3. CHROMOSOMALE AFWIJKINGEN
VAN GENOTYPE NAAR FENOTYPE
TRISOMIE 21
fenotypische variabilteit is te verklaren o.a. door;
liability threshold model
= fenotype verschijnt pas als de cumulatieve verstoring boven een bepaalde drempel komt
gen dosage effect
= verhoogde genexpressie door extra kopieën van genen (op chromosoom 21) leidt tot mogelijke verstoringen

gen dosage effect
meer genkopieën → meer expressie → mogelijk verstoring van biologische processen
genen op chr. 21 worden in drievoud uitgedrukt bij mensen met Downsyndroom; sommige genen zijn daar gevoelig voor = hun verhoogde expressie leidt tot functionele verstoringen
"3x gene Sensitive" → genen waarvan verhoogde expressie wél effect heeft op het fenotype
"3x gene Non-sensitive" → deze extra kopieën hebben geen merkbare impact
liability threshold model
elke persoon heeft een bepaalde “liability” (aangeboren gevoeligheid of predispositie) voor een fenotype (vb. kenmerken van Downsyndroom)
pas als de totale expressie van risicogenen over een bepaalde drempelwaarde (threshold) gaat, uit zich het fenotype;
elke "case" (1 t/m 6) is een denkbeeldige persoon; rode balkjes tonen hoeveel risicogenen er tot expressie komen
boven de stippellijn → fenotype zichtbaar
eronder → geen of mildere kenmerken
conclusie; niet iedereen met trisomie 21 heeft precies dezelfde kenmerken, het hangt af van:
welke genen overuitgedrukt worden
hoe gevoelig ze zijn
en hoe dat optelt tot de “liability”
HSA21–Non-HSA21 Interacties
genen op chr. 21 beïnvloeden ook genen op andere chromosomen
→ ontstaan secundaire effecten → complexer ziektebeeld
Trisomie 21 kan op verschillende manieren ontstaan;
95% “losse” trisomie 21
in 95% van de gevallen van maternale afkomst
meestal als gevolg van non-disjunctie in meiose I
ouders hebben normaal karyotype
herhalingsrisico < 1%
4% Robertsoniaanse translocatie
chr. 21 is "vastgeplakt" aan een ander chromosoom
(meestal chr. 14 of 21)
ouders kunnen drager zijn → verhoogd herhalingsrisico
1% mozaïcisme
na bevruchting;
postzygotische non-disjunctie
postzygotische anafase lag
(milder) klinisch beeld, want niet alle cellen hebben trisomie 21
opm; incidentie bij de geboorte 1/800
incidentie groter bij de conceptie, want veel embryo’s met trisomie 21 worden vroeg in de zwangerschap spontaan afgebroken
opm; placentaire mozaïcisme
in sommige zwangerschappen wordt trisomie 21 gedetecteerd (door vb. NIPT) in de placenta, maar de foetus zelf heeft een normaal chromosomenpatroon
CRI-DU-CHAT
fenotypische variabilteit is te verklaren o.a. door;
liability threshold model
= fenotype verschijnt als de cumulatieve verstoring onder een bepaalde drempel blijft
gen dosage effect
= verlaagde genexpressie door deletie kopieën van genen (p-arm chromosoom 5) leidt tot mogelijke verstoringen

