Studietaak 2.2
Moderne kijk op persoonlijkheid
Er zijn zeer veel eigenschappen die mensen kunnen gebruiken om zichzelf of anderen te beschrijven. De kunst is om al die eigenschappen in een overzichtelijk systeem bij elkaar te brengen. Dat maakt het namelijk mogelijk om vragenlijsten te ontwikkelen waarmee de belangrijkste persoonlijkheidseigenschappen van mensen gemeten kunnen worden. Dit kan van belang zijn in het kader van bijvoorbeeld een beroepskeuzeonderzoek, een sollicitatie of een diagnostisch onderzoek dat voorafgaat aan een psychologische behandeling. In dit hoofdstuk wordt besproken wat volgens moderne modellen van persoonlijkheid de belangrijkste persoonlijkheidseigenschappen zijn. Deze modellen zijn gebaseerd op zogeheten psycholexicaal onderzoek. Omdat psycholexicaal onderzoek is gebaseerd op een analyse van taal, kunnen uitkomsten die zijn gevonden in het ene land niet zomaar gegeneraliseerd worden naar een ander land. Dat heeft gevolgen voor de vergelijkbaarheid van persoonlijkheidsmetingen en persoonlijkheidsbeschrijvingen in verschillende culturen, en voor het internationale gebruik van persoonlijkheidsvragenlijsten.
3.1 Jezelf beschrijven
Hoeveel manieren zijn er om jezelf psychologisch te beschrijven en te onderscheiden van anderen? Ben je openhartiger dan de meesten van je vrienden en kennissen? Ben je impulsiever dan zij bij het kopen van kleren? Ben je vastberaden in het nastreven van je doelen, vastberadener dan anderen? Ben je lichtgeraakt, misschien wat verlegen, ben je saai of rebels? Ruim je je slaapkamer doorgaans netjes op omdat je een ordelijk persoon bent, of doe je het alleen om een ordelijke indruk te maken? En als dat laatste het geval is, betekent dit dan dat je eigenlijk niet ordelijk bent? Hoe ga je met mensen om? Houd je je stipt aan afspraken, kom je vaak te laat of kom je juist altijd wat eerder? Ben je geïnteresseerd in wat anderen denken, willen of voelen, of laat dat je vaak koud? Houd je rekening met wat anderen van je vinden of ga je helemaal je eigen gang? Al deze vragen gaan over hoe je bent en hoe je je voordoet, over wat je beweegt en bezielt, over hoe jij jezelf ziet, hoe anderen jou zien en over hoe jij denkt dat anderen jou zien. Het gaat over wat jou karakteriseert als individu, over je persoonlijkheid en je sociale reputatie. Hoe je jezelf beschrijft, hangt namelijk mede af van het beeld dat je wilt dat anderen van je hebben, en is ook terug te vinden in de oorsprong van het woord 'persoonlijkheid' (zie verdiepingskader 3.1).
Wanneer iemand je vraagt om een beschrijving van jezelf te geven, zullen antwoorden. op een aantal van de voorgaande vragen daarin waarschijnlijk een rol spelen. In dit soort beschrijvingen doen mensen er vaak echt moeite voor om door anderen gezien te worden als iemand met positieve eigenschappen.
Denk aan een beschrijving die je geeft van jezelf in het kader van een sollicitatiegesprek of op een datingwebsite. Maar hoever kun je daarin gaan? Uit onderzoek blijkt dat het tegen je kan werken als je daarin te ver gaat. Iemand die zeer veel aandacht besteedt aan het creëren van een zo gunstig mogelijk beeld van zichzelf valt heel gauw door de mand en wordt ongeloofwaardig. Er is sprake van een 'trade-off tussen gunstigheid en geloofwaardigheid. En de kans dat je door de mand valt is groter bij bekenden dan bij onbekenden. Er blijkt dan ook dat men tegenover bekenden terughoudender is in het scheppen van een gunstig beeld van zichzelf dan tegenover onbekenden.
3.2 De lexicale hypothese
Mensen praten vaak over andere mensen en hun gedrag: Wie doet wat met wie en waarom? Is dat goed of slecht? Wie is er populair en wie niet, en waarom? Hoe moet je omgaan met een moeilijk kind, een vervelende partner of een collega die nooit een deadline haalt? Alledaagse gesprekken op bijvoorbeeld het werk of thuis hebben voor het merendeel betrekking op gedrag en eigenschappen van jezelf of van anderen.
Wat betekent het wanneer iemand zegt dat die en die persoon een (echte) persoonlijkheid is of persoonlijkheid heeft? Meestal wordt daarmee bedoeld dat die persoon zich duidelijk en positief van anderen onderscheidt, dat hij een sterke wil heeft en dat die persoon karakter heeft. Karakter heeft tegenwoordig vooral te maken met het kenmerkende of typerende van een persoon. Het psychologische type is vaak ook een karikatuur: een opvallend kenmerk aan de persoon wordt uitvergroot op zo'n manier dat die persoon eigenlijk alleen nog dat kenmerk is. Dat kan grappig zijn, maar het is zeker ook eenzijdig en onrechtvaardig ten opzichte van de persoon. Niet voor niks is er vaak weerstand tegen mensen in hokjes plaatsen.
Het bespreken van personen, hun gedrag en hun eigenschappen is van alle tijden en van alle culturen. In die gesprekken wordt betekenis gegeven, worden verklaringen opgeworpen en wordt gezocht naar begrip van wat mensen beweegt. Daarbij worden allerlei woorden gebruikt om kenmerken van personen te beschrijven. Iemand is bijvoorbeeld lui, verlegen, ambitieus of behulpzaam. Voor de meeste eigenschappen van mensen bestaan woorden om deze te beschrijven. Als eigenschappen maar vaak genoeg worden waargenomen en goed genoeg waarneembaar zijn, is de kans groot dat er op een gegeven moment woorden worden bedacht om die eigenschap mee aan te duiden. Dit wordt ook wel de lexicale hypothese genoemd: belangrijke individuele verschillen tussen mensen kunnen in taal worden uitgedrukt. Onderzoek dat zich baseert op deze hypothese wordt ook wel 'psycholexicaal onderzoek' genoemd.
De psycholexicale benadering in de persoonlijkheidspsychologie richt de aandacht dus op de woorden waarover een taal beschikt om iets over de persoonlijkheid van iemand te zeggen. Daar zijn er heel veel van. Omdat zulke woorden allemaal te vinden zijn in een woordenboek, is dat vaak het startpunt van psycholexicaal onderzoek. Als eerste stap worden lijsten gemaakt van woorden uit woordenboeken die kunnen worden gebruikt om eigenschappen van mensen mee te beschrijven. Dat zijn er vaak een heleboel (meestal vele duizenden, al is dit enigszins afhankelijk van welk woordenboek je gebruikt). Als je al die woorden hebt geselecteerd, heb je nog geen antwoord op de vraag welke persoonlijkheidseigenschappen nu eigenlijk het belangrijkst zijn. Daarvoor zijn enkele vervolgstappen nodig, waar het in de volgende paragraaf over gaat.
3.3 Taxonomieën
Volgens schattingen door lexicografen (mensen die woordenboeken schrijven) telt het aantal Nederlandse woorden meer dan een miljoen. Misschien zijn er door de tijd heen wel bijna vijf miljoen gebruikt. Het aantal mogelijke woorden is haast onbeperkt, omdat je met de bestaande grondwoorden steeds nieuwe samenstellingen en afleidingen kunt maken. De Taaldatabank van het Nederlands-Vlaamse Instituut voor Nederlandse Lexicologie (INL) in Leiden bevat daardoor al meer dan 60 miljoen woorden. De Grote Van Dale beschrijft ongeveer 240.000 woorden. Een volwassene gebruikt daarvan mogelijk ongeveer 50.000 woorden. Veel van die woorden hebben betrekking op beschrijvingen van jezelf of anderen. Dit is een veel te grote verzameling om mensen kort en bondig mee te beschrijven, zeker als je mensen onderling wilt vergelijken. Je zou bezig blijven! Je kunt zo'n grote hoeveelheid woorden proberen te ordenen door ze in groepen in te delen. Zo'n ordening heet een 'taxonomie. Hierbij is het van belang het kaf van het koren te scheiden: niet alles is nodig en niet alles is bruikbaar om de persoonlijkheid op een goede manier te beschrijven. Woordenboeken bevatten immers ook heel veel woorden die in gewone alledaagse gesprekken niet (meer) gebruikt worden of waarvan mensen de betekenis niet meer goed weten. Of ze bevatten woorden die mensen maar heel soms gebruiken om iemand te beschrijven. In de volgende paragrafen wordt een aantal taxonomieën van persoonlijkheidsbeschrijvende woorden beschreven. Er zijn er meer, maar dit zijn de bekendste en meest invloedrijke als het gaat om de beschrijving van de persoonlijkheid zoals we dat tegenwoordig doen.
3.3.1 De taxonomie van Cattell
In de jaren dertig van de twintigste eeuw kamden Allport en Odbert heel nauwkeurig een groot Amerikaans woordenboek (de onverkorte Webster) uit om alle woorden te vinden die gebruikt konden worden voor de beschrijving van persoonlijkheid. Ze vonden bijna 18.000 woorden. Dat was het werkelijk complete arsenaal aan begrippen waarmee je de zeer uiteenlopende facetten van persoonlijkheid kon beschrijven. Allport en Odbert deelden die 18.000 woorden in vier groepen in. De eerste groep (4.505 woorden) omvat de 'echte' eigenschappen; het zijn tendensen of geneigdheden, consistente manieren van reageren op een situatie. Voorbeelden zijn agressief, introvert en beheerst. De tweede groep (4.541 woorden) omvat tijdelijke gemoedstoestanden of activiteiten. Hiervan zijn voorbeelden: verveeld, beschaamd en onbewust. Een derde groep (5.226) omvat woorden waarin het evaluatieve element op de voorgrond staat (woorden die je vooral gebruikt om iets of iemand te evalueren). Voorbeelden zijn waardevol, effectief en interessant. De vierde groep (3.682) omvat woorden die niet goed te plaatsen zijn in de eerste drie groepen, die dubbelzinnig zijn, of vaag. Voorbeelden zijn kannibalistisch, emigrerend en encyclopedisch. De woorden in de eerste groep lijken de 'echte' persoonlijkheidseigenschappen te zijn: het betreft hier stabiele individuele verschillen. Over de andere woorden en categorieën valt te discussiëren. Tijdelijke gemoedstoestanden (categorie 2) kunnen bijvoorbeeld ook gezien worden als echte eigenschappen. Boos is meestal een tijdelijke gemoedstoestand, maar als iemand heel vaak en bij het minste of geringste boos wordt, dan kan het ook worden gezien als een meer stabiele eigenschap van de persoon.
De eerste categorie woorden van Allport en Odbert, aangevuld met onder meer een aantal woorden uit de tweede categorie, dikte Cattell in tot een lijst van 171 eigenschappen. Die 171 eigenschappen werden door Cattell beschouwd als een goede weergave van het complete persoonlijkheidsdomein.
Hij liet vervolgens honderd volwassenen beoordelen door goede bekenden aan de hand van deze lijst van 171 eigenschappen. Op basis van de resultaten reduceerde hij de lijst met behulp van statistische analyses nog verder, tot 35 eigenschappen. Verder onderzoek met deze 35 eigenschappen toonde aan dat die weer konden worden ingedeeld in 12 factoren (12 clusters van persoonlijkheidseigenschappen, als het ware). Cattell was daarmee zelf niet tevreden en voegde nog een viertal begrippen toe. Dit resulteerde in een persoonlijkheidsvragenlijst, waarin vragen gesteld werden die betrekking hadden op een totaal van 16 factoren, de zogeheten Sixteen-Personality-Factors-vragenlijst (16PF; zie verdiepingskader 3.4).
De 16PF bevat de volgende 16 persoonlijkheidsfactoren (clusters van persoonlijkheidseigenschappen):
Emotionele betrokkenheid: de mate waarin je behoefte hebt aan intieme relaties met anderen.
Emotionele stabiliteit: de mate waarin je met stress reageert op uitdagingen of gebeurtenissen.
Levendigheid: de mate waarin je je vrij voelt en spontaan bent.
Sociale zelfverzekerdheid: de mate waarin je je op je gemak voelt in sociale situaties.
Waakzaamheid: de mate waarin je voorzichtig bent in het contact met anderen.
Geslotenheid: de mate waarin je persoonlijke informatie privé wenst te houden.
Openheid voor verandering: de mate waarin je geniet van nieuwe situaties en ervaringen.
Perfectionistisch: de mate waarin je behoefte hebt aan structuur in plaats van de dingen aan het toeval over te laten.
Redenerend vermogen: de mate waarin je numerieke en verbale problemen kunt oplossen.
Dominantie: je neiging om invloed te hebben en/of anderen te beheersen.
Regelbewust: de waarde die je hecht aan van buitenaf opgelegde regels.
Gevoeligheid: de mate waarin emoties en gevoelens je verwachtingen en oordeel beïnvloeden.
Abstractheid: de hoeveelheid aandacht die je geeft aan abstracte in plaats van concrete observaties.
Onzekerheid: je neiging tot zelfkritiek.
Zelfstandigheid: de mate waarin je je eigen oordeel vertrouwt en kiest voor solistisch werken.
Gespannenheid: het gemak waarmee je gefrustreerd kunt raken door situaties.
3.3.2 Het Big-Five-model van persoonlijkheidseigenschappen
Het vinden van 'clusters' persoonlijkheidseigenschappen in een grote verzameling persoonlijkheidseigenschappen gebeurt doorgaans met een statistische techniek die 'factoranalyse' heet (zie verdiepingskader 3.5). De uitkomsten van factoranalyses zijn niet altijd voor een uitleg vatbaar. Andere onderzoekers dan Cattell vonden bijvoorbeeld met dezelfde datasets geen twaalf (of zestien), maar 'slechts' vijf factoren. Fiske was de eerste 'ontdekker' van een structuur met vijf factoren, een structuur die een decennium later in nieuwe gegevens werd bevestigd door Tupes en Christal, en door Norman. Deze vijf factoren werden daarna meestal de Norman-5' genoemd. De Norman-5 staan vermeld in afbeelding 3.3, met de factornamen en de variabelen waarop ze zijn gebaseerd. Dat zijn in dit geval 20 van de 35 variabelen van Cattell.
Factoranalyse
Factoranalyse is een statistische techniek die wordt gebruikt om te onderzoeken of er onderliggende factoren (clusters) zijn te vinden in een set variabelen (hier zijn die variabelen persoonlijkheidseigenschappen). Persoonlijkheidseigenschappen die iets gemeenschappelijk hebben, worden dan met behulp van deze statistische techniek onder dezelfde factor geschaard. Het kan daarbij gaan om zowel eigenschappen die op elkaar lijken (bijvoorbeeld aardig en behulpzaam) als eigenschappen die elkaars tegenpolen zijn (zoals lief en gemeen). Zo hebben de termen spraakzaam en spontaan, maar ook stil en teruggetrokken allemaal te maken met dezelfde persoonlijkheidsfactor (Extraversie).
