Gedragsgenetica en Evolutionaire Psychologie
De Relatie tussen Genen, Hersenen en Gedrag
Fundamenteel Mechanisme:
Genetische variatie tussen individuen leidt tot verschillen in de fysieke bouw en de functionele werking van de hersenen.
Deze neurologische verschillen resulteren in variaties in gedragsdispositie.
Gedragsdispositie bepaalt, in interactie met omgevingsinvloeden, het uiteindelijke gedrag.
Gen-omgeving co-actie: Gedrag is nooit het resultaat van alleen genen of alleen omgeving, maar van een voortdurende wisselwerking (co-actie) en interactie tussen beide factoren.
Variantie en Omgevingsinvloeden
Individuele Verschillen (Variantie): In de statistiek wordt variantie gebruikt om individuele verschillen te kwantificeren.
Variantiedecompositie: De totale variantie in een eigenschap wordt opgedeeld in drie componenten:
Genetische variantie (): Het deel verklaard door additieve genetische factoren. Inclusief gen-omgeving interacties ().
Gedeelde omgevingsvariantie (): Omgevingsfactoren die gezinsleden op elkaar doen lijken. Voorbeelden: baarmoeder, gezin, buurt, school, sociaal-economische status (SES), religie en cultuur.
Unieke omgevingsvariantie (): Omgevingsfactoren die gezinsleden van elkaar doen verschillen. Voorbeelden: vrienden, specifieke schoolklas, ziekte, werk, en levensstijl (bijv. roken, drinken, sport, eetgewoonten). Inclusief meetfouten en interactietermen.
Standaardformule: Bij standaardisatie (totale variantie = ) geldt:
Erfelijkheid (Heritability)
Definitie ( of ): Het deel van de totale variantie in een eigenschap binnen een populatie dat verklaard wordt door genetische verschillen tussen individuen.
Berekening: .
Interpretatie: Erfelijkheid is een ratio/percentage. Als , en , dan is de erfelijkheid .
Methoden in de Gedragsgenetica
Onderzoekdesigns:
Selectieve teelt: Gebruikt bij dieren om specifieke eigenschappen te versterken.
Familiestudies: Onderzoek naar de gelijkenis tussen bloedverwanten.
Adoptiestudies: Vergelijking tussen het kind en de biologische ouders (genen) vs. adoptieouders (omgeving).
Tweelingstudies: Vergelijking tussen eeneiige (MZ) en twee-eiige (DZ) tweelingen.
Gelijkenis bij Schizofrenie: Voorbeeld van familiale gelijkenis (personen per ):
Ouders/Kinderen/Broers/Zussen ( genetisch): Hoog risico.
Oom/Tante/Neef/Nicht/Kleinkind/Halfbroer ( genetisch): Gemiddeld risico.
Geen verwantschap ( genetisch): Laag risico ( a op ).
Tweelingonderzoek: Principes en Berekeningen
Eeneiige Tweelingen (MZ): Ontstaan uit één bevruchte eicel die splitst; genetisch identiek. Meestal dezelfde placenta en vruchtzak (niet altijd). Altijd van hetzelfde geslacht.
Twee-eiige Tweelingen (DZ): Ontstaan uit twee verschillende eicellen en spermacellen; delen gemiddeld van hun genen (net als gewone broers/zussen). Kunnen van hetzelfde of verschillend geslacht zijn.
Berekening van effecten (Falconer’s formules):
Erfelijkheid:
Unieke omgeving:
Gedeelde omgeving:
Schatting van Correlaties:
Empirische Data en Resultaten
Neuroticisme (NTR data):
Correlatie MZ-mannen:
Correlatie DZ-mannen:
Erfelijkheid (): ()
Gedeelde omgeving (): ()
Unieke omgeving (): ()
Big Five Persoonlijkheid (Brede erfelijkheid):
Extraversie: ca.
Vriendelijkheid (Agreeableness): ca.
Consciëntieusheid: ca.
Neuroticisme: ca.
Openheid: ca.
Politieke Attitudes (Dove-Hawk Schaal -):
Dove-Hawk: , ,
Militaire uitgaven: , ,
Ideologie: , ,
Leefstijl bij Volwassenen:
Roken:
Alcoholgebruik:
Lichamelijke beweging: (Stabiliteit hierin is vooral erfelijk).
Validiteit en Kanttekeningen bij Tweelingonderzoek
Zygositeitsbepaling: Kan nauwkeurig via DNA-merkers of via vragenlijsten over uiterlijke gelijkenis (bijv. verwarring door ouders/vreemden).
Representativiteit: Uit onderzoek van het Nederlands Tweelingen Register (NTR) blijkt dat tweelingen niet verschillen van eenlingen in persoonlijkheid, leefgewoonten of gezondheid. Geboortegewichtachterstand () is vaak na jaar ingehaald.
Assortative Mating: De aanname dat ouders willekeurig paren. Als ouders op elkaar lijken, overschat dit .
Contrast- en Assimilatie-effecten:
Contrast: Ouders benadrukken verschillen.
Assimilatie: Ouders benadrukken gelijkenissen vanwege 'volkswijsheid'.
Equal Environment Assumption (EEA): De aanname dat MZ-paren niet méér gedeelde omgevingsinvloeden ervaren dan DZ-paren (tenzij uitgelokt door gedrag). Deze aanname houdt stand in tests.
Gen-Omgevingsinteractie () en Correlatie ()
Interactie (): De invloed van genen hangt af van de omgeving.
Voorbeeld IQ en SES: Bij een lage SES is de erfelijkheid van IQ lager (). Bij een hoge SES is de erfelijkheid van IQ hoger (), omdat de gunstige omgeving de genetische potentie laat ontplooien.
Correlatie (): Genetische varianten zijn niet toevallig verdeeld over omgevingen:
Passief: Ouders geven zowel genen als een bijbehorende omgeving door (bijv. slimme ouders geven boeken én leesgenen).
Reactief (Evocatief): De omgeving (ouders) reageert op de genetische aanleg van het kind (bijv. streng optreden bij een genetisch disruptief kind).
Actief (Niche picking): Een individu zoekt zelf een omgeving die past bij de genetische aanleg (bijv. een muzikaal kind kiest voor de muziekschool).
Evolutionaire Psychologie
Basisprincipes: Evolutie selecteert gedrag dat de overleving van genetische varianten maximaliseert.
Adaptaties: Eigenschappen zoals fobieën, jaloezie, maar ook altruïsme en de 'need to belong', hadden evolutionair nut.
Natuurlijke Selectie: Individuen met gunstige allelen hebben een grotere kans op overleving en voortplanting ().
Seksuele Selectie (Intersexual Selection): Selectie op kenmerken die helpen bij het vinden van een partner, zelfs als ze de overleving schaden (bijv. de pauwenstaart of een zwaar gewei).
Inclusive Fitness: Het bevorderen van de voortplanting van verwanten die dezelfde genetische varianten delen. Hulp aan familie verhoogt de overlevingskans van de eigen genen.
Selectieprocessen:
Directionele selectie: Een variant wordt geleidelijk dominanter totdat variatie verdwijnt.
Stabiliserende selectie (Adaptive trade-off): De middenweg is optimaal (niet te veel, niet te weinig angst). Dit houdt genetische variatie in stand.
Frequentieafhankelijke selectie: Het succes van een strategie hangt af van hoe vaak deze voorkomt (bijv. criminaliteit loont alleen als de meerderheid eerlijk is).
Omgevingsafhankelijke selectie (Fluctuating optimum): De optimale eigenschap wisselt per tijdperk/omgeving (bijv. vroege vs. late seksuele rijping).