gen dosage effect
minder genkopieën → minder expressie → mogelijk verstoring van biologische processen
verlies van genkopieën op de korte arm van chromosoom 5 (5p); sommige genen zijn daar gevoelig voor = hun verlaagde expressie leidt tot functionele verstoringen
"3x gene Sensitive" → genen waarvan verlaagde expressie wél effect heeft op het fenotype
"3x gene Non-sensitive" → verlies kopieën hebben geen merkbare impact
liability threshold model
elke persoon heeft een bepaalde “liability” (aangeboren gevoeligheid of predispositie) voor een fenotype (vb. kenmerken van Downsyndroom)
pas als de totale expressie van risicogenen over een bepaalde drempelwaarde (threshold) gaat, uit zich het fenotype;
elke "case" (1 t/m 6) is een denkbeeldige persoon; rode balkjes tonen hoeveel risicogenen er tot expressie komen
onder de stippellijn → fenotype zichtbaar
erboven → geen of mildere kenmerken
conclusie; niet iedereen met cri-du-chat heeft precies dezelfde kenmerken, het hangt af van:
welke genen onderuitgedrukt worden
hoe gevoelig ze zijn
en hoe dat optelt tot de “liability”
Regulatorische elementen en genomische interacties
deleties kunnen ook regulatoire sequenties aantasten → verstoring van genexpressie elders op het genoom
hierdoor ontstaan secundaire effecten → ook genen buiten 5p kunnen meedoen aan het ziektebeeld
genen op 5p kunnen normale genomische interacties verliezen (vb. met enhancers of repressors)
PRENATALE DIAGNOSE
via invasieve methoden;
amniocentesis = vruchtwaterpunctie
nadelen;
kans op miskraam door procedure
kan pas laat (vanaf 16e week) uitgevoerd worden
traag delende cellen
CVS = chorion villi sampling
voordelen;
kan vroeger (vanaf 12e week) uitgevoerd worden
snel delende cellen
nadelen;
risico op miskraam is hoger
enkel placenta wordt bekeken! (placentair mozaïcisme)
via niet-invasieve methoden;
NIPT
test op DNA-fragmenten van de placenta die circuleren in het bloed van de moeder
in de meeste gevallen klopt het NIPT-resultaat goed, omdat de placenta meestal hetzelfde genetisch materiaal heeft als de foetus
in klein deel v/d gevallen (mozaïcisme, monosomieX …) kan NIPT vals positief of vals negatief zijn
extra testen nodig
TYPES CHROMOSOMALE AFWIJKINGEN
voorkomen chromosomale afwijking ligt steeds hoger bij conceptie, veel vormen zijn niet-levensvatbaar → miskraam;
merk op; trisomie 1 en monosomie staan er niet op, want miskraam gebeurt heel vroeg in zwangerschap

NUMERIEKE AFWIJKINGEN
Downsyndroom, Turner, Klinefelter, Jacobs

STRUCTURELE AFWIJKINGEN

GEBALANCEERD
verplaatsing of herschikking van chromosoommateriaal
geen verlies of extra stukjes DNA
risico op problemen wanneer er breuk is bij gendosage gevoelige genen
reciproke
= uitwisseling stukjes DNA tussen twee niet-homologe chromosomen
Robertsoniaanse
= fusie acrocentrische chromosomen bij hun centromeren
45 karyotype; 1 chromosoom bestaat uit 2 chromosomen
korte (p) armen gaan vaak verloren; bevatten nauwelijks genen, enkel ribosomaal coderende genen = rDNA
inversie
paracentrisch
binnen één arm, centromeer niet betrokken
pericentrisch
over beide armen, centromeer wel betrokken
ONGEBALANCEERD
verlies of extra chromosoommateriaal
deletie: stukje chromosoom ontbreekt → genen zijn weg
subtelomerisch
vb. 5p deletie → cri-du-chat
opm; je kan grote deleties hebben zonder gevolgen (er is steeds nog een ander chromosoom als “back-up”) doordat geen dosage-gevoelige genen beïnvloed zijn
duplicatie: stukje is verdubbeld → genen zijn oververtegenwoordigd
ringchromosoom: uiteinden breken af en vormen een ring → verlies van genetisch materiaal
isochromosoom: fout in deling → twee gelijke armen, verlies van andere
AFWIJKINGEN VAN DE GESLACHTSCHROMOSOMEN (GONOSOMEN)
Turner-syndroom (45,X)
Karyotype: 45,X (één X-chromosoom, geen tweede geslachtschromosoom)
Geslacht: Vrouwelijk
Kenmerken:
Kleine gestalte (meestal onder de 1,50 meter)
Onvruchtbaarheid door onderontwikkelde eierstokken
Geen puberteit zonder hormonale behandeling
Halsplooi (extra huidplooi aan de achterkant van de nek)
Hartafwijkingen, zoals een vernauwing van de aorta
Normale intelligentie, maar soms leerproblemen
Frequentie: 1 op 2.500 tot 1 op 5.000 meisjes
Fout kan zowel bij eicellen als zaadcellen liggen
Klinefelter-syndroom (47,XXY)
Karyotype: 47,XXY (extra X-chromosoom bij een man)
Geslacht: Mannelijk
Kenmerken:
Lange gestalte
Kleine testes en lage testosteronproductie
Onvruchtbaarheid
Gynecomastie (ontwikkeling van borstweefsel bij mannen)
Vertraagde spraak- en motorische ontwikkeling in de kindertijd
Verminderde spiermassa
Lichte leer- of gedragsproblemen (minder vaak ernstige cognitieve achterstand)
Frequentie: 1 op 500 tot 1 op 1.000 mannelijke geboorten
Fout kan zowel bij eicellen als zaadcellen liggen