Om een factoranalyse uit te kunnen voeren, moet je eerst gegevens verzamelen. In het kader van psycholexicaal onderzoek vullen bijvoorbeeld eerst een heleboel mensen (honderden) een lange persoonlijkheidsvragenlijst in, met daarin vragen die zijn gebaseerd op de termen die uit het woordenboek zijn gekozen. Op al die gegevens kun je een factoranalyse toepassen. Je zult dan zien dat eigenschappen die iets met elkaar te maken hebben, in positieve of negatieve zin, onder dezelfde factor vallen. Je kunt het een beetje vergelijken met het sorteren van M&M’s (of andere snoepjes) op kleur. De M&M’s die iets gemeenschappelijk hebben (dezelfde kleur) kun je dan in groepjes bij elkaar leggen.
Een factoranalyse doet iets vergelijkbaars. Eigenschappen die veel gemeenschappelijk hebben, hangen sterk met elkaar samen. Dit wordt uitgedrukt in correlaties. Op basis van de correlaties tussen variabelen worden die in een factoranalyse bij elkaar geplaatst. Variabelen die relatief sterk met elkaar correleren, komen in principe samen in een factor terecht, ongeacht of deze correlaties sterk positief of sterk negatief zijn.
In principe kunnen in een factoranalyse net zoveel factoren worden gevonden als er variabelen zijn. Daar schieten we echter niet veel mee op. Meestal beperken we ons tot een relatief klein aantal factoren. Er zijn verschillende manieren om te bepalen hoeveel factoren er nodig zijn om de variabelen goed samen te vatten. In psycholexicaal onderzoek gebeurt dat op basis van de betekenis van de factoren. Bij de meest gebruikte variant van factoranalyse in lexicaal onderzoek (hoofdcomponentenanalyse) staan de factoren in volgorde van groot naar klein. Je kijkt eerst of je de eerste (en dus grootste) factor kunt interpreteren. Wat is het gemeenschappelijke kenmerk van de eigenschappen die in de eerste factor terecht zijn gekomen? Als het mogelijk is om de betekenis van die eerste factor te bepalen, ga je kijken naar wat het gemeenschappelijke kenmerk is van de eigenschappen in de tweede factor. Als je ook van die tweede factor kunt bepalen wat de betekenis is, ga je verder met de derde factor. Je gaat zo net zo lang door tot je een factor tegenkomt die niet meer te interpreteren valt. In het geval van het in dit hoofdstuk besproken Big-Five-model is er sprake van vijf interpreteerbare factoren.
Het was Goldberg die later de naam 'Big Five' opwierp om deze vijf factoren te beschrijven, en dat is tot op heden de naam gebleven. Het idee is dat alles wat je over de persoonlijkheid van jezelf of van een ander kunt zeggen (dus alle woorden die voor persoonlijkheid bestaan) in het Big-Five-model moeten kunnen worden uitgedrukt. Ook later psycholexicaal onderzoek van Goldberg leidde tot een duidelijke bevestiging van het Big-Five-model in het Engels, met als factoren Extraversie, Vriendelijkheid, Zorgvuldigheid, Emotionele Stabiliteit en Intellect.
Min of meer parallel aan het onderzoek van Goldberg werkten Costa en McCrae met de vragenlijst van Cattell, de 16PF. Zij probeerden de zestien factoren van persoonlijkheidseigenschappen uit die vragenlijst verder te clusteren tot een nog kleinere groep onderliggende factoren. Costa en McCrae, die bij een gerontologisch instituut in Baltimore werkten, wilden namelijk een persoonlijkheidsvragenlijst ontwikkelen voor de beoordeling van persoonlijkheid op verschillende leeftijden. Ze verzamelden vragenlijstscores op de 16PF van drie groepen mensen van gemiddeld 32, 44 en 60 jaar oud. Zij vonden dat de 16 eigenschappen konden worden ingedeeld in drie factoren, namelijk Neuroticisme (het tegengestelde van Emotionele Stabiliteit), Extraversie en Openstaan voor Ervaringen. Deze laatste factor bestond uit eigenschappen die enigszins overeenkomen met eigenschappen die vallen onder de Big-Five-factor Intellect (zie afbeelding 3.3). Op basis van hun bevindingen ontwikkelden Costa en McCrae een nieuwe persoonlijkheidsvragenlijst waarmee Neuroticisme, Extraversie en Openstaan voor Ervaringen werden gemeten. Het duurde echter niet lang voor Costa en McCrae op de hoogte raakten van het Big-Five-model. Ze constateerden dat hoewel hun drie factoren deels overeenkwamen met een paar factoren uit het Big-Five-model, er ook een paar persoonlijkheidsfactoren waren die niet in hun vragenlijst voorkwamen. Ze besloten toen om hun vragenlijst aan te passen en er vragen voor het meten van de Big-Five-factoren Vriendelijkheid en Zorgvuldigheid toe te voegen. Zo ontstond de NEO-PI-R, de persoonlijkheidsvragenlijst die tegenwoordig wereldwijd het meest wordt gebruikt om de persoonlijkheid van mensen te meten, bijvoorbeeld in het kader van personeelsselectie.
(Er is inmiddels een licht geüpdatete variant, de NEO-PI-3, waarmee dezelfde factoren worden gemeten.) De NEO-PI-R heeft dus een andere ontstaansgeschiedenis dan het Big-Five-model. De NEO-PI-R is niet gebaseerd op lexicaal onderzoek, maar op een vragenlijst (de 16PF), op basis waarvan eerst drie factoren werden gevonden en waaraan later nog twee factoren zijn toegevoegd Verder wordt de factor Openstaan voor Ervaringen doorgaans niet gevonden in psycholexicaal onderzoek. Daarom wordt de NEO-PI-R door Costa en McCrae een vragenlijst genoemd voor het meten van het Five-Factor-model (FFM) van persoonlijkheid. Hoewel het Big-Five-model en het Five-Factor-model uit ongeveer dezelfde factoren bestaan, hebben ze een andere ontstaansgeschiedenis en zijn ze ook niet precies hetzelfde.
Het Big-Five-model is het meest geaccepteerde model van persoonlijkheid in de psychologie. Maar hoe serieus moet dit Big-Five-model nu worden genomen, wetenschappelijk en professioneel gesproken? Wetenschappelijk gezien is het van belang om te weten of het model juist is, of het volledig is, of het alle belangrijke eigenschappen dekt en of het genuanceerd genoeg is. Professioneel gezien is het van belang om te weten of je met een gerust hart met behulp van dit model de persoonlijkheid van iemand vast kunt stellen, zodat je op grond van die beoordeling beslissingen over die persoon kunt nemen of durft te nemen. Op deze punten wordt hierna verder ingegaan.
3.4 Cultuurverschillen in persoonlijkheid
De vijf factoren van het Big-Five-model zijn gevonden op basis van psycholexicaal onderzoek. Opvattingen over persoonlijkheid zijn echter niet overal hetzelfde. Vragenlijstvragen (items) die ontwikkeld zijn voor de ene taal, spreken soms minder goed aan in een andere taal. Ze kunnen soms ook niet perfect vertaald worden. Als je rekening wilt houden met opvattingen over persoonlijkheid die cultuureigen zijn, is het beter om een vragenlijst van de grond af op te bouwen binnen de betreffende cultuur en de bijbehorende taal. De psycholexicale benadering is bij uitstek een methode die dat doet (een zogeheten emic benadering; zie verdiepingskader 3.7): woorden worden niet geleend uit een andere taal, maar er wordt begonnen met het in kaart brengen van persoonlijkheidsbeschrijvende woorden in de betreffende taal, door mensen die deze taal spreken.
3.4.1 Culturele verschillen met betrekking tot de Big Five
Ongeveer veertig jaar na het werk van Cattell verdiepten ook Europese wetenschappers zich in de psycholexicale methode: eerst wetenschappers in Nederland en Duitsland, later ook in andere landen. Het psycholexicale onderzoek in het Nederlands werd als eerste uitgevoerd door Brokken, dat in het Duits door Ostendorf. De resultaten van deze onderzoeken werden vergeleken met de Big Five in het Amerikaans-Engels. De Nederlandse Big Five bleek redelijk overeen te komen met de Amerikaanse, met een verschil in vooral de vijfde factor. In het Amerikaans werd deze factor als een Intellect-factor beschreven, met eigenschappen als creatief, artistiek, inventief en intelligent. In het Nederlands bevat de vijfde factor, naast eigenschappen die creativiteit en originaliteit beschrijven, ook eigenschappen die progressiviteit en rebelsheid beschrijven, zoals kritisch, progressief en rebels. De eerste vier factoren van de Duitse Big Five lijken op die van de Amerikaanse en Nederlandse Big-Five-factoren. De vijfde Duitse factor is een typische Intellect-factor, maar met een sterker accent op intellectuele vermogens en talenten, en minder op creativiteit en originaliteit. Toen de drie Big-Five-structuren naast elkaar werden gelegd, bleek dat in deze drie talen de eerste drie factoren (Extraversie, Vriendelijkheid en Zorgvuldigheid) als gelijk kunnen worden beschouwd, dat de vierde factor (Emotionele Stabiliteit) als nagenoeg gelijk kan worden beschouwd, en dat de vijfde factor (Intellect) niet als gelijk kan worden beschouwd. Dit betekent dat de Big-Five-factoren niet per se de meest optimale samenvatting van persoonlijkheid geven in Nederland en Duitsland, hoewel de eerste vier factoren wel redelijk tot goed vergelijkbaar zijn.
Na deze vergelijking in drie Germaanse talen, waar de Big Five niet geheel ongeschonden uitkwam, kan men zich afvragen hoe het is gesteld met factoren van eigenschappen in andere talen (bijvoorbeeld Slavische of Romaanse talen). Psycholexicale onderzoeken in het Pools, Kroatisch en Tsjechisch vonden grotendeels bevestiging voor de Amerikaans-Engelse Big-Five-structuur, maar vooral het Tsjechische onderzoek week af. Opnieuw was het de vijfde factor die anders was: in dit geval beschreef deze factor vermogens en vaardigheden, in plaats van intellect.
In het Italiaans zijn er twee onafhankelijke psycholexicale onderzoeken uitgevoerd, een in Rome en een in Triëst. Die in Rome bleek een structuur op te leveren die nagenoeg gelijk was aan de Nederlandse, met een wat progressieve en rebelse invulling van de vijfde (Intellect) factor. In het onderzoek uit Triëst waren de eerste vier factoren ongeveer dezelfde als de Amerikaans-Engelse Big-Five-factoren, maar de vijfde factor was weer anders; deze bevatte eigenschappen als betrouwbaar en gevoelig, tegenover onbetrouwbaar en ongevoelig.
Het lijkt erop dat de verschillen tussen de hiervoor genoemde persoonlijkheidsfactoren niet zoveel te maken hebben met verschillen in taalfamilie: Germaans, Slavisch of Romaans. De typisch Nederlandse 'rebelse' factor vijf is bijvoorbeeld ook in het Italiaans te vinden. Het is tijd om de vergelijkingen breder te trek ken en psycholexicale persoonlijkheidsfactoren uit nog weer andere talen bij de vergelijking te betrekken. Dat is mogelijk. Germaans, Slavisch en Romaans behoren alle drie tot de Indo-Germaanse talen. Daartoe behoren bijvoorbeeld ook nog Gricks en Hindi: de eerste is een Europese taal en de tweede een Aziatische taal. In deze beide talen is psycholexicaal onderzoek gedaan. De Griekse vijffactorstructuur kent versies van vier factoren van de Big Five, maar de meest opvallende afwijkende factor is een factor genaamd Negatieve Valentie (gekenmerkt door termen als barbaars, corrupt, pervers en onaangenaam). De factoren die worden gevonden in het Hindi lijken echter amper op de Big-Five-factoren. De drie eerste en sterkste factoren in het Hindi hebben alle drie kenmerken van een oud filosofisch-psychologisch systeem in India, de Triguna, bestaande uit de factoren Sattvic (onpartijdig, competent, begrijpend, deugdzaam), Tamasic (rusteloos, arrogant, egoïstisch, intolerant) en Rajasic (hypocriet, bedrieglijk, bemoeial, ongevoelig, wreed). Gezien deze grote verschillen tussen de factoren die zijn gevonden in het Hindi en de originele Amerikaanse Big Five lijkt het erop dat het verschil met die Amerikaanse Big-Five-factoren steeds groter wordt naarmate de geografische en culturele afstand toeneemt.
Om de laatste suggestie verder te onderzoeken hebben we nog de beschikking over psycholexicale onderzoeken in het Hongaars, Turks, Filipijns, Koreaans en Chinees. Het Hongaars, met een oorsprong in de Oeral, is een geïsoleerde taal te midden van Germaanse en Slavische talen. Het behoort tot de zogenoemde Fins-Oegrische taalfamilie, waartoe ook het Fins, het Laps en het Ests behoren. De vijffactorstructuur in het Hongaars heeft duidelijk vier van de Big-Five-factoren, maar Intellect heeft plaatsgemaakt voor Integriteit (waarheidlievend, rechtvaardig, discreet tegenover verwaand, hypocriet, hebzuchtig).
In een structuur met zes factoren was Intellect overigens ook weer van de partij. De factoren die worden gevonden in het Turks vormen opnieuw een redelijk goede bevestiging van het Big-Five-model. Toch is het weer de vijfde factor die weliswaar Intellect-kenmerken heeft, maar ook het onderscheid modern, progressief tegenover traditioneel draagt. Turkije is een land met een overwegend islamitisch cultureel erfgoed, maar het is ook westers, wat misschien het bijzondere karakter van de Turkse factor vijf verklaart. Overigens was een soortgelijk onderscheid 'progressief tegenover conservatief' ook al waargenomen in het Nederlands en het Italiaans.
Met het analyseren van de Koreaanse, Filipijnse en Chinese structuren bevinden we ons op grote afstand van Europa (namelijk in Oost-Azië). Van de Koreaanse vijffactorstructuur zijn de eerste twee factoren duidelijk te identificeren als Extraversie en Vriendelijkheid. Zorgvuldigheid kent een sterke nadruk op betrouwbaarheid, Emotionele Stabiliteit is gekleurd door de tegenstelling masculien-feminien (mannelijk-vrouwelijk) en de Intellect-factor heeft ook kenmerken van Zorgvuldigheid. De Big-Five-factoren zijn weliswaar herkenbaar in het Koreaans, maar de afwijkingen zijn eveneens zeer zichtbaar.
