Voorbereiding Examen Kunstgeschiedenis 1: Egypte, Griekenland en Rome
Egypte: Canopen, Scarabeeën en het Dodenrijk
- Canopen en de Mummificatie:
- Definitie: Een canope of canopische vaas is een grafvaas die menselijke stoffelijke overblijfselen bevat.
- Gebruik: Hoewel er ook Etruskische varianten bestaan, verwijst de term meestal naar de Egyptische variant waarin de verwijderde organen van een mummie (lever, maag, longen, darmen) werden bewaard.
- Symboliek: Aanvankelijk toonden de deksels de vier zonen van Horus; later werd vaak de dode zelf afgebeeld.
- De Symboliek van de Scarabee:
- Mythologie: De scarabee werd als een heilig dier beschouwd. Men dacht onterecht dat de kevers spontaan uit mestballen ontstonden (terwijl ze eigenlijk eieren leggen in de mest).
- Hiërogliefen: De scarabee staat voor de drie medeklinkers xpr, vertaald als "ontstaan", "scheppen" of "transformeren".
- Godheid: Verbonden met de god Chepri (god van de opgaande zon). De ronde mestbal die door de kever wordt voortgerold, symboliseert de zon die dagelijks opnieuw wordt geschapen.
- Toetankhamon (1333−1323 v. Chr.):
- Historische context: Opvolger van Echnaton, werd farao op 9-jarige leeftijd en stierf op 19-jarige leeftijd. Hij regeerde onder sterke invloed van de priesterklasse en draaide de religieuze hervormingen van Echnaton terug.
- Archeologisch belang: Hij is de beroemdste farao omdat zijn rotsgraf in de Vallei der Koningen als enige ongeschonden is teruggevonden met alle schatten intact. Het graf was waarschijnlijk niet voor een koning bedoeld, maar overhaast opgeëist na zijn vroege dood.
- Grafgiften: Bevatten het beroemde gouden masker, juwelen, drie binnenste lijkkisten die hemzelf voorstellen, tronen, strijdwagens, wapens en muziekinstrumenten.
- Het Egyptische Dodenboek:
- Inhoud: Een verzameling spreuken op papyrus uit het Nieuwe Rijk en de Late periode om de dode te beschermen en te leiden in het hiernamaals.
- Het Dodenoordeel: Centraal staat het wegen van het hart. De godin Ma’at (gerechtigheid) dient als tegengewicht in de vorm van een veer. Bij een zuiver hart (even zwaar als de veer) mocht de dode naar de onderwereld bij Osiris; bij een te zwaar hart werd men verscheurd door een monster.
Het Late Egypte en de Grieks-Romeinse Periode
- Historisch Verloop:
- Egypte kende buitenlandse overheersingen en een langzame achteruitgang. Na de Perzische controle veroverde Alexander de Grote het land in 332 v. Chr.
- Ptolemaïsche periode (332−30 v. Chr.): Begon onder generaal Ptolemaios en kenmerkt zich door een versmelting van culturen.
- Cleopatra VII Philopater:
- De laatste afstammelinge van Ptolemaios. Zij gebruikte verhoudingen met Julius Caesar en Marcus Antonius om haar macht te vestigen.
- Egypte was strategisch belangrijk als de "graanschuur van Rome".
- Einde: Na de Slag bij Actium werd ze verslagen door Octavianus (Augustus). Ze pleegde zelfmoord in 30 v. Chr., waarna Egypte een Romeinse provincie werd.
- Mummieportretten en Encaustiek:
- Mummificatie bleef populair tot in de 4e eeuw n. Chr.
- Mummieportretten: In de Grieks-Romeinse periode werden portretten op houten plankjes geschilderd en op het gezicht van de mummie geplaatst. De stijl varieert van gestileerd tot zeer realistisch (Hellenistisch-Romeinse invloed).
- Encaustiek (Wasschilderen): Een techniek ontstaan rond 1000 v. Chr. waarbij pigmenten worden vermengd met hete bijenwas en hars.
Prehelleense Culturen: Cycladen en Kreta
- Definitie Prehelleens: Letterlijk "voor-Grieks". Omvat de Minoïsche (Kreta), Cycladische en Myceense cultuur.
- De Cycladische Kunst (vanaf 3000 v. C.):
- Bloeide op door handel in obsidiaan (zwart gesteente).
- Cycladische beeldjes: Gebeeldhouwd uit wit marmer. Kenmerken: geometrische vormen, naakte vrouwen met gekruiste armen, gestrekte tenen en een driehoekige neus. Soms zijn ze zwanger of beelden ze harpspelers uit (bewaarders van traditie).
- De Minoïsche Beschaving (Kreta):
- Naamgeving: Genoemd naar de legendarische koning Minos van Knossos.
- Religie: Een natuurgodsdienst met een belangrijke rol voor de vrouw (vruchtbaarheidsgodin). Heilige plaatsen waren bergtoppen, grotten en bomen.
- Legende: De mythe van de Minotaurus en het labyrinth (Theseus en de draad van Ariadne) weerspiegelt mogelijk de macht van Kreta over het vasteland en de complexiteit van de paleizen.