Triple X-syndroom (47,XXX)
Karyotype: 47,XXX (extra X-chromosoom bij een vrouw)
Geslacht: Vrouwelijk
Kenmerken:
Vaak mild of onopvallend — de meeste vrouwen hebben normale intelligentie.
Verhoogde lengte vergeleken met de gemiddelde bevolking
Lichte leerproblemen of taalachterstand kunnen voorkomen
Vruchtbaarheid is meestal normaal
Gedrags- of emotionele problemen komen af en toe voor, maar zijn meestal mild
Frequentie: 1 op 1.000 vrouwelijke geboorten
Fout kan zowel bij eicellen als zaadcellen liggen


Jacob-syndroom (47,XYY)
Karyotype: 47,XYY (extra Y-chromosoom bij een man)
Geslacht: Mannelijk
Kenmerken:
Lange gestalte
Normale seksuele ontwikkeling en vruchtbaarheid
Lichte leerproblemen of gedragsproblemen (bijvoorbeeld moeite met concentratie, impulsiviteit)
Soms sociaal-emotionele problemen (bijv. verhoogde agressie, maar dat is niet altijd het geval)
Normale intelligentie, maar cognitieve vertraging kan voorkomen
Frequentie: 1 op 1.000 tot 1 op 1.200 mannelijke geboorten
Fout kan enkel bij zaadcellen liggen; meestal non-disjunctie meiose II !!!

Mozaïcisme van de geslachtschromosomen
Bij mosaicisme is er meer dan één type karyotype in de cellen van hetzelfde individu. Dit kan bijvoorbeeld betekenen dat sommige cellen 47,XXY zijn (Klinefelter), terwijl andere 46,XY zijn (normale mannelijke karyotype).
Effecten kunnen variëren, afhankelijk van de mate van mosaicisme.
Symptomen kunnen milder zijn dan bij een volledig Klinefelter- of Turner-syndroom.
Samenvatting
Syndroom | Karyotype | Geslacht | Kenmerken | Frequentie |
|---|---|---|---|---|
Turner-syndroom | 45,X | Vrouwelijk | Kleine gestalte, onvruchtbaarheid, geen puberteit zonder hormonen | 1 op 2.500–5.000 |
Klinefelter-syndroom | 47,XXY | Mannelijk | Lange gestalte, gynecomastie, onvruchtbaarheid, leerproblemen | 1 op 500–1.000 |
Triple X-syndroom | 47,XXX | Vrouwelijk | Vaak mild, mogelijk leerproblemen of hogere lengte | 1 op 1.000 |
Jacob-syndroom | 47,XYY | Mannelijk | Lange gestalte, soms leerproblemen of gedragsproblemen | 1 op 1.000 |
Mozaïcisme (XXY/XY) | vb. 47,XXY/46,XY 45,X/46,XX | Vrouwelijk/Mannelijk | Variabele symptomen, afhankelijk van de mate van mosaicisme | Zeer zeldzaam |
MICRODELETIESYNDROMEN
worden vaak veroorzaakt door NAHR = Non-Allelic Homologous Recombination
normaal;
chromosomen wisselen DNA uit op precies dezelfde plek, bij gelijke genen/allelen
bij NAHR;
uitwisseling gebeurt niet op de juiste overeenkomstige plek, maar tussen vergelijkbare stukken DNA die op verschillende plekken zitten
= niet-allelische, maar toch homoloog
vaak low-copy repeats (LCRs)
gevolg;
stukjes gaan verloren (deletie) of worden verdubbeld (duplicatie)
= microdeletie of microduplicatie i/h DNA
Syndroom | Chromosoom | Verlies of winst | NAHR? |
|---|---|---|---|
Cri-du-chat | 5p15.2 | deletie | nee |
Wolf-Hirschhorn | 4p16.3 | deletie | nee |
Kleefstra | 9q34.3 | deletie of puntmutatie | nee |
22q11.2 deletiesyndroom*
| 22q11.2 | deletie | ja |
Williams-Beuren syndroom | 7q11.23 | deletie | ja |
CHARGE | 8q12.2 | deletie of puntmutatie | nee |
Prader-Willi / Angelman | 15q11-q13 | deletie (met imprinting) | ja |
*autosomaal dominant + haploïnsufficiëntie
*veel fenotypische variabiliteit, lang gedacht dat het 3 afzonderlijke aandoeningen waren