De Filipijnse vijffactorstructuur is weer anders. Vier van de vijf factoren lijken op de Big Five, maar dan wel met verschillen. Extraversie staat bijvoorbeeld tegenover Beheersing (beheersing heeft in de Amerikaans-Engelse Big Five te maken met Zorgvuldigheid en niet met Extraversie) en de nadruk bij Vriendelijkheid ligt op zorg voor anderen tegenover egoïsme. De factoren Zorgvuldigheid en Intellect werden in het Filipijnse psycholexicale onderzoek niet gevonden.
Een eerste studie in het Chinees ten slotte vormde niet meer dan een gedeeltelijke bevestiging van de Amerikaans-Engelse Big-Five-factoren. Opvallend was vooral de afwezigheid van een duidelijke Extraversie-factor, terwijl Extraversie toch vaak behoort tot een van de eerste factoren die wordt gevonden in psycholexicale onderzoeken. In een tweede studie in het Chinees waren Extraversie en een versie van Vriendelijkheid en Zorgvuldigheid van de partij, evenals een factor genaamd Negatieve Valentie (waarin woorden zitten als beestachtig, inhumaan, wreed, obsceen) en een vijfde factor die leek op een versie van Intellect. Dit laatste was alleen het geval wanneer gebruik werd gemaakt van zelfbeoordelingen (mensen vullen de vragen over zichzelf in). Wanneer naar beoordelingen van andere personen werd gekeken, beschreef de vijfde factor zoiets als Emotionele Wispelturigheid.
Concluderend kan worden gesteld dat de Big-Five-factoren niet noodzakelijkerwijs in alle talen en culturen worden teruggevonden. Met name de vijfde factor uit het Big-Five-model laat het vaak afweten. Het lijkt er daarom op dat de Big-Five-factoren niet geheel universeel zijn. In de literatuur worden ook enkele alternatieve modellen voorgesteld, die eveneens op psycholexicaal onderzoek zijn gebaseerd. De belangrijkste daarvan worden hierna besproken.
3.4.2 De Big Seven
Er is een aantal psycholexicale onderzoeken gedaan volgens de zogeheten Tellegen-Waller-methode, namelijk in het Engels, het Hebreeuws en het Spaans. Er zijn enkele verschillen tussen de gangbare manier van psycholexicaal onderzoek doen en deze methode. Aan de ene kant is de methode van selectie van woorden die persoonlijkheid beschrijven wat ruimer. Echte evaluatieve woorden (bijvoorbeeld goed en slecht) worden in psycholexicaal onderzoek doorgaans buiten beschouwing gelaten. In deze methode echter niet. Aan de andere kant is deze methode juist beperkend: in plaats van alle geschikte woorden uit een woordenboek te selecteren, wordt alleen van elke vierde pagina uit het woordenboek het eerste bruikbare woord geselecteerd.
Daardoor kun je bepaalde eigenschappen gewoon missen, wat tegen de geest is van het lexicaal-taxonomisch denken. Wat eventueel gemist wordt, kan bovendien weer verschillend zijn voor de diverse talen en zelfs verschillen per woordenboek (in dezelfde taal).
Het volgen van de Tellegen-Waller-methode heeft duidelijke effecten op de factoren die worden gevonden. Tellegen en Waller rapporteerden zeven factoren: vijf factoren die min of meer overeenkwamen met de Big-Five-factoren, maar ook nog een tweetal evaluatiefactoren, namelijk Positieve Valentie (gekenmerkt door eigenschappen als uitstekend tegenover gewoon en alledaags) en Negatieve Valentie (gekenmerkt door eigenschappen als slecht tegenover fatsoenlijk). Almagor en collega's publiceerden eveneens een zevenfactorstructuur in het Hebreeuws, met enkele aan de Big Five gerelateerde factoren (waarvan twee verschillende Extraversie-factoren) en een duidelijke Negatieve-Valentie-factor (gekenmerkt door eigenschappen als jaloers, corrupt, duivels tegenover eerlijk en betrouwbaar). Ten slotte rapporteerden ze een als zodanig benoemde Positieve-Valentie-factor, maar deze had ook duidelijke Intellect-kenmerken door eigenschappen als gearticuleerd, origineel en wijs.
De Spaanse structuur ten slotte gaf duidelijke Positieve-Valentie- en Negatieve-Valentie-factoren, een factor met aanwijsbare Extraversie-elementen, een factor die Vurigheid en Intensiteit beschrijft (wat kan worden beschreven als een soort temperamentfactor), een factor die enigszins lijkt op Zorgvuldigheid, een Vriendelijkheid-factor en een factor met kenmerken van Intellect.
Church, Katigbak en Reyes hebben het Big-Seven-model onderzocht in het Filipijns, overigens zonder de inperkende procedure van het steekproef trekken van bladzijden. Er werden redelijk duidelijke factoren Extraversie, Vriendelijkheid en Zorgvuldigheid gevonden, een tweetal factoren die een mix vormen van Big-Five-factoren maar die beide gerelateerd zijn aan Emotionele Stabiliteit of Neuroticisme, een factor Intellect of Openstaan voor Ervaringen, en een factor Negatieve Valentie. Bij elkaar was dit een gedeeltelijke bevestiging van het Big-Seven-model.
Church, Katigbak en Reyes (1998) hebben het Big-Seven-model onderzocht in het Filipijns, overigens zonder de inperkende procedure van het steekproef trekken van bladzijden. Er werden redelijk duidelijke factoren Extraversie, Vriendelijkheid en Zorgvuldigheid gevonden, een tweetal factoren die een mix vormen van Big-Five-factoren maar die beide gerelateerd zijn aan Emotionele Stabiliteit of Neuroticisme, een factor Intellect of Openstaan voor Ervaringen, en een factor Negatieve Valentie. Bij elkaar was dit een gedeeltelijke bevestiging van het Big-Seven-model.
Als het gaat om de Big-Five-factoren, zijn er terugkerende factoren in verschillende culturen (vooral Extraversie, Vriendelijkheid en Zorgvuldigheid komen vaak voor), maar worden vooral verschillen gevonden voor de vierde en de vijfde factor, die groter worden naarmate de talen of culturen van een bepaalde structuur verder weg liggen van het Westen (Europa/Amerika). In het geval van het Big-Seven-model worden die verschillen niet kleiner, integendeel. Verder zijn versies van de Big Five tot op zekere hoogte identificeerbaar in dit Big-Seven-model. Negatieve Valentie lijkt inderdaad een terugkerende factor in het zevenfactorenmodel. Positieve Valentie vertoont een minder stabiel patroon, en deze factor lijkt soms ook vermengd met Intellect-eigenschappen.
3.4.3 De Big Six
We zijn soepel overgestapt van het Big-Five-model naar het Big-Seven-model, maar er is ook een Big-Six-model. Het Big-Seven-model is gebaseerd op een iets andere methode van het uitvoeren van psycholexicaal onderzoek. Dat geldt echter niet voor het Big-Six-model. De meeste psycholexicale onderzoeken gingen uit van de mogelijkheid van het vinden van de factoren uit het Big-Five-model: de 'Norman-5-factoren' vormden de hypothese en de eerste psycholexicale onderzoeken die na Norman werden uitgevoerd hadden dat model in gedachten. Zodra de eerste vijf factoren een bevestiging vormden van de Norman-5, was het een geslaagd project, zo was de algemene opvatting.
In het Hongaars bijvoorbeeld werden vijf factoren gevonden, met Integriteit als vijfde factor in plaats van Intellect. Dit werd enigszins teleurstellend gevonden en toegeschreven aan het sociaal-politieke klimaat in Hongarije. Niet lang daarna werd echter een factor met ongeveer dezelfde betekenis als de Hongaarse Integriteit-factor gevonden in het Italiaans, in het Koreaans en in het Frans. Dit was voldoende reden voor Ashton en collega's om een aantal bestaande datasets (uit al eerder uitgevoerde psycholexicale onderzoeken) systematisch te onderzoeken op de aanwezigheid van een extra factor in aanvulling op de Big-Five-factoren. De zesfactorstructuren werden onderzocht in het Nederlands, Frans, Duits, Hongaars, Italiaans, Koreaans en Pools. Conclusie: bij nader inzien kon in deze acht taxonomieën, gebaseerd op zeven talen, naast de Big-Five-factoren nog een aanvullende factor worden gevonden, genaamd Eerlijkheid-Bescheidenheid (Honesty-Humility).
Dit had wel consequenties. Doordat de persoonlijkheidsbeschrijvende termen in de betreffende onderzoeken nu werden verdeeld over zes in plaats van vijf factoren, werd deels ook de informatie van de eerder gevonden vijf factoren wat anders verdeeld: bepaalde termen werden verschoven van de ene naar de andere factor. Extraversie, Zorgvuldigheid en Intellect bleven wat betreft betekenis gelijk, maar Vriendelijkheid verloor termen die te maken hadden met Eerlijkheid-Bescheidenheid aan de nieuwe factor. Hierdoor werd de betekenis van de factor Vriendelijkheid ingeperkt (vriendelijk-geduldig tegenover ruzieachtig, koppig). De factor Emotionele Stabiliteit verloor juist termen die te maken hebben met Humeurigheid aan de nieuwe Vriendelijkheid-factor. In het algemeen zul je met meer factoren wat minder persoonlijkheidsbeschrijvende termen per factor overhouden. De factoren worden daarmee mogelijk wat smaller wat betreft betekenis. Een vraag bij dit alles is dan ook of het zin heeft om zulke verdere onderscheidingen te maken en ook of de zesfactorstructuur wel houdbaar is in verschillende talen en culturen. Voor de Big Five was dat al moeilijk genoeg of zelfs niet (helemaal) mogelijk, dus waarom zou dat voor de Big Six wel mogelijk zijn?
3.4.4 Gebruik van alle taal- en cultuurgerelateerde aspecten om persoonlijkheid te beschrijven
Om een bepaald persoonlijkheidsmodel te ontwikkelen is het veilig om binnen de grenzen van een taalgebied of cultuurgebied te blijven. Zodra we met een eenmaal ontwikkeld model de grens overgaan en op grotere afstand komen van het gebied van ontwikkeling, lijken de complicaties toe te nemen. Hoewel er verrassend grote overeenkomsten zijn gevonden in psycholexicale onderzoeken in verschillende talen en culturen wat betreft de Big-Five-factoren, zijn er ook duidelijke verschillen. In het Hindi lijkt er een sterke cultuurhistorische invloed te zijn op de gevonden persoonlijkheidsfactoren. In het Filipijns is er mogelijk een invloed van de - vergeleken met westerse landen - meer collectivistische oriëntatie, waardoor er meer nuances bestaan in het beschrijven van groepsgerelateerde eigenschappen. Maar ook verschil in visie omtrent wat wel en wat niet als een eigenschap dient te worden beschouwd, heeft invloed op de uiteindelijke structuur (zie de Big Seven, zoals hiervoor besproken). Bovendien is het soms mogelijk om meer dan vijf factoren te onderscheiden, die dan ook nog eens in meerdere talen te identificeren zijn (Big Six).
Ook het gebruik van bepaalde woordsoorten kan een effect hebben op de factoren die worden gevonden in psycholexicaal onderzoek. In de psycholexicale onderzoeken die tot nu zijn besproken, werden steeds adjectieven gebruikt (bijvoeglijke naamwoorden: woorden die iets zeggen over objecten en personen, zoals groot of eigenwijs). De reden hiervoor is dat enerzijds dergelijke adjectieven worden gezien als woorden die bij uitstek geschikt zijn om de persoonlijkheid te beschrijven en anderzijds dat het praktisch is om je te beperken tot uitsluitend adjectieven (dat zijn er al heel veel). Maar zou je ook niet andere woordsoorten kunnen gebruiken om iets over de persoonlijkheid te zeggen?
Zelfstandige naamwoorden liggen voor de hand. Die zijn in het verleden inderdaad gebruikt: denk aan karakterbeschrijvingen weergegeven door zelfstandige naamwoorden, zoals moed, dapperheid, klaploper of agressieveling. Vaak hebben zelfstandige naamwoorden en adjectieven dezelfde kern (zoals moedig/ moed, dapper/dapperheid, agressief/agressieveling) en dan voegt het gebruik van zelfstandige naamwoorden weinig of niets toe. Maar niet elk zelfstandig naamwoord heeft een bijpassend adjectief, zoals bij komediant, flapuit of drentelaar. En zou je ook niet werkwoorden kunnen gebruiken voor de beschrijving van persoonlijkheid (bijvoorbeeld iemand tegenspreken, ergens voor terugdeinzen, voor iemand klaarstaan)? En waarom geen bijwoorden (dat zijn woorden die iets toevoegen aan werkwoorden, zoals in: denigrerend over iemand spreken, handelend optreden, onlogisch redeneren)?
In de volgende paragrafen bespreken we eerst het gebruik van verschillende woordsoorten voor de beschrijving van persoonlijkheid en vervolgens gaan we veel uitvoeriger in op het crossculturele aspect bij het meten van persoonlijkheid. Het is duidelijk dat taalkundig gezien adjectieven eigenschappen van mensen en dingen beschrijven. Het adjectief is dan ook de kernwoordsoort waarmee persoonlijkheidseigenschappen kunnen worden beschreven. Als andere woordsoorten diezelfde rol krijgen, moeten ze ook als zodanig functioneren, ze moeten 'adjectivisch' zijn, de rol van adjectief spelen. Van zelfstandige naamwoorden is dat gemakkelijk in te zien. Als je zegt: 'Hij is een komediant', is 'komediant zijn' een eigenschap die wordt toegekend aan een persoon. Bij werkwoorden, zoals tegenspreken of terugdeinzen, moet wel duidelijk zijn dat het om gedrag gaat dat herhaaldelijk optreedt: iemand die eens een keer voor iets terugdeinst is nog geen 'terugdeinzend persoon'. Dat is alleen zo indien dit vaak gebeurt. Dat geldt ook voor bijwoorden: alleen als iemand vaker dan anderen zich denigrerend over mensen uitlaat, kun je zeggen dat die persoon een 'denigrerend iemand' is.
De Raad, Mulder, Kloosterman en Hofstee hebben als eersten psycholexicaal onderzoek met persoonlijkheidsbeschrijvende werkwoorden uitgevoerd (dus niet met adjectieven). Ook is er al psycholexicaal onderzoek gedaan met uitsluitend zelfstandige naamwoorden. Het gebruik van werkwoorden of zelfstandige naamwoorden blijkt niet zozeer te leiden tot hele nieuwe factoren, maar brengt vooral nieuwe nuances aan met betrekking tot de betekenis van de factoren.
