4.I GEN EXPRESSIE

TRANSCRIPTIE

POST-TRANSCRIPTIONELE MODIFICATIES

  • pre-mRNA → matuur mRNA

    • 5’-capping

    • 3’-polyadenylatie

    • spliceosoom;

      • complex van eiwitten en kleine RNA’s (snRNAs)

        snRNAs + eiwitten = snRNPs = “snurps”

      • verwijdert de intronen (niet-coderende stukken) uit het pre-mRNA

      • exonen (coderende stukken) worden aan elkaar geplakt, klaar voor translatie


  • alternative splicing

    • = uit één mRNA kan je meerdere eiwitten verkrijgen doordat de splicing op een andere manier is gebeurd

    • dit kan zowel;

      • normaal gereguleerd gebeuren en dus zorgen voor eiwitdiversiteit

      • onbedoeld, ongecontroleerd en dus ook foutief gebeuren


    Splicevorm

    Regulier

    Foutief

    Uitleg

    exon skipping

    🔄 Soms

    Normaal bij regulated splicing, maar kan ook optreden door mutatie in splice site.

    intron retention

    🔄 Soms

    Wordt gereguleerd gebruikt, maar kan ook foutief optreden bij verstoringen.

    alternatieve 5'-splice site

    🔄 Soms

    Cel kiest zelf tussen meerdere mogelijkheden, tenzij een fout ertoe dwingt.

    alternatieve 3'-splice site

    🔄 Soms

    Zelfde als hierboven, foutief bij mutaties die normale site onbruikbaar maken.

    cryptic splice site

    Altijd foutief – gebruikt bij mutatie of storing in normale splice site, als cryptic actiever is dan normale of verstoring bij spliceosoom


  • RNA-modificaties

    • recentelijke ontdekking, lang gedacht dat dit niet mogelijk is

    • modificaties op nucleotideniveau

      • vb. adenosine wordt gedeamineerd tot guanosine



TRANSLATIE

POST-TRANSLATIONELE MODIFICATIES

  • fosforylatie

    • kinase zorgt voor binden fosfaat → activatie

    • fosfatase zorgt voor losmaken fosfaat → inactivatie

  • ubiquitinatie

    • ubiquitine (eiwit) wordt aan foute eiwitten gehangen als merker

    • dit wordt vervolgens verwerkt door het proteasoom = “shredder”

      • proteïne → losse aminozuren

  • methylatie

  • acetylatie

  • glycosylatie



REGULATIE VAN GENEXPRESSIE

SAMENVATTING

  • chromatine = DNA + histonen

    • histon acetylatie → los (eu)chromatine → transcriptie

    • DNA methylatie → dens (hetero)chromatine → transcriptie


  • transcriptie; DNA → mRNA

    • enhancers binden op transcriptiefactoren (vb. activators) die het transcriptieproces in gang zetten

    • enhancers verschillen per celtype


  • RNA-processing; pre-mRNA → matuur mRNA

    • alternative splicing

    • afhankelijk van waar/hoe splicing precies gebeurt, krijg je ander eiwit


  • “einde v/d cyclus”;

    • mRNA degradatie

      • mRNA heeft een levensduur die vastligt in 5’ en 3’ UTR

      • veel afbraak van mRNA door miRNAs → minder eiwitproductie

    • translatie → protein processing + degradatie

      • translatie wordt gecontroleerd door initiatiefactoren

      • protein processing = vouwen, modificeren, activeren … v/h eiwit

      • degradatie = afbreken van foute, overbodige, beschadigde, kortlevende (regulator)eiwitten …



BIJ BACTERIËN

  • genen bevinden zich in operons;

    • bevat één promotor

    • bevat regulerende DNA sequenties = bindingsplaats voor regulerende eiwitten die transcriptie promoten/inhiberen

    • alle genen binnen één operon worden in groep vertaald

    • 3 mogelijkheden;

      • constitutief actief = continue expressie onder normale omstandigheden; houesekeeping genes

      • induceerbaar = werking bij aanwezigheid molecule

      • onderdrukbaar = stopt werking door aanwezigheid molecule




  • transcriptie kan gecontroleerd worden door;



