Aardrijkskunde Dinsdag 10/02/2025

Geofactor : Factor die de vorming van het landschap mede bepaalt.
Glaciaal : Koude periode waarin de gemiddelde temperatuur op aarde een paar graden daalt en waarin zich op het land uitgestrekte ijskappen vormen. Heet ook ijstijd.
Gletsjer : Enorme ijsmassa die langzaam naar beneden schuift.
Gletsjerpoort : De plek waar het smeltwater van een gletsjer uit de gletsjer stroomt.
Gletsjerrivier : Rivier die smeltwater van een gletsjer afvoert.
Gletsjertunnel : Tunnel die onder een gletsjer ontstaat als zich daar veel smeltwater verzamelt.
Golf : Rimpel in het water die meestal wordt veroorzaakt door de wind die over het wateroppervlak waait.
Grandmorene : Sediment dat onder het ijs ligt en dat achterblijft als de gletsjer smelt.
Heuvelland : Gebied met een hoogte ligging tussen 200 tot 500 m.
Hoefijzermeer : Meer dat is gevormd door de afsnijding van een meander van een rivier.
Hooggebergte : Gebied met bergen die hoger zijn dan 1500 m.
Horst : Een langs een breukvlak liggend deel van het aardoppervlak dat minder naar beneden is gezakt dan de slenk.
Hydrosfeer : Het water op aarde.
IJstijd : Koude periode waarin de gemiddelde temperatuur op aarde een paar graden daalt en waarin zich op het land uitgestrekte ijskappen vormen. Heet ook glaciaal.
Interglaciaal : Periode tussen twee ijstijden.
Jong gebergte : Gebergte dat ‘pas’ enkele tientallen miljoenen jaar oud is.
Klifkust : Steile kust die is ontstaan doordat de kracht van de zee de onderkant heeft afgebroken en afgeschuurd.
Kustduin : Heuvel die langs de kustlijn is ontstaan doordat de wind zand op een hoop heeft geblazen.
Laagland : Gebied met een hoogte ligging lager dan 200 m.
Landschapskringloop : Het proces van verwering en erosie waardoor een landschap telkens van uiterlijk verandert.
Lengteprofiel : Doorsnede van een rivier van bron tot monding.
Meander : Natuurlijke bocht in een rivier.
Mechanische verwering : Het uiteenvallen van het gesteente waarbij de samenstelling van het gesteente niet verandert.
Middelgebergte : Gebied waar de meeste bergtoppen tussen de 500 en 1500 m hoog zijn.
Middenloop : Deel van de rivier tussen de boven- en de benedenloop in.
Neerslag : Water dat in vaste of vloeibare vorm uit de dampkring (atmosfeer) op aarde neerkomt.
Oud gebergte : Gebergte dat enkele honderden miljoenen jaren oud is.
Plaat : Stuk van de aardkorst. Heet ook schol.
Plooiingsgebergte : Gebergte dat is ontstaan door plooiing van stukken van de aardkorst.
Regiem : Schommelingen in de waterafvoer van een rivier (in de loop van een jaar).
Relief : Hoogteverschillen in het landschap.
Rivier : Natuurlijke waterloop die water afvoert uit een gebied.
Schol : Zie plaat.
Sediment : Meegervoerde zand- en kleideeltjes die bezinken. Heet ook afzettingsmateriaal.
Sedimentatie : Afzetting van materiaal dat is meegenomen door water, wind of ijs.
Sedimentgesteente : Gesteente dat is ontstaan uit materiaal dat is aangevoerd door water, wind of ijs.
Slenk : Een langs een breukvlak omlaag gezakt deel van de aardkorst.
Strandwal : Zandbank die door de branding is opgeworpen en boven zeeniveau ligt.
Stroomgebied : Het gebied dat afwatert op de hoofdrivier van een stroomstelsel.
Stroomstelsel : Rivier met alle zijrivieren en vertakkingen die deel uitmaken van hetzelfde stroomgebied.
U-dal : Dal dat de vorm van een U heeft en is ontstaan door de uitschurende werking van een gletsjer.
V-dal : Dal dat de vorm van een V heeft en is ontstaan door de uitschurende werking van een rivier.
Verhang : Het verval per kilometer.
Verval : Hoogteverschil tussen twee plaatsen aan een rivier.
Verwering : Het uiteenvallen van gesteente onder invloed van weer en plantengroei.
Verweringsmateriaal : Puin dat ontstaat bij verwering.
Waterscheiding : Grens tussen twee stroomgebieden.
Zijmorene : Gletsjerpuin aan de zijkant van een gletsjer.

stroomstelsel: Rivier met alle zijrivieren en vertakkingen die deel uitmaken van hetzelfde stroomgebied.
U-dal: Dal dat de vorm van een U heeft en is ontstaan door de uitschurende werking van een gletsjer.
V-dal: Dal dat de vorm van een V heeft en is ontstaan door de uitschurende werking van een rivier.
verhang: Het verval per kilometer.
verval: Hoogteverschil tussen twee plaatsen aan een rivier.
verwering: Het uiteenvallen van gesteente onder invloed van weer en plantengroei.
verweringsmateriaal: Puin dat ontstaat bij verwering.
waterscheiding: Grens tussen twee stroomgebieden.
zijmorene: Gletsjerpuin aan de zijkant van een gletsjer.