3.4.5 De Big Eight
In een volledig nieuw opgezet psycholexicaal onderzoek in het Nederlands hebben De Raad en Barelds het woordenboek van de Nederlandse taal eens anders benaderd. Uit een elektronisch bestand met in totaal meer dan 124.000 woorden selecteerden ze woorden uit alle woordklassen (dus niet alleen adjectieven). Vervolgens probeerden ze zo min mogelijk beperkingen aan de selectie van termen uit deze lijst op te leggen (evaluatieve termen bijvoorbeeld konden ook worden geselecteerd, net als in de procedure die leidde tot de Big Seven). Uiteindelijk bleven na reductie 2.365 woorden uit het woordenboek over. Hiervan werden korte items gemaakt waarop mensen zichzelf of iemand anders konden beoordelen. Het woord wijsmaken wordt dan bijvoorbeeld: is iemand die mensen graag wat wijsmaakt; vastberaden wordt: is vastberaden; achtergrond wordt: houdt zich graag op de achtergrond; machteloos wordt: voelt zich gauw machteloos. Factoranalyse op de gegevens die bij een grote groep mensen waren verzameld, leidde tot acht interpreteerbare factoren, namelijk:
Deugdzaamheid (vriendelijk, betrouwbaar, oprecht tegenover onsympathiek, onbetrouwbaar, oneerlijk)
Competentie (lost problemen op, vastberaden tegenover vermijdt moeilijkheden)
Extraversie (spontaan, spraakzaam tegenover individualistisch)
Mildheid (bescheiden, geduldig tegenover veeleisend)
Zorgvuldigheid (ijverig, voorzichtig tegenover gemakzuchtig)
Neuroticisme (teder, lichtgeraakt, paniekerig tegenover zeker, beheerst)
Hedonisme (sensatiezoekend, feestbeest tegenover sober, huismus)
Volgzaamheid (maakt veilige keuze, gehoorzaam tegenover creatief, rebel, complex
De Big-Five-factoren zijn gemakkelijk te identificeren in dit achtfactorenmodel. De factoren Extraversie, Zorgvuldigheid en Neuroticisme zijn alle drie aanwezig. Mildheid komt overeen met Vriendelijkheid in de Big Five, en Volgzaamheid lijkt ten dele op (de negatieve kant van) Intellect. Voor een groter deel maken de typische Intellect-eigenschappen uit de Big Five nu deel uit van de factor Competentie, een nieuwe factor, waar ook elementen van Extraversie in zitten. Hedonisme lijkt een volledig nieuwe factor te zijn, die niets met de Big Five te maken heeft de eerste factor. Deugdzaamheid, komt overeen met zowel de eerdergenoemde Negatieve Valentie uit de Big Seven (de negatieve kant) als de eerdergenoemde factor Eerlijkheid-Bescheidenheid uit de Big Six. De tweede factor, Competentie, komt overeen met de eerdergenoemde Positieve Valentie (Big Seven). Bij het beschrijven van die Big Seven is al opgemerkt dat Positieve Valentie duidelijk Intellect-kenmerken heeft, net zoals hier het geval is met de Competentie-factor.
Het lijkt er sterk op dat dit zeer omvattende achtfactorenmodel alle eerdergenoemde modellen in zich bergt, zowel de Big Five, de Big Six als de Big Seven. Bovendien is er nog een nieuwe factor, Hedonisme, gevonden. Deze laatste factor raakt aan een gebied in de persoonlijkheidspsychologie waarover veel gepubliceerd is, namelijk de Sensatiezucht (Sensation Seeking).
3.4.6 Met psycholexicale persoonlijkheidsmodellen de grens over
We hebben hiervoor al melding gemaakt van verschillende persoonlijkheids-modellen in uiteenlopende talen en daarbij opgemerkt dat wanneer de afstand groter wordt tussen de talen, de verschillen lijken toe te nemen. Toch mag het een waar mirakel genoemd worden dat in al die talen onafhankelijk van elkaar toch vaak factoren worden gevonden die enige verwantschap hebben met de Big Five. Daarbij is het wel belangrijk om te beseffen dat dergelijke overeenkomsten voor een belangrijk deel het gevolg zijn van interpretatie. Factoren uit verschillende talen worden al gauw als gelijk geïnterpreteerd indien er een aantal overeenkomstige eigenschappen onder valt. Als je in een factor eigenschappen aantreft die in eerder onderzoek deel uitmaakten van een factor Extraversie, is er een goede kans dat je die factor ook als Extraversie interpreteert. Maar het kan best zijn er dat er toch grote verschillen bestaan tussen die factoren.
Behalve op basis van interpretatie, kun je ook statistisch onderzoeken of factoren in verschillende talen en culturen hetzelfde zijn. Als je dat doet, blijken er minder factoren te zijn die in meerdere talen en culturen hetzelfde zijn. Dergelijk onderzoek is verschillende keren uitgevoerd door onderzoekers uit Groningen. Voor het statistisch vaststellen van overeenkomsten tussen factoren wordt gebruikgemaakt van de zogenoemde congruentie coëfficiënt, die lijkt op de correlatiecoëfficiënt. De waarden die de congruentie coëfficiënt kan aannemen, lopen van 1 tot +1, waarbij een coëfficiënt van 0,90 of hoger doorgaans wordt gezien als bewijs dat twee factoren hetzelfde zijn.
De Raad en collega's onderzochten de overeenkomsten tussen veertien psycholexicale onderzoeken. Daarvoor werden eerst alle gebruikte termen vertaald in het Engels, omdat anders niet duidelijk was welke termen uit al die talen hetzelfde zijn. Vervolgens werd statistisch onderzocht in hoeverre de factoren tussen de verschillende onderzoeken met elkaar overeenkwamen. De veertien gebruikte psycholexicale onderzoeken zijn die in het Engels, Nederlands, Duits, Italiaans, Hongaars, Pools, Tsjechisch, Filipijns, Grieks, Kroatisch, Koreaans en Frans. Gemiddeld waren er 420 persoonlijkheidsbeschrijvende woorden per taal waarvoor gegevens waren verzameld. Vervolgens werden per paar van onderzoeken de factoren vergeleken (bijvoorbeeld de Nederlandse en de Duitse factoren). Dit werd voor alle combinaties van twee onderzoeken gedaan. Bovendien werd dit gedaan voor oplossingen met twee tot en met tien factoren (er werden bijvoorbeeld in het Nederlands vier factoren bepaald en in het Duits ook, en die vier factoren werden dan met elkaar vergeleken; je kunt in een factoranalyse aangeven hoeveel factoren je graag wilt hebben). Gemiddeld genomen bleek telkens dat er drie factoren waren die in vergelijkbare vorm in de verschillende onderzoeken terug te vinden waren. De drie factoren die in alle veertien onderzochte talen en culturen goed te identificeren waren, zijn Affiliatie (Gemeenschap/gezelschap), Dynamiek en Orde. Belangrijke eigenschappen van Dynamiek zijn die van de Big-Five-factor Extraversie, tot die van Affiliatie behoren eigenschappen van de Big-Five-factor Vriendelijkheid, en tot die van Orde behoren eigenschappen van de Big-Five-factor Zorgvuldigheid Het lijkt er dus op dat deze drie factoren, Affiliatie, Dynamiek en Orde, drie echt universele persoonlijkheidsfactoren zijn. Overigens was in verschillende eerdere publicaties al gesuggereerd dat drie factoren met de hiervoor genoemde betekenis de grootste kans maakten om in verschillende talen en culturen te worden gevonden. Deze drie factoren worden hierna verder toegelicht. Opvallend is dat Neuroticisme, een van de meest bestudeerde persoonlijkheidseigenschappen en onderdeel van de meeste persoonlijkheidsmodellen, niet bij deze drie factoren zit. Dit betekent niet dat Neuroticisme geen relevante factor van persoonlijkheid is, maar mogelijk betekent het dat Neuroticisme in verschillende landen op een verschillende manier tot uitdrukking komt.
Het panculturele driefactorenmodel
Dynamiek gaat over het competente individu, en manifesteert zich in gerichte actie, veelzijdigheid, effectieve communicatie en ondernemerschap. De inhoud van deze factor komt terug in eigenschappen als dynamisch, ondernemend, extravert, actief tegenover teruggetrokken, timide, introvert. Dynamiek komen we ook tegen als component van individualisme, liberalisme en zelfactualisatie.
Affiliatie gaat over het gegeven dat men deel uitmaakt van een grotere sociale eenheid of groep en manifesteert zich in het streven naar intimiteit, vereniging en binding binnen dat grotere geheel. De inhoud van deze factor komt tot uiting in eigenschappen als vriendelijk, behulpzaam, sympathiek, vredelievend en mededogend tegenover egoïstisch, ruzieachtig, dominant en agressief. Affiliatie komen we ook tegen als component van collectivisme, socialisme en solidariteit.
Orde gaat over het helder krijgen van geest en omgeving, en manifesteert zich in het streven naar orde, stabiliteit, regulering en precisie.
De inhoud van deze factor komt tot uiting in eigenschappen als grondig, gestructureerd, consistent, georganiseerd tegenover onsystematisch, rebels, lui, onlogisch en chaotisch. Orde komen we tegen in veel aspecten van het dagelijks leven. Mensen neigen ertoe orde te zien dan wel aan te brengen in hun ideeën, doelen en waarden.
Het panculturele (tweefactorenmodel)
Als je nu in plaats van drie factoren in elke taal twee factoren neemt, blijken die ook in alle talen en culturen (tenminste in degene die onderzocht zijn) hetzelfde te zijn. De naamgeving van die twee factoren komt dan overeen met de eerste twee van het driefactorenmodel: Dynamiek en Affiliatie. Ook deze twee factoren zijn geen vreemden in de recente geschiedenis van de psychologie Digman onderzocht de onderliggende factoren (zogeheten tweede orde factoren) van de Big-Five-factoren. Hierbij wordt een factoranalyse gedaan op de Big-Five-factoren (in plaats van op alle items). In veertien bestanden met gegevens bleken de factoren Extraversie en Intellect samen te hangen met een tweede ordefactor die ß werd genoemd en op te vatten is als 'persoonlijke groei', en de factoren Vriendelijkheid, Zorgvuldigheid en Emotionele Stabiliteit met een tweede ordefactor die a werd genoemd en op te vatten is als 'socialisatie.
Ook DeYoung en Saucier en collega's vonden steun voor deze twee tweede ordefactoren. Eerder nog was door Bakan het onderscheid gemaakt tussen Agency en Communion, een onderscheid dat grote overeenkomst vertoont met de hiervoor besproken Dynamiek en Affiliatie, en waarvoor bovendien in de sociale psychologische literatuur een grote belangstelling lijkt te bestaan.
3.5 Hiërarchie van structuren
Hiervoor zijn allerlei verschillende modellen en factoren besproken die zijn gebaseerd op psycholexicaal onderzoek. Het meest populaire model is het Big-Five-model en statistisch gezien is er vooral veel steun voor de cross-culturele universaliteit van modellen met twee of drie factoren. Een tot nu toe nog niet besproken aspect van deze modellen is het aspect van hiërarchie. Het Big-Five-model bijvoorbeeld is hiërarchisch omdat het onderscheid maakt tussen de factoren en de daaronder vallende eigenschappen: de factoren zijn van een abstracter niveau dan de eigenschappen.
Hiërarchie van begrippen
Het is gemakkelijk in te zien wat hiërarchie is, wanneer het gaat om concrete voorwerpen. Woorden als appel, peer en banaan zijn te vangen onder de verzamelnaam 'fruit. Het begrip fruit is dan het meer abstracte begrip, waaronder de meer concrete soorten fruit hiërarchisch op een lager niveau te plaatsen zijn. Maar omdat er ook weer verschillende soorten appels en verschillende soorten peren zijn, is verdere specificatie mogelijk.
Op dezelfde manier is een gitaar een soort muziekinstrument, wat ook geldt voor een piano, een klarinet, een fluit, enzovoort. Verdere groeperingen en onderverdelingen zijn mogelijk door bijvoorbeeld snaarinstrumenten en blaasinstrumenten te onderscheiden, en van de snaarinstrumenten bijvoorbeeld de gitaren te verdelen in akoestisch en elektrisch, enzovoort. De manier om vast te stellen of objecten of begrippen hiërarchisch zijn te ordenen is door twee vragen te stellen, namelijk (1) of X een soort Y is, en (2) of Y een soort X is (waarbij bijvoorbeeld X een appel is en Y fruit). Het heeft zin om te zeggen: 'Een appel is een soort fruit', maar het is een beetje raar om te zeggen: 'Fruit is een soort appel.' Op dezelfde manier zou je ook te werk kunnen gaan bij eigenschappen. Spraakzaam is een vorm van extraversie, maar extraversie is niet een vorm van spraakzaamheid.
Eysencks PEN-model
Een persoonlijkheidsmodel dat lang populair is geweest in de persoonlijkheidspsychologie is het PEN-model van Hans Eysenck. Dit is een hiërarchisch persoonlijkheidsmodel dat de persoonlijkheid onderverdeelt in drie 'supereigenschappen', waaronder dan weer andere eigenschappen vallen.
De drie supereigenschappen zijn: Psychoticisme (P), Extraversie (E) en Neuroticisme (N). Het PEN-model veronderstelt dat deze drie eigenschappen erfelijk zijn en gebaseerd zijn op biologische processen. Extraversie is volgens Eysenck bijvoorbeeld gelinkt aan corticale arousal (activatie van het zenuwstelsel), die onder meer gemeten kan worden aan de hand van huidgeleiding, hersengolven of de mate waarin iemand zweet. Volgens Eysencks theorie is het zenuwstelsel van introverten chronisch overprikkeld (hoge activatie) en dat van extraverten chronisch onderprikkeld (lage activatie). Zowel introverten als extraverten zouden een optimaal niveau van prikkeling hebben waarbij ze het beste functioneren. Omdat het zenuwstelsel van introverten al zo overprikkeld is, hebben zij minder behoefte aan externe prikkels, zoals allerlel avontuurlijke activiteiten en andere.
Neuroticisme heeft volgens Eysenck te maken met de activeringsdrempel van het sympathische zenuwstelsel of het limbisch systeem. Dit is het gedeelte van de hersenen dat met de fight-or-flight-respons te maken heeft op het moment dat mensen met gevaar worden geconfronteerd. Neurotische personen hebben een lage activeringsdrempel, waardoor ze snel negatieve emoties ervaren (fight or flight), ook bij relatief kleine stressoren. Met andere woorden: ze zijn snel van slag. Personen die emotioneel stabiel zijn, hebben daarentegen een hoge activeringsdrempel, waardoor ze alleen maar negatieve emoties ervaren als ze met ernstige stressoren worden geconfronteerd. Deze personen zijn met andere woorden stressbestendig.
Volgens Eysenck lag de basis voor Psychoticisme, dat te maken heeft met een verlies van realiteitszin en agressiviteit, in een verhoogd testosteronniveau. Hoe hoger het niveau van testosteron, hoe groter de kans dat mensen agressief zouden zijn en een gebrek aan realiteitszin zouden ervaren. Dat testosteron samenhangt met agressie is vele keren aangetoond in wetenschappelijk onderzoek.