  • Induceerbaar vs onderdrukbaar

    kenmerk

    induceerbaar operon

    onderdrukbaar (reprimeerbaar) operon

    operon

    lac-operon

    trp-operon

    normale toestand

    UIT

    AAN

    activatie door

    inductor (bv. lactose)

    blijft actief tenzij corepressor aanwezig is (bv. tryptofaan)

    doel

    alleen aanzetten als nodig is

    alleen uitzetten als er genoeg is


  • Lac-operon — induceerbaar

    • = genensysteem dat normaal UIT staat, maar aangezet wordt als er een bepaalde stof (inductor) aanwezig is

    • zorgt voor afbraak lactose → glucose + galactose (β-galactosidase)



    • als er geen lactose (inductor) in de cel is;

      • repressor bindt aan operator → transcriptie

    • als er wel lactose (inductor) in de cel is;

      • (al)lactose bindt aan de repressor → deze verandert van vorm

      • repressor laat los van de operator

      • RNA-polymerase kan de structurele genen aflezen → enzymen worden geproduceerd om lactose af te breken


    • MAAR als er glucose aanwezig is, wordt het lac-operon minder actief, ook al is er lactose; dit komt door het cAMP-CAP-systeem:

      • weinig glucose → hoog cAMP → cAMP bindt aan CAP-eiwit, wat bindt aan DNA → stimuleert transcriptie

      • veel glucose → laag cAMP → weinig tot geen transcriptie


  • samengevat;




  • Trp-operon — onderdrukbaar

    • = genensysteem dat normaal AAN staat, maar uitgezet wordt als er een bepaalde stof (corepressor) aanwezig is

    • operon codeert voor enzymen die tryptofaan maken



    • als er voldoende tryptofaan (corepressor) in de cel is;

      • tryptofaan bindt aan een repressor-eiwit → activeert de repressor

      • repressor bindt aan de operator → blokkeert transcriptie

      • productie van tryptofaan stopt = energie besparen




BIJ EUKARYOTEN

  • expressie enkel actief bij aanwezigheid bepaald substraat;

    • neuronen, neurotransmitters

    • lever, alcohol dehydrogenase


  • transcriptiefactoren;

    • = proteïnen die binden aan specifieke DNA sequenties

    • bepalen welke genen (in)actief zijn

    • soorten;

      • activator = verhoogt transcriptie

      • repressor = vermindert of blokkeert transcriptie

    • werking;

      • samenwerken en elkaar versterken = additief effect

      • elkaar tegenwerken = synergisch effect



    • groeifactoren kunnen leiden tot activatie van transcriptiefactoren;

      • vb. PDGF = platelet derived growth factor

      • fibroblasten G0 → G1



DOOR ncRNA

  • = non-coding RNA


  • miRNA zorgt voor genregulatie na transcriptie

    • DNA → hairpinRNA → duplexRNA → miRNA → miRNA-complex

      • hairpinRNA; stabiliteit (enkel- vs dubbelstrengig)

      • duplexRNA = 2× miRNA

      • miRNA opname door eiwitcomplex

        • vb. RISC = RNA-Induced Silencing Complex


    • miRNA-complex zoekt naar mRNA-moleculen met complementaire sequenties;

      • perfecte match → mRNA afbraak

      • gedeeltelijke match → mRNA (tijdelijk) geblokkeerd





  • lncRNA zorgt voor genregulatie na transcriptie;

    • RNA decoy

      • = afleiding

      • lncRNA bindt aan transcriptiefactoren of andere eiwitten zodat ze niet op DNA kunnen binde

    • miRNA spons

      • lncRNA bindt miRNA zodat het miRNA zijn mRNA-doelwit niet meer kan remmen

    • RNP component

      • lncRNA onderdeel van een ribonucleoproteïne complex

      • vb. telomerase

    • rekrutering chromatine modifiers

      • lncRNA lokt eiwitten naar specifieke genlocaties op het DNA

    • inhiberen translatie

    • regelen splicing

      • lncRNA kan de splice sites beïnvloeden → bepaalt welke exons in mRNA terechtkomen

    • degradatie





DOOR EPIGENETICA

  • DNA an sich verandert niet

  • 4 types;

    • DNA methylatie

    • histon modificatie

    • histon varianten

    • 3D-topologie



  • DNA methylatie

    • vnl bij CPG islands;

      • cytosine + fosfaat + guanine

    • X-chromosoom inactivatie

    • genomic imprinting


  • histon modificatie

    • methylatie

    • phosphorylatie

    • acetylatie


  • 3D-topologie

    • incis = op zelfde chromosoom

    • intrans = op verschillend chromosoom

    • TADs

      • = topology associated domains