- Minoïsche Architectuur en Evans:
- Sir Arthur Evans: De Engelse archeoloog die het paleis van Knossos begin 20e eeuw opgroef.
- Kenmerken Paleizen: Rechthoekige centrale binnenhof met religieuze functie, onoverzichtelijk complex ("labyrint"), rode "verjongende" houten zuilen (breder naar boven toe).
- Comfort: Ingenieus rioleringssysteem, stromend water, verwarming en badkamers.
- Defensie: Geen zware muren; de vloot en de eilandligging vormden de hoofdbescherming.
Minoïsche en Myceense Kunstwerken
- Slangengodin (±1600 v. Chr.): Faïence beeldje uit Knossos. Vrouw in rijk gewaad, ontblote borsten, slangen in de handen. De smalle taille is typisch. Slangen kunnen mannelijke symbolen zijn; het beeld verwijst naar vruchtbaarheid.
- Octopusvaas (±1500 v. Chr.): Voorbeeld van de maritieme stijl. De curves van de octopus benadrukken de ronde vorm van de vaas en de handvatten.
- Akrobatenfresco (Stierspringfresco, ±1500 v. Chr.): Toont een salto over een aanstormende stier. Witte figuren zijn waarschijnlijk vrouwen, bruine zijn mannen. Het ritueel was religieus-maatschappelijk cruciaal.
- Rhyton in stierenkopvorm (±1500 v. Chr.): Rituele beker voor plengoffers. Gemaakt van zeepsteen (vacht), snuit van schelp, ogen van bergkristal.
De Myceense Beschaving en de Dark Ages
- Myceense Cultuur (1700−1100 v. Chr.):
- Gevestigd door de Achaiërs (Indogermaanse stammen uit het noorden) op de Peloponnesus.
- Relatie met Kreta: Mykeners namen rond 1400 v. C. de overhand. Ze imiteerden Minoïsche kunst, maar thema's verschoven naar jacht en oorlog.
- Homerische Epen:
- Ilias: Vertelt over de Trojaanse oorlog en de wrok van Achilles.
- Odyssee: De terugtocht van Odysseus langs monsters zoals cyclopen en sirenes.
- Myceense Bouwkunst:
- Cyclopische muren: Reusachtige onregelmatige stenen blokken zonder metselspecie.
- Leeuwenpoort (1600−1300 v. Chr.): Hoofdtoegang tot de burcht. De latei wordt ontlast door een overkraging met een reliëfplaat van twee leeuwen rond een zuil.
- Tholos (Koepelgraf): Bijv. de Schatkamer van Atreus (1250−1220 v. Chr.). Een circulair gebouw met een schijngewelf, bereikbaar via een dromos (toegangsweg).
- De Dark Ages (Dorische periode, 1150−900 v. Chr.):
- Periode van chaos na de inval van de Doriërs. De kunst werd geometrisch (protogeometrisch).
- Dipylonvazen (8e eeuw v. Chr.): Grote krater-vazen die dienden als grafmarkeerders. Ze hadden vaak geen bodem voor plengoffers aan de doden.
De Griekse Godenwereld en het Mensbeeld
- De Olympische Goden:
- Goden waren antropomorf (mensvormig), machtig en onsterfelijk, maar moreel imperfect (wraakzuchtig, jaloers).
- Zeus: Oppergod, bliksem en gastvrijheid.
- Apollo: Licht, muziek, kunsten, geneeskunde en profetie.
- Aphrodite: Liefde en schoonheid.
- Athena: Wijsheid, verstandige oorlog en weefkunst (patrones van Athene).
- Hermes: Boodschapper, dieven en handelaars.
- Het Griekse Humanisme:
- De mens staat centraal (Protagoras: "De mens is de maat van alle dingen").
- Agonistisch mensbeeld: Constante competitie om uit te blinken en roem te vergaren.
- Leven na de Dood: Geen prachtig hiernamaals maar een schaduwbestaan in de onderwereld. Graven werden versierd met stèles of vazen.
Griekse Kunst: Keramiek en Sculptuur
- Vaasschilderkunst:
- Zwartfigurige stijl: Donkere silhouetten op rode klei (bijv. Exekias, Achilles en Ajax die een bordspel spelen, 540−530 v. C.).
- Roodfigurige stijl: Rode figuren op een zwarte achtergrond (laat meer anatomisch detail toe).
- Witgrond-techniek: Veelkleurige tekeningen op witte slib, vooral voor grafvazen.
- Ontwikkeling van de Beeldhouwkunst:
- Archaïsch: Kouros (naakte jongeling) en Korè (gekleed meisje). Kenmerken: frontaal, archaïsche glimlach, gestileerd haar.
- Vroegklassiek (Strenge Stijl): Ernstige uitdrukking, introductie van het steunbeen en speelbeen.
- Contrapposto: Ontspannen houding met een lichte S-curve en gewicht op één been.
- Klassiek Hoogtepunt: Polukleitos en zijn canon (ideale verhouding hoofd:lichaam = 1:7). Pheidias (Parthenon sculpturen, idealiserend).
