Geschiedenis begrippenlijst
Inleiding
Prehistorie
Tijdvak van … tot 3500 v.C.
Oude nabije Oosten
Tijdvak van 3500 v.C. tot 753 v.C.
Klassieke oudheid
Tijdvak van 753 v.C. tot 476 v.C
Middeleeuwen
Tijdvak van 476 v.C. tot 1492
Vroegmoderne tijd
Tijdvak van 1492 tot 1789
Moderne tijd
Tijdvak van 1789 tot 1945
Hedendaagse tijd
Tijdvak van 1945 tot …
Dynastie
Een opvolging van heersers die tot dezelfde familie behoren.
Discontinuïteit
Verandering van sommige maatschappelijke en culturele eigenschappen en fenomenen ten opzichte van een bepaalde tijd.
Continuïteit
Verderzetting van sommige maatschappelijke en culturele eigenschappen en fenomenen ten opzichte van een bepaalde tijd.
Historische vraag
Een historische vraag speelt zich af op een bepaalde plaats op een specifiek(e) moment/ periode in het verleden en binnen een bepaald domein.
Historische bron
Materiële, mondelinge of geschreven getuigenis/voorwerp uit het verleden.
Historisch werk
Een resultaat van onderzoek van (historische) bronnen.
Primaire bron
Bron geeft informatie uit de eerste hand over een gebeurtenis, persoon of periode uit het verleden.
Secundaire bron
Bron is afkomstig van een getuige, de bron werd achteraf gemaakt;
Representatief
Iets wat geschikt is om te vertegenwoordigen.
H1 - Germanen versus Romeinen
Soldatenkeizers
Benaming voor de vele keizers die elkaar opvolgden in de woelige derde eeuw in het Romeinse Rijk.
Tetrarchie
Systeem dat ingang vond onder Diocletianus waarbij het rijk in 2x2 delen werd gesplitst met 2 Caesars en 2 Augusti.
Foederati
Germanen in dienst van het Romeinse leger
Germaanse talen
Subgroep van de Indo-Europese talen waaronder bijvoorbeeld het Nederlands en het Duits vallen.
Romaanse talen
Subgroep van de Indo-Europese talen waaronder bijvoorbeeld het Latijns en Spaans vallen.
Barbaar
NU: Onbeschaafd, onderontwikkeld iemand
VROEGER: Romeinse benaming voor niet-Romeinse volkeren.
Grote volksverhuizing
Proces waarbij de Germaanse volkeren het WRR binnentrokken in de late oudheid.
Germanen
Verzamelnaam voor volkeren in Noord-, Oost- en Centraal-Europa.
Tacitus
Romeins schrijver en historicus (56-120)
Clerus
De geestelijkheid
Kerstening
Het bekeren van niet-christelijke volkeren tot het christendom.
Torque
Keltische of Germaanse halsband gemaakt uit (edel)metaal.
Hunnen
Oosters volk dat Europa in de vierde eeuw binnenviel.
H2 Krijgers worden heersers
Salische Franken
Stam onder de Franken die zich in onze regionen vestigde (Germaanse stam).
Heiden
Letterlijk ‘ongodsdienstig mens’, wordt gebruikt als benaming voor mensen met een andere godsdienst of atheïsme.
Ketterij
Benaming voor stromingen binnen het christendom die afwijken van de officiële leer (bv. Arianisme)
Arianisme
Leer waarbij de goddelijkheid van Christus ontkend wordt, maar wordt gezien als een door God geschapen wezen.
Legitimiteit
Recht van de heerser om te heersen.
Lex Salica
De eerste niet-Romeinse wettekst in Europa, de Salische wet.
Hofmeier
De belangrijkste raadgever van de Merovingische koningen.
Renaissance
‘Wedergeboorte’ = periode van culturele bloei
→ = periode in de 14-16e eeuw, maar leent zijn naam ook aan de Karolingische renaissance als periode van culturele bloei.
Burgeroorlog
Oorlog waarbij de betrokken partijen deel uitmaken van hetzelfde land of rijk.
Gewoonterecht
Verzameling van stilzwijgende regels binnen een gemeenschap. Deze kunnen geïnterpreteerd worden.
Eurocentrisme
Europese cultuur als maatstaf gebruiken om de geschiedenis vanuit een Europees perspectief te bekijken.
Rijksappel
Symbool van geestelijke macht.
Verdrag van Verdun
Verdrag die de verdeling van het Karolingische rijk regelt onder de zonen van Lodewijk de Vrome (843)
H3 Brood op de plank
Agrarisch
Alles wat met landbouw te maken heeft
Ancien régime
Verzamelnaam voor de periode die de middeleeuwen en de vroegmoderne tijd omvat.
Autarkie
Voorzien in eigen onderheid
Cijns
Belasting die een horige aan de heer van het domein moest betalen.
Domaniaal stelsel
Het vroegmiddeleeuwse economische systeem waarbij de heer de baas was over het land en de horigen en lijfeigenen het land bewerken.
Later zal hiervan het politieke systeem van feodaliteit afgeleid worden.
Domesticatie
Het gericht kweken van planten en dieren binnen de landbouw.
Horige
Een persoon die bij een stuk land ‘hoorde’. Kan wel ook zelf bezit hebben.
In natura
Een handelsvorm waarbij men betaalde met producten in de plaats van met geld.
Lijfeigenen
Een persoon die eigendom was van de heer bij het domaniaal stelsel. Kon niks zelf echt bezitten.
Vroonhof - vroonland
Landgoed van de heer binnen het domaniaal stelsel.
Hoevenhof - hoevenland
Landgoederen van de horigen en lijfeigenen binnen het domaniaal stelsel.
Getijdenboek
Een getijdenboek is een gebedenboek uit de middeleeuwen dat mensen hielp hun dag in te delen volgens vaste gebedstijden, zoals 's morgens, 's middags en 's avonds. Het bevatte vaak prachtige illustraties die ons een blik geven op het leven in de middeleeuwen.
Vruchtgebruik
Het recht om een stuk grond te gebruiken terwijl dit eigendom blijft van iemand anders.
Klimaatoptimum
Periode met een gunstig verhoogde temperatuur.
Demografisch
Statistische beschrijving van de bevolking.
H5 Demonen uit het Noorden
H6 De standensamenleving
oratores
Een ander woord voor geestelijken, verwijst naar de eerste stand van de standensamenleving, zij die bidden.
bellatores
Een ander woord voor de adel, verwijst naar de tweede stand van de standensamenleving, zij die vechten.
laboratores
Een ander woord voor de derde stand, verwijst naar de derde stand van de standensamenleving, zij die werken.
Clerus
Een ander woord voor geestelijken.
Universele verklaring van de rechten van de mens (UVRM)
In 1948 heeft de Verenigde Naties (VN) de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens (UVRM) als besluit aangenomen. De UVRM vormt de basis voor mensenrechteninstrumenten van de VN en regionale organisaties als de Raad van Europa, Organisatie van Amerikaanse Staten en Afrikaanse Unie. De UVRM bestaat uit 30 artikelen
seculiere geestelijken
Geestelijken die in de wereld, tussen de mensen leven. (bv. een priester)
reguliere geestelijken
Geestelijken die volgens een regel in afzondering van de wereld leven. (bv. een monnik)
tienden / tiendrecht
1/10 van de landbouwopbrengst moest afgestaan worden aan de abdij van wie de grond was.