Volgens Eysenck lag de basis voor Psychoticisme, dat te maken heeft met een verlies van realiteitszin en agressiviteit, in een verhoogd testosteronniveau. Hoe hoger het niveau van testosteron, hoe groter de kans dat mensen agressief zouden zijn en een gebrek aan realiteitszin zouden ervaren. Dat testosteron samenhangt met agressie is vele keren aangetoond in wetenschappelijk onderzoek (zie bijvoorbeeld: Platje et al., 2015).
Onder de drie supereigenschappen bevinden zich andere eigenschappen (van een lagere orde), zoals sociabel en assertief (onderdelen van Extraversie). Onder deze eigenschappen vallen weer gewoontegedragingen, zoals vaak met andere mensen bellen (onderdeel van sociabiliteit). Onder die gewoontegedragingen ten slotte vallen weer concrete gedragingen, zoals om tien uur een halfuur met je beste vriend bellen. Zo ontstaat een hiërarchisch model met vier lagen (zie ook afbeelding 3.6).
Toen het Big-Five-model aan populariteit begon te winnen, ontstond een verhitte discussie tussen Eysenck en Big-Five-onderzoekers. Volgens Eysenck is het Big-Five-model een allegaartje van supereigenschappen en lagere-orde-eigenschappen (eigenschappen die in het model van Eysenck lager in de hiërarchie staan). Zo stelt hij dat Vriendelijkheid (Agreeableness) en Zorgvuldigheid/Consciëntieusheid eigenlijk onder de supereigenschap Psychoticisme vallen (mensen die hoog scoren op Psychoticisme, zouden onvriendelijk en niet zorgvuldig/consciëntieus zijn). De eigenschap Intellect uit het Big-Five-model zou volgens Eysenck niet veel meer zijn dan een slechte poging om Intelligentie te meten. De discussie tussen Eysenck en lexicale onderzoekers spitste zich verder in belangrijke mate toe op het feit dat het Big-Five-model atheoretisch is. Volgens Eysenck is het ontbreken van een theoretisch kader een belangrijke tekortkoming van het Big-Five-model (en het daarop lijkende Five-Factor-model). Het PEN-model is daarentegen gebaseerd op theoretische aannamen over de link tussen eigenschappen en biologische processen.
We bespreken hierna ter afsluiting een tweetal (soorten) hiërarchieën, de een meer klassiek en van wat oudere datum, de ander van recentere datum. Van de eerste soort geven we een deel uit het veel geciteerde model van Eysenck, beperkt tot het begrip Extraversie (afbeelding 3.6). Links in de afbeelding staat aangegeven om welk niveau het gaat. In dit model staan specifieke gedragingen onderaan; die op een hoger abstractieniveau zijn gegroepeerd in een soort gewoontegedragingen (habituele reacties). Vermaken van vreemden en lachen tegen mensen komen weer samen in de eigenschap sociabiliteit. Ten slotte staat op het meest abstracte niveau Extraversie, waarin zowel sociabiliteit als impulsiviteit samenkomen.
Een meer recente hiërarchische vormgeving is te vinden in onderzoek waarin factoroplossingen met verschillende aantallen factoren zijn verbonden. Zo is er een structuur met niet meer dan een factor, een structuur met twee factoren, een met drie, met vier, enzovoort. De factoren van boven en onder gelegen oplossingen zijn verbonden door de correlaties tussen die factoren te berekenen. Afbeelding 3.7 geeft een deel van zo’n hiërarchische structuur weer met twee, drie en vijf factoren. De verticale lijnen tussen de factorblokjes representeren hoge correlaties. De hiërarchisch hoogste factoren (Agency en Communion) zijn ook de meest abstracte. Het verschil in naamgeving (Agency, Dynamiek en Extraversie) is ook bedoeld om verschillen in abstractie weer te geven. De factoren in afbeelding 3.7 geven weer hoe de verschillende modellen (met twee, drie of vijf factoren) met elkaar verbonden zijn. Dingen die met Extraversie te maken hebben, komen bijvoorbeeld voor in zowel het model met twee factoren (Agency), het model met drie factoren (Dynamiek) als het model met vijf factoren (Extraversie). Als er geen lijnen staan tussen de lagen in afbeelding 3.7, betekent dit dat die factoren nieuw zijn (dus niet met de bovenliggende factoren te maken hebben).
Gray's biopsychologische persoonlijkheidstheorie
Jeffrey Gray was het niet eens met de verklaring van Eysenck over de systemen in de hersenen die verantwoordelijk zouden zijn voor gedrag. Volgens Eysenck had het Ascending Reticular Activating System (ARAS) in de hersenen te maken met corticale arousal (activatie van het zenuwstelsel; zie verdiepingskader 3.13). Volgens Gray's biopsychologische persoonlijkheidstheorie zijn er twee andere systemen in de hersenen die gedrag van mensen verklaren: het Behavioral Activation System (BAS) en het Behavioral Inhibition System (BIS). Het BIS zorgt ervoor dat mensen zich 'terugtrekken': ze gaan problemen en enge situaties uit de weg. Het BAS daarentegen zorgt ervoor dat mensen juist actief worden en uitdagingen aangaan. BIS en BAS zijn in dat opzicht dus tegengestelde neigingen. Mensen met een reactief BAS zijn gevoelig voor beloning en hebben een zogeheten approach-motivatie (zie ook hoofdstuk 5). Dit betekent dat ze vooral gericht zijn op het aangaan van uitdagingen, op het bereiken van doelen en op ‘doen'. Mensen met een reactief BIS zijn gevoelig voor straf en hebben een zogeheten avoidance-motivatie (zie ook hoofdstuk 5). Ze spelen liever op 'safe' en proberen negatieve ervaringen zo veel mogelijk te vermijden. Dit vertaalt zich volgens de theorie van Gray in de eigenschappen impulsiviteit (voor mensen met een reactief BAS) en angst (voor mensen met een reactief BIS).
Hoewel Gray het niet geheel met Eysenck eens was, zijn er duidelijke overeenkomsten tussen het model van Gray en het model van Eysenck. Deze kunnen goed worden geïllustreerd aan de hand van een zogeheten circumplex. Een circumplex is een methode waarbij twee factoren tegen elkaar worden uitgezet en eigenschappen op de zo ontstane cirkel worden geplaatst (zie afbeelding 3.8). Op die manier is te zien welke onderliggende eigenschappen puur bij een bepaalde persoonlijkheidsfactor horen en welke eigenschappen een combinatie van persoonlijkheidsfactoren zijn. Wanneer de super-eigenschappen E en N uit Eysencks PEN-model in zo'n circumplex worden gezet met de bijbehorende eigenschappen, valt bijvoorbeeld te zien dat somber en gevoelig typisch Neuroticisme-eigenschappen zijn, en stil en passief typisch Introvert-eigenschappen.
Andere eigenschappen zijn meer een combinatie van de twee supereigenschappen, zoals gemoedelijk (combinatie van Extravert en Emotioneel Stabiel). Wanneer nu de twee meest kenmerkende eigenschappen uit het model van Gray worden opgezocht in dit circumplex, blijkt dat angstig*een combinatie is van Neuroticisme en Introversie, en impulsief een combinatie van Extraversie en Neuroticisme. De modellen van Gray en Eysenck lijken daarmee vrij sterk op elkaar (als het om E en N gaat), waarbij op het gebied van eigenschappen het model van Gray feitelijk een rotatie is van het model van Eysenck: de twee assen in het circumplexmodel zijn iets tegen de klok in gedraaid.
3.6 Samenvatting
Er zijn zeer veel persoonlijkheidsbeschrijvende termen die mensen kunnen gebruiken om eigenschappen van zichzelf of anderen te beschrijven. De kunst is om al die betreffende eigenschappen in een overzichtelijk systeem bij elkaar te brengen. Dat maakt het namelijk mogelijk om vragenlijsten te ontwikkelen waarmee de belangrijkste persoonlijkheidseigenschappen van mensen gemeten kunnen worden. Dit kan van belang zijn in bijvoorbeeld het kader van beroeps-keuzeonderzoek, een sollicitatie of een diagnostisch onderzoek dat voorafgaat aan psychologische behandeling (zie verder hoofdstuk 4). In dit hoofdstuk is besproken hoe achterhaald kan worden welke eigenschappen er zoal zijn om mensen te beschrijven, hoe die kunnen worden geordend en hoe dat gebeurt, namelijk middels zogeheten psycholexicaal onderzoek. De lexicale hypothese stelt dat hoe vaker men een eigenschap in het gedrag van mensen aantreft, hoe groter de kans dat die eigenschap een naam krijgt, oftewel dat er een woord voor wordt bedacht. Die woorden komen uiteindelijk terecht in een lexicon (woordenboek). Door persoonlijkheidsbeschrijvende termen uit het lexicon te selecteren, mensen zichzelf of iemand anders daarop te laten beoordelen en vervolgens een factoranalyse uit te voeren op de verzamelde data, kan men bepalen welke overkoepelende persoonlijkheidseigenschappen (factoren) het meest relevant zijn. Op basis van psycholexicaal onderzoek kwam Cattell tot twaalf factoren, waaraan hij er zelf vier toevoegde. Anderen kwamen tot vijf factoren, de zogenoemde Norman-5, die later door Goldberg de Big Five werd genoemd:
Extraversie, Vriendelijkheid, Zorgvuldigheid, Emotionele Stabiliteit en Intellect. Daarnaast zijn er ook onderzoekers die een Big Six, Big Seven en Big Eight hebben gevonden. De Big Five is doorgaans terug te vinden in deze alternatieve modellen. In de praktijk is het Big-Five-model het meest populair en wordt het meest gebruikt als basis voor de constructie van vragenlijsten. De Big-Five-factoren zijn echter niet geheel universeel. Met name de vijfde factor uit het Big-Five-model (Intellect) is niet in alle culturen en talen terug te vinden. Als er gezocht wordt naar dimensies van eigenschappen die wel in nagenoeg elke taal of cultuur voorkomen, lijken dat er drie te zijn: Dynamiek, Affiliatie en Orde. Deze basisstructuur kan per taalgebied, geografische eenheid of continent worden aangevuld met specifieke dimensies. Voor Europa en Amerika zijn dat waarschijnlijk de dimensies Neuroticisme en Intellect, hoewel daarop ook variaties bestaan.
Inleiding – The Five factor Model of personality: consensus and controversy
Er bestaat weinig twijfel over dat het Five-Factor Model (FFM) van persoonlijkheidskenmerken, ook wel de “Big Five” genoemd, momenteel het dominante paradigma is binnen persoonlijkheidsonderzoek en een van de meest invloedrijke modellen in de psychologie als geheel. Digmans overzichtsartikel uit 1990 over dit onderwerp is een van de meest geciteerde artikelen in de geschiedenis van de Annual Review of Psychology geworden, met meer dan 8.500 citaties. De meta-analyse van Barrick en Mount uit 1991 over werkprestaties en het FFM — zelf 11.000 keer geciteerd — bracht persoonlijkheid terug in de hoofdstroom van de arbeids- en organisatiepsychologie. Het FFM heeft geleid tot nieuwe en overtuigende herformuleringen van persoonlijkheidsstoornissen, die invloed hebben gehad op de DSM-V. Crossculturele samenwerkingen hebben de universaliteit van het FFM aangetoond en wijdverbreide misvattingen in stereotypen over nationale karakters blootgelegd. Sociaal psycholoog Harry Reis omschreef het FFM als “de meest wetenschappelijk rigoureuze taxonomie die de gedragswetenschap kent”, en vanwege zijn onderzoek naar het FFM werd Paul Costa door de Division of General Psychology van de American Psychological Association geselecteerd om de Arthur W. Staats Lecture 2004 te geven voor bijdragen aan het verenigen van de psychologie.
Wat zijn onderzoekers uit zoveel verschillende disciplines hierin gaan waarderen? Zoals Digman en Inouye het formuleerden: “Als een groot aantal beoordelingsschalen wordt gebruikt en als de reikwijdte van die schalen zeer breed is, wordt het domein van persoonlijkheidsbeschrijvingen vrijwel volledig verklaard door vijf robuuste factoren.” Met andere woorden: deze vijf factoren bieden een structuur waarin de meeste persoonlijkheidskenmerken kunnen worden ingedeeld. Deze structuur ontstaat doordat kenmerken met elkaar samenhangen. Mensen die bijvoorbeeld sociaal en assertief zijn, zijn vaak ook opgewekt en energiek; zij scoren hoog op de factor Extraversie (E), die wordt gedefinieerd door sociabiliteit, assertiviteit, opgewektheid en energie. Mensen die sociaal en assertief zijn, kunnen echter wel of niet intellectueel nieuwsgierig en fantasierijk zijn. Die laatste kenmerken vormen een afzonderlijke factor: Openheid voor Ervaringen (O). Neuroticisme versus Emotionele Stabiliteit (N), Vriendelijkheid versus Antagonisme (A) en Consciëntieusheid (C) zijn de overige factoren.
Er bestaat brede consensus dat deze vijf factoren noodzakelijk en min of meer voldoende zijn om de samenhang tussen de meeste persoonlijkheidskenmerken te verklaren. Juist deze volledigheid verklaart voor een groot deel het nut van het Five-Factor Model. Onderzoekers die een literatuuronderzoek doen naar verbanden tussen persoonlijkheid en andere kenmerken, merken vaak dat er veel verschillende schalen en instrumenten zijn gebruikt om persoonlijkheid te meten. Door elk daarvan aan een van de vijf factoren toe te wijzen, kunnen de resultaten op een betekenisvolle manier worden gecombineerd. Het FFM biedt daarmee een kader voor systematisch verkennend onderzoek.
Stel bijvoorbeeld dat men de effecten op persoonlijkheid wil onderzoeken van opgroeien in Oost- versus West-Duitsland. Men zou kunnen veronderstellen dat Oost-Duitsers hoger scoren op consciëntieusheid en lager op openheid, en vervolgens alleen meetinstrumenten voor die twee factoren afnemen. Maar als de werkelijke verschillen blijken te liggen in neuroticisme en vriendelijkheid, zou zo’n onderzoeksopzet dat niet aan het licht brengen. Door meetinstrumenten voor het volledige FFM af te nemen, kan men er zekerder van zijn dat belangrijke kenmerken niet over het hoofd worden gezien.
Achtergrond van het Five-Factor Model van persoonlijkheid
De oorsprong van het FFM kan worden teruggevoerd tot Sir Francis Galton en het begin van de trekpsychologie. De details van deze geschiedenis zijn door verschillende auteurs beschreven. Misschien is de interessantste historische vraag waarom het FFM pas aan het einde van de twintigste eeuw breed werd overgenomen. Daarvoor waren meerdere oorzaken.