- Laat-klassiek: Praxiteles (slanke vormen, dromerigheid, de Aphrodite van Knidos als eerste vrouwelijk naakt).
Griekse Architectuur
- Materiaal: Gebruik van hoogwaardig marmer. Dit vereiste specialistische steenkappers en beperkte de afmetingen vergeleken met de Egyptische bouwwerken.
- Tempelonderdelen: Pronaos (portiek), Naos/Cella (heiligdom met godenbeeld), Ophistodomos (achterhal), Stylobaat (vloer waarop zuilen rusten).
- Bouwordes:
- Dorisch: Zware zuil zonder basis, eenvoudig kapiteel, fries met metopen en trigliefen (mannelijke proporties).
- Ionisch: Slankere zuil met basis, kapiteel met voluten (krullen), doorlopend beeldhouwwerk (vrouwelijke proporties).
- Korinthisch: Kapiteel met acanthusbladeren (later vooral populair bij Romeinen).
- Het Parthenon (447−438 v. Chr.): Grootste Dorische tempel op het vasteland, gewijd aan Athena Parthenos. Bevat subtiele Ionische kenmerken en mogelijk de Gulden Snede (a:b=(a+b):a). Bevat entasis (lichte zwelling van zuilen voor optisch effect of kracht).
Het Hellenisme (330−30 v. Chr.)
- Context: Alexander de Grote creéert een wereldrijk; Griekse kunst vermengt zich met Oosterse invloeden.
- Kenmerken Sculptuur:
- Verlies van klassieke eenvoud; nadruk op beweging, drama en extreem detail.
- Pathetisch en expressief karakter (lijden, emotie).
- Nieuwe onderwerpen: oudjes, kinderen, mismaakten (bijv. de Rustende bokser, 100−50 v. Chr.).
- Voorbeelden: Nikè van Samothrake (beweging), Laokoöngroep (drama), Pergamon-altaar (monumentaal strijdtoneel).
De Etrusken en de Romeinse Republiek
- Etrusken: Zeevaarders in Centraal-Italië (7e-6e eeuw v. Chr.). Beïnvloedden Rome in edelsmeedkunst, betongebruik, gewelven en riolering. Hun kunst toont grote levenslust en gelijkheid tussen man en vrouw.
- Romeinse Politiek: Republiek vanaf ±500 v. C. (macht bij consuls en senaat). Keizertijd onder Augustus veranderde kunst in een propagandamiddel.
- Syncritisme: Het samensmelten van verschillende stijlen door het incorporeren van culturen van veroverde volkeren.
Romeinse Architectuur en Techniek
- Innovaties: Gebruik van gietbeton en baksteen-bekistingen. Dit maakte monolithische constructies mogelijk.
- Gewelven:
- Tongewelf: Basisvorm.
- Kruisgewelf: Twee kruisende tongewelven; verdeelt de last over vier steunpunten.
- Koepels: Bijv. het Pantheon in Rome (118−128 n. Chr.). Bevat cassettes (verdiepte vlakken) om het gewicht te verminderen.
- Typologieën:
- Forum Romanum: Economisch en religieus hart van de stad (Curia, Basilica's, tempel van Jupiter).
- Basilica: Overdekte hal voor handel en rechtspraak (later model voor kerken).
- Theaters & Amfitheaters: Romeinse theaters hadden een eigen onderbouw (geen helling nodig). Het Colosseum (75−80 n. C.) bood plaats aan 45.000 mensen.
- Thermen: Publieke badcomplexen die dienden als sociale en sportieve centra.
Romeinse Beeldhouwkunst en Schilderkunst
- Portretkunst: Sterk realistisch door vooroudercultus (wasmaskers). Keizerportretten werden vaak geïdealiseerd (Augustus van Prima Porta).
- Historisch Reliëf: Reclame voor de macht van de staat. Toont overwinningen (vaak overdreven), bijv. de Zuil van Trajanus (113 n. Chr.) met een spiraalband van reliçfs.
- Schilderkunst (Fresco's): Vooral bekend uit Pompeï.
- Trompe-l’oeil: Illusie van 3D-ruimte.
- Atmosferisch perspectief: Diepte door achtergrond te vervagen.
Vroegchristelijke en Byzantijnse Kunst
- Overgang: Onder Constantijn werd het christendom erkend (312 n. C., visioen Chi-Ro). In 380 werd het de staatsgodsdienst.
- Byzantijnse Rijk: Het Oost-Romeinse rijk met hoofdstad Constantinopel (voorheen Byzantium). Bleef bestaan tot 1453.
- Stijlwijziging: Realisme neemt af ten gunste van symboliek en spiritualiteit. Figuren worden statisch, lineair en tweedimensionaal.
- Bouwkunst: De christelijke kerk baseert zich op de Romeinse basilica (beuken, apsis, narthex) en de centraalbouw (symmetrie als goddelijke orde).
- Mozaïeken: Gebruik van tesserae (steentjes) van glas en bladgoud. Gouden achtergronden creëren een immateriële, spirituele ruimte (bijv. San Vitale in Ravenna met Justinianus en Theodora, ±547).