Anatomie en Fysiologie van het Dier
Anatomie en Fysiologie van het Dier - Samenvatting
Skeletstructuur van het Paard
Cervicale wervels
Schedel: bestaat uit verschillende beenderen, waaronder:
Maxilla (bovenkaak)
Mandibula (onderkaak)
Jukboog
Oogholte (oogkas)
Wervelkolom: bestaat uit de volgende soorten wervels:
Cervicale wervels
Thoracale (rug) wervels
Lumbale (onderrug) wervels
Sacrale wervels (heiligbeen)
Caudale wervels (staart)
Ledematen:
Scapula (schouderblad)
Humerus (opperarmbeen)
Radius (spaakbeen)
Ulna (ellepijp)
Femur (dijbeen)
Patella (knieschijf)
Fibula (kuitbeen)
Tibia (schenkelbeen)
Tarsus (sprong)
Metatarsus (pijp)
Metacarpus (middenhandsbeenderen)
Phalanges (vingerkootjes)
Richtingsaanduidingen van het Dier
Skelet Richtingsaanduidingen
Craniaal: naar het hoofd toe
Caudaal: naar de staart toe
Dorsaal: richting de rug
Ventraal: richting de buik
Sagittaal: naast de mediaanlijn
Transversaal: dwars door een lichaamsdeel
Mediaal: naar de mediaanlijn toe
Lateraal: van de mediaanlijn weg
Mediaan: door het midden via de rugwervel
Horizontaal: recht door het midden
Richtingen van de Kop
Rostraal: naar de neus toe
Caudaal: naar de oren toe
Dorsaal: bovenkant van de kop
Ventraal: onderkant van de kop
Richtingen van de Poot
Axiaal: midden van de poot
Abaxiaal: zijwaarts van het midden
Proximaal: naar de buik
Distaal: naar de grond
Dorsaal: voorkant van de poot
Palmair: achterkant van de voorpoot
Plantair: achterkant van de achterpoot
Mediaal: binnenzijde van de voet
Lateraal: buitenzijde van de voet
Terminologie
Pariëtaal: naar de lichaamswand toe
Visceraal: naar de ingewanden toe
Internus: inwendig
Externus: uitwendig
Profundus: diep
Superficialis: oppervlakkig
Osteologie
Soorten Beenderen
Lang been
Kort been
Onregelmatig been
Plat been
Sesambeentjes
Kenmerken van Lang Beenderen
Periost:
Beenvlies rondom het been
Bevat beenvormende laag (osteoblasten)
Bij breuk: activatie van het beenmerg
Gewrichtskraakbeen:
Hyalien of glasachtig, erg buigzaam en elastisch
Bestaat uit kraakbeencellen en intercellulaire substanties
Dwarsdoorsnede:
Mergholte
Compact been
Periost
Endost
Spongieus been
Proximale epifyse
Diafyse
Distale epifyse
Beencellen
Osteoblasten: leren beenvormende cellen
Osteocyten: 'oude' osteoblasten, volwassen beencellen
Osteoclast: beenafbrekende cellen
Bloedvaten:
Kanaal van Havers
Tussencelstof:
Osteoid (30%): beenmatrix met voornamelijk collageenvezels, gevormd door osteoblasten
Mineralen (70%): Calcium (Ca) en Fosfor (P)
Groei van Lang Beenderen
Kraakbeenmodel
Beenvorming ter hoogte van diafyse
Mergholte ontstaat
Groeikraakbeenschijf tussen epifysen en diafysen = lengtegroei
Diktegroei
Groeikraakbeenschijven verdwijnen = volgroeid been
Ossificatie
Intramembraneuze Verbening: schedelbeenderen ontstaan uit bindweefsel
Endochondrale Verbening: botweefsel wordt via een kraakbeenmodel gevormd; kraakbeen vervangen door bot
Functies van het Skelet
Steun en vormgeving van het lichaam
Aanhechtingsplaats voor spieren
Bescherming van vitale organen, zoals hersenen en longen
Dynamische opslagplaats voor mineralen (calcium en fosfor) bij behoefte (bijvoorbeeld tijdens lactatie en dracht)
Soorten schedels bij de Hond
Dolichocefaal: lange schedel
Mesocefaal: gemiddelde schedel
Brachycefaal: korte schedel
Wervelkolom
Doornuitsteeksel: spinaaluitsteeksel
Gewrichtsuitsteeksel: voor/rugzijde
Wervelboog
Tussenwervelruimten: bevatten cerebrospinaal vocht
Aantallen Wervels per Diersoort
Hond: 7 cervicale, 13 thoracale, 7 lumbale, 3 sacrale, 18-23 caudale wervels
Kat: 7 cervicale, 13 thoracale, 7 lumbale, 3 sacrale, 20-24 caudale wervels
Paard: 7 cervicale, 13 thoracale, 6 lumbale, 5 sacrale, 15-21 caudale wervels
Rund: 7 cervicale, 13 thoracale, 6 lumbale, 5 sacrale, 18-21 caudale wervels
Schaap: 7 cervicale, 13 thoracale, 6-7 lumbale, 4 sacrale, 16-24 caudale wervels
Geit: 7 cervicale, 13 thoracale, 6 lumbale, 4-5 sacrale, 11-16 caudale wervels
Varken: 7 cervicale, 14-15 thoracale, 6-7 lumbale, 4 sacrale, 20-23 caudale wervels
Eerste Twee Halswervels
Atlas (C1):
Bijna geen wervellichaam
Gewrichtskommen voor achterhoofdsknobbels
Axis (C2):
Dens axis zorgt voor draaibeweging (knikken)
Thoracale Wervels
Gewrichtskommetjes op wervellichaam
Korte dwarsuitsteeksels
Lumbale Wervels
Lange dwarsuitsteeksels
Duidelijke spinaaluitsteeksels
Sacrale en Caudale Wervels
Sacrale wervels vormen één geheel (de sacrum)
Aantal caudale wervels varieert per diersoort
Ribben en Borstbeen
Ware Ribben: rechtstreeks gewricht met borstbeen
Valse Ribben: geen rechtstreeks gewricht met borstbeen
Zwevende Ribben: geen verbinding met borstbeen
Schoudergordel
Schouderblad = scapula
Opperarmbeen = humerus
Spaakbeen = radius
Ellepijp = ulna
Heupbeenderen en Achterste Ledematen
Bekken = pelvis
Dijbeen = femur
Knieschijf = patella
Scheenbeen = tibia
Kuitbeen = fibula
Vergelijking van Diersoorten
Paard: Beweging beperkt tot sagittaal vlak, bijna geen rotatie.
Rund: Beweging in sagittaal vlak, rotatie mogelijk.
Beweeglijkheid van Ledematen
Digitigraad: teenganger
Unguligraad: teentoploper
Plantigraad: zoolganger
Vogels en Anatomie
Minimum lichaamsgewicht = lucht houdende beenderen, zwaartepunt gecentraliseerd
Grote oogkassen voor oriëntatie bij vlucht
Borstbeen sterk ontwikkeld voor aanhechting borstspieren
Conclusie
De anatomie en fysiologie van dieren, zoals gepresenteerd in deze samenvatting, vormen de basis voor verdere studie in biologie en veterinaire wetenschappen.
Het begrijpend aanleren van deze structuren is cruciaal voor dierenverzorging, behandeling en welzijn.