Het was aanvankelijk niet duidelijk hoe men de volledige lijst van persoonlijkheidstrekken kon vaststellen om te bepalen welke structuur nodig was om ze te ordenen. De oplossing kwam met de invoering van de lexicale hypothese. Deze stelt dat persoonlijkheidstrekken zo belangrijk zijn in menselijke aangelegenheden dat er in de gewone taal woorden voor zijn ontstaan om ze allemaal te benoemen. Een onverkort woordenboek zou daarom een uitputtende lijst van persoonlijkheidstrekken moeten bevatten die vervolgens konden worden geordend tot een basisstructuur. Meerdere generaties onderzoekers volgden deze strategie en dit leidde tot de ontdekking en herontdekking van het FFM.
De grote meerderheid van de persoonlijkheidspsychologen nam de lexicale hypothese echter niet over. Zij waren sceptisch over de vraag of de alledaagse woordenschat een geschikte basis kon vormen voor een wetenschappelijke beschrijving van persoonlijkheidstrekken. Daarom boden en verdedigden zij vaak hun eigen, concurrerende systemen. Eysenck stelde een sterk vereenvoudigd systeem voor met slechts twee factoren, E en N; Jungiaanse psychologen onderzochten vier psychologische voorkeuren; en Block ontwikkelde een set van 100 theoretisch eclectische beschrijvingen voor gebruik in klinisch onderzoek. De discussies tussen rivaliserende stromingen gingen tientallen jaren door. In de jaren tachtig liet een reeks onderzoeken echter zien dat al deze instrumenten variaties op het FFM maten. Zo bleek uit onderzoek dat de voorkeuren Extraversie, Intuïtie, Gevoel en Oordelen van de Myers-Briggs Type Indicator respectievelijk overeenkomen met E, O, A en C.
De onderzoekers die het belang van het FFM ontdekten, Tupes en Christal, waren psychologen bij de Amerikaanse luchtmacht. Zij publiceerden hun werk in een technisch rapport dat in wezen verloren ging voor de wetenschappelijke literatuur, totdat het dertig jaar later werd gepubliceerd. Norman bracht het onder de aandacht van psychologen, maar dat gebeurde op een moment waarop de persoonlijkheidspsychologie een crisisperiode inging. In 1968 publiceerde Mischel een kritiek op de trekpsychologie, waardoor de meeste psychologen concludeerden dat trekken cognitieve ficties waren zonder voorspellende waarde; het FFM was volgens hen slechts een adequate taxonomie van illusies. Langzaam maar zeker maakten verdedigers van trekken aannemelijk dat trekken zowel werkelijk bestaan als belangrijke gevolgen hebben. De heropleving van de trekpsychologie en de opkomst van het FFM gingen hand in hand.
De meeste persoonlijkheidsmetingen bestaan uit zelfrapportagevragenlijsten, waarin respondenten aangeven of, en in welke mate, een reeks uitspraken hen beschrijft. Dit is een zeer bruikbare techniek gebleken, maar zij is beslist niet perfect. Mensen begrijpen de vragen mogelijk niet, of zij begrijpen zichzelf niet goed. Zij kunnen geneigd zijn met vrijwel elke bewering in te stemmen, of juist alleen positieve uitspraken over zichzelf te onderschrijven. Ook kunnen zij zich vervelen tijdens de taak en slordig antwoorden. Sceptici gingen daarom geloven dat zelfrapportages weinig meer waren dan een verzameling fouten en vertekeningen.
Het was daarom een belangrijke vooruitgang toen psychologen aantoonden dat er aanzienlijke — hoewel niet volledige — overeenstemming bestond tussen beschrijvingen uit zelfrapportages en beschrijvingen die werden verkregen wanneer dezelfde vragen werden voorgelegd aan goed geïnformeerde informanten, zoals echtgenoten, huisgenoten en vrienden. In 1987 lieten McCrae en Costa zien dat het FFM kon worden teruggevonden in analyses van beoordelingen door leeftijdsgenoten, evenals in zelfrapportages, en dat er aanzienlijke overeenstemming bestond tussen deze verschillende meetmethoden over de positie van ieder individu op alle vijf factoren.
Het FFM werd vervolgens ook teruggevonden met behulp van Q-sortmethoden, waarbij mensen uitspraken ordenen van meest naar minst kenmerkend, en zelfs in zinsaanvultests, waarin mensen zichzelf beschrijven als antwoord op de vraag: “Wie ben ik?”
Vragenlijsten blijven echter de populairste en best gevalideerde instrumenten om het FFM te meten. De meest gebruikte zijn de NEO-inventarissen, waarvan de 240 items dertig specifieke trekken — of facetten — meten die samen de vijf factoren definiëren. Een korte versie, de NEO Five-Factor Inventory-3 (NEO-FFI-3), meet alleen de vijf factoren. De Big Five Inventory (BFI) is een ander veelgebruikt meetinstrument voor de vijf factoren; De Raad en Perugini hebben een volledig boek geredigeerd dat gewijd is aan alternatieve meetinstrumenten voor het FFM in verschillende talen.
Onderzoeksbevindingen
Gewapend met een veelomvattend model en verschillende gevalideerde meetinstrumenten begonnen persoonlijkheidspsychologen fundamentele vragen te onderzoeken over hoe trekken functioneren. Breed gerepliceerde resultaten hebben geleid tot een kennisbasis die gedurende het grootste deel van de twintigste eeuw moeilijk bereikbaar was. Men nam altijd aan dat trekken duurzame disposities waren; longitudinaal onderzoek liet zien dat individuele verschillen in alle vijf factoren inderdaad opmerkelijk stabiel zijn. Tegelijkertijd zijn er geleidelijke veranderingen in de gemiddelde niveaus van trekken. Zowel crosssectionele als longitudinale studies suggereren dat mensen tussen de adolescentie en de ouderdom over het algemeen dalen in N en E en stijgen in A en C. O neemt toe tot ergens in de twintiger jaren, waarna het langzaam afneemt.
Onderzoek naar het FFM heeft consistente patronen in sekseverschillen laten zien. Deze verschillen zijn over het algemeen klein, met een aanzienlijke overlap tussen de verdeling van trekken bij mannen en vrouwen. In de meeste steekproeven scoren vrouwen echter hoger op N en A dan mannen. Op het niveau van specifieke facetten zijn er soms verschillen binnen een domein. Zo zijn zowel warmte als assertiviteit facetten van E, maar vrouwen scoren doorgaans hoger op warmte en mannen op assertiviteit. Ook staan vrouwen gemiddeld meer open voor esthetische ervaringen, terwijl mannen gemiddeld meer openstaan voor ideeën.
In de afgelopen twintig jaar zijn onderzoekers over de hele wereld begonnen met het vertalen van instrumenten zoals de Revised NEO Personality Inventory (NEO-PI-R) en de BFI, en hebben zij deze afgenomen bij respondenten in tientallen landen. De resultaten kunnen eenvoudig worden samengevat: persoonlijkheid is overal grotendeels hetzelfde. De structuur van het FFM zelf is universeel. McCrae en collega’s rapporteerden een vrijwel perfecte replicatie van de Amerikaanse NEO-PI-R-structuur op basis van zelfrapportage door volwassenen, met behulp van 11.985 beoordelingen door observatoren van studenten en volwassenen uit vijftig culturen. Dezelfde studie repliceerde het Amerikaanse patroon van leeftijdsverschillen, hoewel de leeftijdseffecten voor N en A veel kleiner waren in de internationale steekproef. Zoals figuur 9.1 laat zien, repliceerde die studie ook de sekseverschillen die werden gevonden in zelfrapportages van Amerikaanse mannen en vrouwen (r = .82, p < .001).
Ondanks de uitdagingen bij het adequaat vertalen van vragenlijsten hebben crossculturele studies ook aangetoond dat veel fundamentele psychometrische eigenschappen behouden blijven over landen en talen heen. Als men de dertig facetschalen van de NEO-inventarissen rangschikt van meest naar minst intern consistent, worden wereldwijd zeer vergelijkbare volgordes gevonden. Hetzelfde geldt voor hertestbetrouwbaarheid en longitudinale stabiliteit.
Dergelijke bevindingen zouden psychologen en antropologen die in de eerste helft van de twintigste eeuw persoonlijkheid en cultuur bestudeerden, hebben verbaasd. Zij geloofden dat persoonlijkheid een culturele constructie was die waarschijnlijk net zo sterk tussen culturen zou verschillen als voedingspatronen en religieuze overtuigingen. Nog in 1996 schreef Juni dat “verschillende culturen en verschillende talen zouden moeten leiden tot andere modellen die waarschijnlijk niet uit vijf factoren bestaan en waarvan de factoren waarschijnlijk niet lijken op die welke zijn afgeleid uit het taalkundige en sociale netwerk van Amerikaanse middenklassers.” Crosscultureel onderzoek naar het FFM heeft geleid tot een omslag in het denken over deze kwestie.
Er is een plausibele verklaring voor deze universaliteit: het FFM is sterk geworteld in de biologie. Elk van de vijf factoren is erfelijk, en de facetten die het meest erfelijk zijn in Canada en Duitsland blijken doorgaans ook het meest erfelijk te zijn in Italië en Japan. Tweelingstudies en studies onder familieleden laten zien dat de vijf-factorstructuur van de geobserveerde trekken de structuur van hun onderliggende genen weerspiegelt. Blijkbaar zijn warmte en assertiviteit beide bepalend voor E, omdat zij deels door dezelfde genen worden beïnvloed. We weten dat de mensheid één soort vormt, dus de universaliteit van het FFM is waarschijnlijk een weerspiegeling van het feit dat variaties op dezelfde trekgerelateerde genen wereldwijd bij Homo sapiens voorkomen.
Er bestaat inmiddels consensus dat de algemene persoonlijkheidsdimensie N samenhangt met de meeste persoonlijkheidsstoornissen, dat E mensen vatbaar maakt voor geluk, dat O sociaal en politiek liberalisme voorspelt, dat een lage A een risicofactor is voor middelenmisbruik, en dat C samenhangt met goede werkprestaties. Het nut van het FFM is daarmee overtuigend aangetoond.
Structurele kwesties
Juist omdat het FFM zo’n prominente rol speelt in de hedendaagse psychologie, is het doelwit geworden van talrijke kritieken. Dat is gezond; wetenschap gaat vooruit door gevestigde opvattingen voortdurend ter discussie te stellen. Soms dwingen zulke uitdagingen tot een verandering in denken, zoals toen Costa en McCrae overstapten van hun drie-factorenmodel naar het FFM. Op andere momenten leiden ze juist tot sterker bewijs voor de ideeën die ter discussie staan. Uiteindelijk heeft het onderzoek naar trekken geprofiteerd van Mischels kritiek, omdat onderzoekers betere en overtuigendere studies moesten ontwerpen om aan te tonen wat zij dachten te weten over persoonlijkheidstrekken.
Bezwaren tegen het FFM nemen twee verschillende vormen aan. De eerste vorm is een kritiek op trektheorieën zelf vanuit andere perspectieven binnen de persoonlijkheidspsychologie. Netwerk- en functionalistische theoretici hebben betoogd dat trekken geen onderliggende oorzaken van gedrag zijn, maar slechts epifenomenen die voortkomen uit zich ontwikkelende gedragspatronen. Voorstanders van een persoonsgerichte benadering stellen dat typen de werking van psychologische processen getrouwer weergeven dan variabelgerichte trekken. Sociaal-cognitieve theoretici hebben betoogd dat trekken gedrag slechts beschrijven, zonder het te verklaren. Andere persoonlijkheidstheoretici hebben erop gewezen dat, zelfs als het FFM een volledig adequaat model van persoonlijkheidstrekken is, het FFM op zichzelf geen volledige persoonlijkheidstheorie vormt. Een volledige theorie zou ook menselijke ontwikkeling, dagelijks functioneren en sociale interacties binnen een culturele context moeten verklaren. Dat punt is terecht, en McCrae en Costa hebben een veel breder perspectief op persoonlijkheid geboden in de vorm van de Five-Factor Theory.
De andere categorie bezwaren tegen het FFM — die hier uitgebreider wordt besproken — komt van onderzoekers die zich wel verbinden aan trekmodellen en factor analytische methoden, maar die een variatie op of verfijning van het FFM voorstellen. Het FFM is een hiërarchisch model van persoonlijkheidstrekken: elk van de vijf brede factoren wordt gedefinieerd door smallere en specifiekere trekken of facetten. Er bestaan momenteel meningsverschillen onder onderzoekers op het niveau van de vijf factoren, op een niveau boven de vijf factoren en op het niveau van de specifieke facetten. Daarnaast zijn er nieuwe redenen om te denken dat zelfs trekken die smaller zijn dan facetten — nuances — deel uitmaken van de trekhiërarchie.
Alternatieven met drie en zes factoren
De basis van het FFM, en daarmee van de hedendaagse trekpsychologie, is dat vijf factoren zowel noodzakelijk als voldoende zijn om de samenhang tussen specifieke persoonlijkheidstrekken samen te vatten. Sommige onderzoekers hebben echter betoogd dat er meer of juist minder dan vijf factoren nodig zijn. De Raad en Peabody rapporteerden analyses van persoonlijkheidsbeschrijvende bijvoeglijke naamwoorden in Nederlandse, Italiaanse, Tsjechische, Hongaarse en Poolse steekproeven en vonden sterkere ondersteuning voor een drie-factorenmodel bestaande uit E, A en C dan voor het volledige FFM. Omgekeerd rapporteerden Ashton en collega’s lexicale studies in een aantal talen waarin zes repliceerbare factoren naar voren kwamen. Het HEXACO-model van Ashton en Lee (van Honesty-Humility, Emotional Stability versus Neuroticism, Extraversion, Agreeableness, Conscientiousness en Openness) splitst FFM-A in feite op in twee factoren, waarvan de tweede Eerlijkheid-Bescheidenheid wordt genoemd; daarnaast zijn de factoren enigszins gedraaid ten opzichte van hun positie binnen het FFM.
Misschien is het meest problematische kenmerk van deze studies dat zij strikt genomen niet zozeer studies zijn naar persoonlijkheidstrekken, maar naar taal over persoonlijkheidstrekken. Mensen uit twee verschillende culturen kunnen identieke trekken hebben, terwijl een factor die rijk vertegenwoordigd is in de woordenschat van de ene cultuur, ontbreekt in de woordenschat van de andere. McCrae merkte op dat er relatief weinig Engelstalige bijvoeglijke naamwoorden zijn die O weerspiegelen. Er is bijvoorbeeld geen enkel woord dat gevoeligheid voor esthetische ervaringen aanduidt; artistic komt het dichtst in de buurt, maar verwijst eerder naar de maker dan naar de ontvanger van kunst. Toch zijn Engelstaligen zeker in staat om op schoonheid te reageren. Men kan een zwakke vorm van de lexicale hypothese onderschrijven — natuurlijke taal biedt een nuttige leidraad voor de persoonlijkheidsstructuur — zonder een sterke vorm te aanvaarden, namelijk dat de structuur van natuurlijke taal gelijk is aan de structuur van persoonlijkheid.
