukpers
1450: Florentijns platonisme: Plato + occult: ego-gericht + apolitiek
1469 – 1527: Machiavelli (Florence): politiek-moraal humanisme: deels vrije wil, deels geluk: vorstenspiegel
Pessimistisch mensbeeld
Florentijns patriot
Staat = hoogste waarde koste wat kost: handhaving
Virtu = geen deugd, = nodig voor bestrijding entropie + toeval
Religie = middel staat-regeren + vasthouden
Homo universalis: veelzijdig individu:
Virtu (persoonlijke kwaliteit)
Ingegno (aangeboren talent)
Fantasia (verbeeldingskracht)
Italië
1400: competitie (expansie) Venetië, Florence + Milaan
1442: Zuid-Italië veroverd door unie Aragon + Castilië
1454: vrede tussen Venetië, Florence + Milaan
1499: invasie Frankrijk vs pausen + Habsburgers: Habsburgers winnen in Italië = kleine afhankelijke staatjes
Oorlog
1415: uitvinding kanon
Rome/Avignon
1414 – 1418: Concilie van Konstanz = openbaar: pausen = aftreden + 1 nieuwe
= Vacuüm = aansterking nationale kerken:
Nieuw evenwicht = meer pauselijke macht in Rome + minder vrijheid kerk: afhankelijk van wereldlijke vorsten
Scandinavië
1425: afscheiding Zweden van unie met Noorwegen + Denemarken
Kerk
1431: nieuwe hervormingen: nieuwe paus = herstel pauselijk gezag, maar verzwakt
Frankrijk
1435: 30e penning op handelswaren
1439: jaarlijkse taille = grondbelasting voor alle Fransen
Polen-Litouwen
1447: huwelijk = unie
Europa
1450: 60% aantal inwoners van 1300: traag herstel
1450: weidegronden afsluiten voor adellijke schaapjes
Frankrijk
1450: toename grootte + afdelingen leger
Professionalisering
Specialisering
Alleen betaalbaar voor hoogste machthebbers
Honderdjarige Oorlog
1453: eind: Engeland alleen Calais
Osmaanse Turken
1453: verovering Constantinopel + Genuese Krim
Veroveringen op Mamlukken + Hongarije: strak leger vs verdeeldheid
Constantinopel
1453: val door Osmaanse Turken: slavenhandel voortgezet
Kerk
1460: concilies verboden:
Geen standaardapparaat
Teveel kritiek op paus, te weinig op hervormingen
Oorlog
1460: uitvinding handvuurwapens
Novgorod
Na val Constantinopel = nieuwe orthodoxe tsaar (= caesar) door huwelijk met Byzantijnse Rijk
1478: veroverd door Russen op Mongolen
Ondernemingen
1480: zelfstandige status filialen
Iberië
1492: unie Castilië + Aragon = behoud eigen instellingen: Aragon = maritiem imperium, Castilië = adellijke + kerkelijke grootgrondbezitters
Staatsvorming door Reconquista: belangengemeenschap koningen, adel + steden
Cortes = standenvergadering: controle koning + wetten + belastingen (Aragon met Barcelona) vs alleenheerser (Castilië)
Aragon = autonome handelssteden + samengesteld koninkrijk
Zeehandel los van koninklijke ambtenaren + rechters
Europa
1490: 200 staten
Spanje
1492: joden verdreven
1500
Algemeen
Europa
1500 – 1800: herstel bevolking
1500 – 1800: heksenjachten
Tijdlijn
Florence
1512: republikeins
Duitse Rijk
1555: vorstendommen + steden bepalen religie
Rest
Europa
1900: 20 staten