Lee en Ashton hebben een vragenlijst ontwikkeld om hun zes-factorenmodel te meten: de HEXACO Personality Inventory. Deze is veelvuldig gebruikt, en verschillende studies tonen de waarde aan van de factor Eerlijkheid-Bescheidenheid. Deze trekken zijn ook opgenomen in het FFM, maar op een ander niveau van de hiërarchie: oprechtheid — eerlijkheid — en bescheidenheid — nederigheid — worden beschouwd als facetten van de FFM-factor Vriendelijkheid.
Andere onderzoekers hebben betoogd dat er geheel nieuwe factoren nodig zijn. Cheung en haar collega’s ontwikkelden een vragenlijst gebaseerd op inheemse Chinese persoonlijkheidskenmerken, die later in het Engels werd vertaald. Cheung stelde dat de Chinese Personality Assessment Inventory (CPAI) een nieuwe factor aan het licht bracht, oorspronkelijk Chinese Tradition genoemd, maar later hernoemd tot Interpersonal Relatedness omdat deze factor ook in niet-Chinese steekproeven werd gevonden. In een gezamenlijke factoranalyse met de NEO-FFI werd, wanneer zes factoren werden onderzocht, het FFM aangevuld met een factor die werd gedefinieerd door CPAI-schalen zoals harmonie, relatiegerichtheid, spaarzaamheid, logische oriëntatie, zelforiëntatie, defensiviteit en lage scores op bepaalde andere kenmerken.
Wanneer echter slechts vijf factoren werden geëxtraheerd, werden de elementen van deze factor eenvoudigweg opnieuw verdeeld over de factoren A en C. Het lijkt er dus op dat het FFM ook specifiek Chinese trekken omvat.
Ook spiritualiteit is voorgesteld als zesde factor. De Spiritual Transcendence Scale bevat facetten die gebedsvervulling, universaliteit en verbondenheid meten, en deze drie vormden een afzonderlijke factor in een gezamenlijke analyse met de facetten van de NEO-PI-R. Men kan zich afvragen of spiritualiteit überhaupt tot het domein van persoonlijkheid behoort, of dat het beter kan worden gezien als een houding of praktijk. In dit geval speelt echter nog een andere kwestie. Alle items in deze versie van de Spiritual Transcendence Scale zijn positief geformuleerd, waardoor hun onderlinge samenhang mogelijk wordt opgeblazen door instemmend antwoorden: de neiging om met items akkoord te gaan ongeacht de inhoud.
De facetschalen van de NEO-PI-R zijn gebalanceerd, met ongeveer evenveel positief als negatief geformuleerde items. Daardoor is instemmend antwoorden niet relevant voor hun structuur.
Enig bewijs voor deze hypothese komt uit analyses van een ander instrument, de Temperament and Character Inventory (TCI). De TCI heeft drie schalen die samen een spiritualiteitsfactor definiëren: Zelftranscendentie. Ook deze schalen zijn gevoelig voor instemmend antwoorden, omdat alle items over Zelfvergetelheid en Transpersoonlijke Identificatie, en tien van de dertien items over Spirituele Aanvaarding, positief geformuleerd zijn. Een gezamenlijke factoranalyse van de vijfentwintig TCI-schalen met de vijf NEO-PI-R-factoren leverde duidelijke factoren N, A en C op, een factor die werd gedefinieerd door zowel E als O, en een afzonderlijke factor Zelftranscendentie. Toen instemmend antwoorden echter werd gemeten en statistisch gecontroleerd, verscheen het volledige FFM, waarbij de drie Zelftranscendentie-schalen laadden op de O-factor. Blijkbaar meten zij iets als Openheid voor Spirituele Ervaringen.
In een poging om psychiatrische diagnostiek te verschuiven van een categorisch naar een dimensioneel model, ontwikkelde de commissie voor persoonlijkheidsstoornissen een trekmodel met vijf factoren, bedoeld om pathologische variaties in persoonlijkheid te beschrijven. Vier van de vijf factoren waren duidelijk pathologische tegenhangers van het FFM: Negatieve Affectiviteit [overeenkomend met N], Afstandelijkheid [lage E], Antagonisme [lage A] en Ontremming [lage C]. De vijfde factor, Psychoticisme, was echter niet duidelijk gerelateerd aan Openheid. Dit suggereerde dat deze mogelijk een zesde factor zou kunnen vormen, in ieder geval binnen het domein van psychopathologie. Een fijnmazigere analyse liet echter aanzienlijke overlap zien tussen Psychoticisme — waaronder subschalen als Ongebruikelijke Overtuigingen, Excentriciteit en Perceptuele Disregulatie — en twee facetten van Openheid: Fantasie en Esthetiek. Het FFM lijkt dus ook persoonlijkheidspathologie te omvatten.
Een hogere-ordestructuur
Digman stelde voor dat de vijf factoren niet het hoogste niveau van de persoonlijkheidsstructuur vormen. Op basis van verschillende instrumenten en steekproeven liet hij zien dat de factoren zelf onderling correleerden, en dat een factoranalyse van deze correlaties twee hogere-ordefactoren opleverde: alfa — gedefinieerd door A en C tegenover N — en bèta — gedefinieerd door E en O. Dergelijke factoren zijn ook door verschillende andere onderzoekers gerapporteerd, waardoor er weinig discussie bestaat over hun bestaan. Wat nog onzeker is, is hoe zij moeten worden geïnterpreteerd. Sommige onderzoekers geloven dat zij reële, zij het zeer abstracte, kenmerken zijn van de persoonlijkheidsstructuur, mogelijk zelfs met een genetische basis.
Andere auteurs hebben betoogd dat zij artefacten zijn van evaluatieve vertekening. Zulke vertekeningen komen in twee vormen voor, Positieve en Negatieve Valentie genoemd. McCrae en Costa lieten zien dat Negatieve Valentie samenhangt met N en lage A en C, en dus met lage alfa, terwijl Positieve Valentie samenhangt met E en O, en dus met bèta. Biesanz en West rapporteerden dat de vijf factoren correleerden wanneer zelfrapportages en observatorbeoordelingen afzonderlijk werden onderzocht, maar orthogonaal waren over verschillende observatoren heen. Zo correleerden E en O bijvoorbeeld in zelfrapportages en in observatorbeoordelingen, maar stond zelfgerapporteerde E los van door observatoren beoordeelde O. Zo’n bevinding suggereert dat de hogere-ordefactoren het resultaat zijn van methodevertekeningen. DeYoung claimde echter correlaties zowel binnen als tussen beoordelaars. McCrae, Yamagata en collega’s vergeleken rechtstreeks inhoudelijke en artefactmodellen van de hogere-ordefactoren en vonden dat de artefactverklaring consequent beter was. Als er al werkelijke verbanden tussen de vijf factoren bestaan, dan zijn die zo klein dat ze weinig praktische betekenis hebben.
Sommige onderzoekers hebben ook één enkele hoogste-ordefactor voorgesteld, de zogenoemde Algemene Persoonlijkheidsfactor, maar deze kan eenvoudiger worden geïnterpreteerd als een algemeen evaluatief artefact.
Facetten specificeren
Hoewel scores op de vijf factoren een algemeen beeld geven van hoe iemand is, kan er veel meer worden geleerd door de specifieke trekken te meten die deze factoren definiëren. Zo zijn zowel sociabiliteit als assertiviteit bepalend voor E, omdat beide manieren weerspiegelen waarop mensen met anderen omgaan. Sommige mensen zijn echter sociabel zonder assertief te zijn, terwijl anderen assertief zijn zonder sociabel te zijn. Weten welk patroon van toepassing is, is belangrijk voor clinici en onderzoekers. Het probleem op facetniveau is dat er geen algemeen erkende manier bestaat om de factoren onder te verdelen in samenstellende trekken. Costa en McCrae maakten bijvoorbeeld onderscheid tussen de facetten Warmte en Gezelligheid binnen E, overeenkomstig de onderverdelingen van de behoefte om ergens bij te horen: “voortdurende wederzijdse zorg en betrokkenheid” en “een verlangen naar frequente interacties”. Watson en Clark vonden dit onderscheidt daarentegen onnodig en voegden beide samen tot één trek: sociabiliteit.
De NEO-PI-R heeft dertig facetschalen, zes voor elke factor. Deze werden gekozen om de belangrijkste constructen uit de persoonlijkheidsliteratuur te vertegenwoordigen en tegelijkertijd zo duidelijk mogelijk van elkaar te verschillen. Items om elk facet te meten werden met rationele methoden opgesteld, waarna de beste items werden geselecteerd via itemanalyses en gerichte factoranalyses in een reeks steekproeven.
Het facetsysteem van de NEO-PI-R is bekritiseerd als arbitrair, omdat “het belangrijkste ingrediënt voor een systeem dat een adequate lagere-ordestructuur van de Big Five wil bieden, een empirische basis is voor de selectie van lagere-ordetrekken”, in tegenstelling tot het “theoretische inzicht en de intuïtie” die zijn gebruikt bij de ontwikkeling van de NEO-PI-R. Het zou zeker ideaal zijn om, uitsluitend met empirische middelen, een set lagere-niveautrekken te identificeren die consequent naar voren komt over talen, meetmethoden en itemverzamelingen heen, zoals het FFM dat vaak op een hoger niveau doet. Tot nu toe is dat echter niet gebeurd. Een ambitieuze poging om een empirische basis te bieden voor de facetten binnen C illustreert enkele problemen. De facetten van C die deze onderzoekers identificeerden in een verzameling persoonlijkheidsbeschrijvende bijvoeglijke naamwoorden, leken slechts beperkt op de facetten die zij vonden in een selectie van persoonlijkheidsvragenlijsten. De acht factoren die in bijvoeglijke naamwoorden werden gevonden, omvatten facetten zoals punctualiteit en formaliteit, die niet in vragenlijstschalen werden gevonden; de zes factoren die in vragenlijstschalen werden gevonden, omvatten een deugdfacet dat niet in bijvoeglijke naamwoorden werd gevonden. De empirische strategie lijkt op facetniveau dus geen consistente resultaten op te leveren.
Voorlopig bieden de facetten van de NEO-PI-R echter wel een systeem dat succesvol is gebruikt in veel toepassingen en in tientallen culturen. Onderzoekers hebben de discriminante validiteit, erfelijkheid en ontwikkelingsloop van alle dertig facetten gedocumenteerd, en er zijn geen duidelijke hiaten vastgesteld in de dekking van de reikwijdte van het FFM. Op dit moment bieden de NEO-PI-R-facetten waarschijnlijk de best beschikbare afbakening van het FFM op het eerstvolgende lagere niveau in de trekhiërarchie.
Trekken onder facetten: nuances
Facetschalen bestaan uit items, maar de conceptuele status van afzonderlijke items is onduidelijk geweest. Zijn zij onderling uitwisselbare indicatoren van het facet? Als dat zo is, waarom zou men respondenten dan niet telkens dezelfde vraag stellen om een betrouwbaar antwoord te krijgen? Afgezien van het feit dat respondenten herhalende schaalinhoud waarschijnlijk storend zouden vinden, is deze strategie bekritiseerd omdat zij alleen zou leiden tot wat Cattell “opgeblazen specificiteiten” noemde: de facetschaal zou te smal worden. Voor een trek zoals boze vijandigheid kunnen er verschillende onderscheidbare uitingen zijn: mensen die kenmerkend boos zijn, kunnen wrokkig, prikkelbaar, agressief, gefrustreerd of minachtend zijn. Een brede facetschaal zou al deze verschillende uitingen moeten omvatten.
Een individu kan bij de ene gelegenheid wrokkig en prikkelbaar zijn en bij een andere gelegenheid agressief en minachtend. In dat geval zou het niveau van boze vijandigheid min of meer constant zijn — zoals trekken per definitie zijn — maar de uitingen ervan niet. Daardoor zouden die uitingen zelf niet als trekken kwalificeren. Een alternatief is dat wrok, prikkelbaarheid en de andere uitingen zelf stabiele kenmerken zijn, en dus kwalificeren als trekken op een lager niveau. McCrae noemde zulke trekken-onder-facetten nuances. Empirische analyses van afzonderlijke items ondersteunen deze opvatting volledig. Naast de trek die wordt gemeten door de facetschaal waaraan zij zijn toegewezen, hebben items ook unieke variantie die specifiek is voor het item. Deze specifieke variantie is erfelijk, stabiel over de tijd en wordt door verschillende observatoren gezamenlijk herkend. Nuances zijn zeer smalle trekken.
Nuances kunnen helpen verklaren wat hertestbetrouwbaarheid inhoudt en kunnen mogelijk enkele van de opvallend gedetailleerde overeenkomsten tussen eeneiige tweelingen verklaren. Of zij — dat wil zeggen afzonderlijke items — nuttig zullen blijken voor het voorspellen van uitkomsten of interesses, moet nog blijken.
Biologische basis van persoonlijkheid
Bewijs uit gedragsgenetica, crossculturele studies en vergelijkende studies maakt overduidelijk dat de factoren en facetten van het FFM een biologische basis hebben, maar over de aard daarvan is momenteel relatief weinig bekend. De Five-Factor Theory gaat zelfs zover te stellen dat persoonlijkheidstrekken uitsluitend in de biologie zijn verankerd — hoewel hun uiting wordt gevormd door de psychologische omgeving — maar zij biedt geen aanwijzing welke specifieke neurohormonale of neuroanatomische systemen hierbij betrokken zijn. Deze erkende onwetendheid is in overeenstemming met ons zeer beperkte begrip van hoe de hersenen functioneren, althans voor zover het persoonlijkheid betreft. Honderden tweeling-, familie- en adoptiestudies laten bijvoorbeeld zien dat trekken erfelijk zijn, maar intensieve pogingen om specifieke genen te identificeren die met trekken samenhangen, hebben slechts uiterst bescheiden succes gehad.
Waarschijnlijk zijn de invloedrijkste biologische theorieën over persoonlijkheid afkomstig van Eysenck en Gray. Gray’s Reinforcement Sensitivity Theory stelde dat persoonlijkheidstrekken ontstaan doordat mensen verschillen in hun gevoeligheid voor straffen en beloningen. Hij veronderstelde dat de hersenen twee afzonderlijke systemen bevatten: één voor gedragsremming (BIS) en één voor gedragsactivatie (BAS). Deze kwamen respectievelijk overeen met variaties op Eysencks persoonlijkheidsdimensies N en E. Er zijn schalen ontwikkeld om BIS en BAS te meten, en deze laten voorspelbare verbanden zien met trekmetingen: BIS correleert met N, en vooral met het facet Angst; BAS correleert met E en met het facet Sensatiezucht. De conceptuele verbanden — tussen straf en negatief affect, en tussen beloning en positief affect — worden weerspiegeld in empirische verbanden tussen N en ongelukkigheid en tussen E en geluk. Verfijningen van de Reinforcement Sensitivity Theory hebben geleid tot nieuwe en meer gedifferentieerde meetinstrumenten, maar deze hangen nog steeds vooral samen met aspecten van N en E.
De belangrijkste verdienste van de theorieën van Eysenck en Gray was dat zij manieren boden om persoonlijkheidstheorieën te toetsen binnen de experimentele leerparadigma’s die de psychologie in de twintigste eeuw domineerden. Het probleem is echter dat studies binnen deze traditie “een verwarrende reeks experimentele bevindingen” hebben opgeleverd, die hooguit zeer gemengde ondersteuning bieden. Vanuit het perspectief van het FFM zijn deze theorieën bovendien onvolledig, omdat zij geen aandacht besteden aan de biologische basis van O, A of C.
Beschrijving van culturen met het FFM
Het FFM is een model voor de organisatie van persoonlijkheidskenmerken dat wereldwijd goed toepasbaar is. Daarom is het redelijk om te vragen of het ook gebruikt kan worden om groepen mensen te beschrijven — zelfs hele naties of culturen. Vroege studies suggereren dat het FFM-kader op dit bovenindividuele niveau op minstens drie manieren betekenisvol kan worden toegepast: door het karakteriseren van ethos, nationaal karakter en geaggregeerde persoonlijkheid.
Ethos
Ethos verwijst naar de alomtegenwoordige geest van een cultuur — voor zover zoiets werkelijk bestaat — zoals die tot uiting komt in wetten, gewoonten en instituties. Vergeleken met Europeanen werken Amerikanen lange dagen; het Amerikaanse ethos zou daarom kunnen worden beschreven als hoog op prestatiestreven, een facet van consciëntieusheid. De tradities van uitmuntendheid in literatuur, muziek en ballet suggereren dat openheid voor esthetiek deel uitmaakt van het Russische ethos.
In twee studies vroeg McCrae aan inwoners en andere deskundigen om in te schatten in welke mate de constructen die door de dertig facetten van de NEO-inventarissen worden gemeten, kenmerkend waren voor een bepaalde cultuur. Vijf tot twintig beoordelaars beoordeelden de Amerikaanse cultuur en de Japanse, Duitse, Russische of Chinese cultuur. De beoordelaars waren het over het algemeen eens in hun karakteriseringen, en de resultaten leken aannemelijk: de Chinese cultuur werd gezien als laag in Openheid voor Waarden en hoog in Bescheidenheid; de Duitse cultuur werd gezien als laag in Impulsiviteit en hoog in Competentie. Er zou veel meer data nodig zijn voordat de validiteit of bruikbaarheid van beoordelingen van ethos kan worden vastgesteld.
Nationaal karakter
Nationaal karakter verwijst naar gedeelde overtuigingen over het “typische” lid van een natie: Amerikanen worden bijvoorbeeld als brutaal of onstuimig gezien, Britten als gereserveerd. Om deze nationale stereotypen te beoordelen, vroegen Terracciano en collega’s aan leden van negenenveertig culturen om het typische lid van hun eigen natie te beschrijven. Dit wordt een autostereotype genoemd. Onderzoek heeft laten zien dat autostereotypen lijken op nationale heterostereotypen die worden gehanteerd door leden van andere naties.
De gegevens werden verzameld met een beoordelingsformulier van dertig items dat de dertig trekken van de NEO-inventarissen meet. Analyses van gegevens van bijna 4.000 respondenten lieten zien dat individuen uiteenlopende opvattingen hadden, maar ook een kleine gemeenschappelijke kern van overtuigingen deelden over elke trek. Wanneer beoordelingen van veel beoordelaars werden gemiddeld, bleken deze consensuele nationale stereotypen zeer betrouwbaar, met vergelijkbare persoonlijkheidsprofielen bij beoordelaars van verschillende leeftijden en geslachten. Wanneer de dertig schalen factoranalytisch werden onderzocht, kwamen vijf factoren naar voren die duidelijk leken op N, E, O, A en C. Het FFM lijkt dus niet alleen de structuur van beoordelingen van individuele personen weer te geven, maar ook de structuur van stereotypen over persoonlijkheidstrekken.
Een reeks analyses bracht verschillende invloeden op consensuele nationale stereotypen aan het licht. Via een soort metaforische logica worden mensen die in koudere klimaten wonen gezien als laag in interpersoonlijke warmte; mensen die in rijke landen wonen worden verondersteld ijverig te zijn. Soms zijn stereotypen gebaseerd op contrasteffecten. Amerikanen en Canadezen lijken sterk op elkaar in taal, religie, staatsinrichting en etnische samenstelling, maar worden toch als tegenpolen in persoonlijkheid gezien: in tegenstelling tot Amerikanen worden Canadezen gezien als warm, weinig assertief, meegaand en bescheiden.
Er is ook enig bewijs dat consensuele nationale stereotypen tot op zekere hoogte gebaseerd zijn op ethos. Toen beoordelingen van het Amerikaanse, Duitse, Japanse, Russische en Chinese ethos werden gecorreleerd met de consensuele nationale stereotypen van deze naties over de dertig facetten, werd een matige overeenstemming gevonden (Mdn r = .46). Mogelijk worden nationale stereotypen dus beïnvloed door kennis van de gewoonten, waarden en instituties van een natie.
Geaggregeerde persoonlijkheidstrekken
De interessantste vraag is echter of consensuele nationale stereotypen accuraat zijn, of op zijn minst een kern van waarheid bevatten. Dit lijkt een vrij eenvoudig onderzoeksprobleem: komt het beoordeelde persoonlijkheidsprofiel van de “typische” burger overeen met het gemeten nationale gemiddelde profiel? Daarvoor hoeven in principe alleen, over een breed scala aan culturen heen, nationale stereotypen te worden vergeleken met geaggregeerde — of gemiddelde — persoonlijkheidstrekken.
Zo’n vergelijking veronderstelt echter verschillende voorwaarden. Ten eerste moeten de trekconstructen hetzelfde zijn. Als verschillen in Introversie-Extraversie bijvoorbeeld betekenisloos zouden zijn in collectivistische landen zoals China en Botswana, dan zou vergelijking met deze culturen niet mogelijk zijn. Er is echter ruim bewijs dat de trekken van het FFM in vrijwel elke cultuur worden aangetroffen.
Daarnaast moet er reden zijn om aan te nemen dat scores numeriek vergelijkbaar zijn — een eigenschap die scalaire equivalentie wordt genoemd. Dat wil zeggen: elke score moet in elke cultuur hetzelfde niveau van de trek vertegenwoordigen. Die eis kan problematisch zijn wanneer verschillende vertalingen van een instrument worden gebruikt, of wanneer leden van de ene cultuur anders omgaan met testafname dan leden van een andere cultuur. Zonder scalaire equivalentie kan een schaal prima bruikbaar zijn om twee leden van dezelfde cultuur te vergelijken, maar onbruikbaar zijn voor vergelijkingen tussen culturen.
Hoe stelt men scalaire equivalentie vast? Net als bij constructvaliditeit is het nodig om een patroon van bewijs uit meerdere bronnen te onderzoeken. Eén benadering is het bekijken van intern bewijs: de manier waarop items bijdragen aan een schaal, of facetten aan een factor. Zulke analyses suggereren dat voorzichtigheid geboden is bij het vergelijken van FFM-metingen tussen steekproeven.
Als er echter helemaal geen vergelijkbaarheid van scores zou zijn, dan zouden correlaties op cultuurniveau — waarbij geaggregeerde persoonlijkheidstrekken worden gecorreleerd met andere kenmerken van culturen, zoals bruto binnenlands product of nationale levensverwachting — nooit significant zijn. Toch zijn uit dergelijke analyses veel significante en betekenisvolle resultaten gerapporteerd. Zo hebben landen waarvan burgers gemiddeld hoger scoren op O — en dus xenofieler en onderzoekender zijn — grotere financiële investeringen in het buitenland en een hogere wetenschappelijke output. Hoge geaggregeerde A en O voorspellen progressiever milieubeleid.
Het meest directe bewijs voor de validiteit van geaggregeerde persoonlijkheidsscores — en dus voor de bijna-scalaire equivalentie van de instrumenten — komt uit correlaties tussen geaggregeerde scores zelf over een reeks culturen. Vier studies vergeleken geaggregeerde scores op factorniveau, met gebruik van zowel zelfrapportages als observatorbeoordelingen, steekproeven van adolescenten en volwassenen, en drie verschillende instrumenten. Helaas was het aantal overlappende culturen zeer beperkt, variërend van zestien tot achtentwintig, waardoor de statistische power laag was. Toch waren van de veertig gerapporteerde convergente correlaties negentien — 48 procent — statistisch significant; de gemiddelde correlatie was r = .43. De overeenstemming tussen studies was echter niet gelijk voor alle vijf factoren: N was significant in elke vergelijking, terwijl A nooit significant werd.
Twee van de studies onderzochten ook de overeenstemming voor de dertig facetten van de NEO-inventarissen. Deze vergelijkingen betroffen drie sets steekproeven: zelfrapportages van studenten en volwassenen; observatorbeoordelingen van studenten en volwassenen; en observatorbeoordelingen van adolescenten van twaalf tot achttien jaar op een herziene versie van de NEO-PI-R. Op individueel niveau is overeenstemming tussen observatoren doorgaans hoger voor de langere en betrouwbaardere factorschalen dan voor de korte facetschalen. Men zou dus verwachten dat een kleiner aandeel facetschalen dan factoren significante overeenstemming zou laten zien.
In werkelijkheid bleek het tegenovergestelde. Van de negentig vergelijkingen waren er negenenzestig — 77 procent — significant; de gemiddelde correlatie was r = .48. Van bijzonder belang is dat er goede overeenstemming werd gevonden voor alle zes facetten van A: veertien van de achttien vergelijkingen — 78 procent — waren significant, met een gemiddelde r = .52, ondanks het feit dat er nooit significante overeenstemming was op de A-factor zelf. Het blijft een raadsel waarom geaggregeerde scores blijkbaar meer valide zijn op facetniveau dan op factorniveau. Studies met veel grotere aantallen culturen zullen waarschijnlijk nodig zijn om dit op te lossen. Een duidelijke implicatie is echter dat onderzoekers die de verbanden tussen persoonlijkheidstrekken en kenmerken op landniveau willen begrijpen, zowel facetten als factoren zouden moeten analyseren. Facetscores voor een aantal landen zijn voor onderzoekers opgenomen in het werk van McCrae en Terracciano.
Persoonlijkheidsprofielen op basis van facetscores vormen de basis van een van de meest opvallende aanwijzingen voor de validiteit van geaggregeerde scores: hun geopolitieke samenhang. Figuur 9.2 toont de resultaten van een multidimensionale schaling van de overeenkomst tussen geaggregeerde profielen over de dertig facetschalen van de NEO-inventaris, gebaseerd op observatorbeoordelingen. Culturen die dicht bij elkaar in de figuur staan, hebben vergelijkbare profielen. Opvallend is dat de linkerkant van de figuur — geassocieerd met introversie — bijna uitsluitend Afrikaanse en Aziatische culturen bevat; de rechter, extraverte kant wordt gedomineerd door Engelstalige culturen. Duitsers staan onderaan in de figuur; Fransen en Italianen bovenaan, waar Neuroticisme doorgaans hoog is. Zeer vergelijkbare resultaten zijn recent gerapporteerd in een steekproef van tweeënzestig landen op basis van zelfrapportagedata, behalve dat Duitstalige steekproeven in die analyse in het bovenste deel van de figuur staan. In beide analyses ligt het belangrijkste contrast tussen westerse culturen — rechts — en niet-westerse culturen — links.
Overeenkomsten hangen sterker samen met etniciteit dan met geografische nabijheid: witte Zuid-Afrikanen bevinden zich rechts, zwarte Zuid-Afrikanen links. Evenzo is etniciteit belangrijker dan de taal waarin de test werd afgenomen. Zoals figuur 9.2 laat zien, staan Oegandezen, die de NEO-inventaris in het Engels invulden, dichter bij Burkinabé, die de Franse versie invulden, dan bij Engelsen of Amerikanen.
Definitieve kaarten van persoonlijkheidsprofielen en definitieve landenscores voor onderzoeksgebruik zouden grotere en representatievere steekproeven vereisen uit een zeer brede selectie van culturen. In elke steekproef zouden meerdere FFM-metingen moeten worden verzameld, zowel via zelfrapportage als via observatorbeoordelingen. Zo’n grootschalig project zou sociale wetenschappers een waardevol instrument bieden om persoonlijkheid en cultuur beter te begrijpen.
De onnauwkeurigheid van stereotypen over nationaal karakter
Gezien het patroon van bewijs voor de redelijke validiteit van geaggregeerde persoonlijkheidsscores, kunnen we terugkeren naar de vraag hoe accuraat stereotypen over nationaal karakter zijn. Het resultaat is duidelijk: er is in wezen geen verband tussen deze twee indicatoren van de persoonlijkheid van een natie. In dit geval blijken stereotypen bijna volledig misleidend te zijn. Hoe verschillend Canadezen en Amerikanen ook worden gezien, in werkelijkheid hebben zij zeer vergelijkbare trekprofielen. De Britten worden bijna overal beschouwd als gereserveerd, terwijl zij in werkelijkheid tot de meest extraverte volkeren behoren (zie figuur 9.2). Deze nulbevindingen, hoe contra-intuïtief ook, zijn gerepliceerd in andere studies met verfijndere meetinstrumenten voor nationale stereotypen.
Het feit dat stereotypen over nationaal karakter geen accurate weerspiegelingen zijn van geaggregeerde persoonlijkheid, betekent niet dat zij onbelangrijk zijn. Zulke stereotypen beïnvloeden hoe mensen vreemden waarnemen, hoe etnische groepen worden behandeld en zelfs hoe internationale betrekkingen verlopen. Het begrijpen van stereotypen en hun determinanten blijft daarom een belangrijk vraagstuk voor sociale wetenschappers.
Conclusie
Het FFM is een omvattend hiërarchisch model van persoonlijkheidstrekken dat toepasbaar is op adolescenten en volwassenen over de hele wereld. Het kan worden gemeten via zelfrapportages of observatorbeoordelingen en biedt een karakterisering van het individu die jarenlang haar validiteit behoudt. Het FFM biedt daarnaast een redelijk conceptueel kader voor het begrijpen van het ethos van naties, een psychometrisch verantwoorde manier om de grotendeels onjuiste stereotypen over nationaal karakter te kwantificeren en een nuttig instrument voor onderzoek naar de geaggregeerde persoonlijkheidstrekken van menselijke groepen en de sociale gevolgen daarvan. Mogelijk zal het model ooit net zo nuttig blijken voor de bredere sociale wetenschappen als het al is gebleken binnen de psychologie.