Examen Nederlands juni
Examen Nederlands juni
Retoriek is chic
Captatio benevolentiae:
bedoeld om:
- publiek gunstig te stemmen
- hun welwillende aandacht te verkrijgen
- goodwill ervan te kunnen rekenen
kan op verschillende manieren:
- via complimenten
- via noemen van prijzenwaardige gebeurtenis in geschiedenis van het land of de organisatie waar gesproken wordt.
De retorische indeling
1. Exordium
inleiding, kennismaking met onderwerp en de spreker, captatio benevolentiae
2. Propositio
stellingname
3. Argumentatio
bewijsvoering
→ confirmatio = verdediging eigen standpunt
→ refutatio = weerlegging standpunt anderen
4. Peroratio
slotpleidooi
De retorische stijlmiddelen
1. Allocutio:
rechtstreekse aanspreking van het publiek
“gelovigen, ga heen en bekeer u!”
2. Anafoor en epifoor:
o A: “I have a dream” (Martin Luther King)
o E: “yes we can!” (Barack Obama)
3. Antithese (contrast):
“de zwarten leefden in vervallen huizen, de blanken leefde in prachte landhuizen.”
4. Apostrof:
“maar, mijnheer de minister, is dat de koers die u uw land wil doen uitvaren?”
5. Chiasme:
“de overheid moet niet alleen zeggen wat ze gaat doen, maar ook doen wat ze zegt.”
6. Climax:
“ga, loop, vlieg!”
7. Contrast:
“zwarten leefden in vervallen huizen, blanken in prachtige landhuizen”
8. Drieslag:
“bloed, zweet en tranen” of “ik kwam, ik zag, ik overwon”
9. Ellips:
“hij (was) blij”
10. Eufemisme:
herverdeling van middelen, vredesmacht, plaagstootje
11. Evidentia:
“computer is niet meer dan een door de mens uitgevonden, hersenloze machine, die door de mens gemaakte programma’s snel en foutloos uitvoert.”
12. Exemplum:
“een onderzoek uit 2006 toonde aan: professoren die…”
13. Exclamatio:
“wat een tijden, wat een zeden!” (maakt meer indruk dan “het zijn slechte tijden!”
14. Litotes:
“Martine is inderdaad niet lelijk”
15. Metafoor:
“het was een draak van een film”
16. Parabool en hyperbool:
- P: “hij was een beetje dom” Maxima over Willem-Alexander tijdens verloving
- H: “het was zo donker dat zelfs de blinden nog zouden struikelen”
17. Paradox:
“we moeten oorlog voeren om vrede te bereiken”
18. Parallellisme:
“with this faith, we will be aible to work together, to pray together, to struggle together”
19. Quaestio:
“wat is er gebeurd? Wie was verantwoordelijk? Wie heeft dat kunnen toelaten?”
20. Repetitio:
“yes we can!”
21. Retorische vraag:
“wie wil er niet elke dag filevrij naar zijn werk rijden?”
22. Synesthesie:
“ontmoeting liet vreemde nasmaak achter”
De klassieke taken van de redenaar
1. Vinding:
INVENTIO omvat voorbereidend werk, onderzoek, juiste materiaal… ook tegenargumenten à zoek onverwachte en originele argumenten
2. Ordening:
DISPOSITIO, je bepaalt hoe je je betoog opbouwt: wat is goede binnenkomer, goede uitsmijter, hoe maak je volgorde argumenten daartussenin zo begrijpelijk en efficiënt mogelijk?
3. Verwoording:
ELOCUTIO, 1e versie bijschaven. Betoog uitwerken, formuleren. Let op stijl: woordkeuze, zinsbouw, ritme…
4. Geheugen:
heel belangrijk: MEMORIA, van buiten leren, want anders amateuristische indruk. Publiek aankijken. Gebruik van kaartjes met sleutelwoorden mag.
5. Voordracht:
ACTIO of PRONUNTIATIO, spontaan overkomen, niet alsof je alles vanbuiten uit je hoofd opdreunt, contact met publiek, overtuiging stemgebruik, houding en gebaren
Hoe zorg ik voor een pakkende opening?
- Actuele opening
- Anekdotische opening
- Citaatopening
- Ik-opening (eigen ervaring)
- Jij-opening (publiek rechtstreeks aanspreken
- Schokkende cijfers
- Historische opening (contrast met vroeger geven)
- Interessante vragen (nieuwsgierigheid opwekken)
Hoe maak ik een aantrekkelijke afsluiter?
- Ronde afsluiting (verwijzing naar begin)
- Samenvatting
- Toekomstverwachting
- Aansporing
- Conclusie
- Uitsmijter
Hoe zorg ik voor logische alineaverbanden?
- Chronologisch
- Opsommend/tegenstellend
- Toelichtend
- Oorzakelijk (gevolg en oorzaak)
- Argumenterend (stelling, argument, tegenargument
- Toegevend (toegeving en terug tegen in gaan)
- Voorwaardelijk (mogelijkheid en voorwaarde)
- Probleem-oplossingsalinea
- Samenvattend
- Concluderend
Hoe voer je vergadering uit?
- Opening
- Vaststelling van definitieve agenda
- Notulen van de vorige vergadering
- Ingekomen stukken en mededelingen
- Bespreking van de wisselende agendapunten
- Varia
- Rondvraag
- Sluiting
Het essay
Commentaarteksten
Bevat volgende elementen:
- Stevige titel (lezer direct aangesproken voelen)
- Goede inleidende zin (wie, wat, waar, wanneer)
à aanleiding tot schrijven
à beknopte formulering van eigen standpunt
- Samenvatting (gebeurtenissen/tekst/voorstelling)
- Argumentatie (standpunt verdedigen)
- Besluit
- Aangepast taalgebruik (persoonlijke stijl, ik-vorm)
Soorten commentaarteksten (kranten, tijdschriften)
- Recensie
- Lezersbrief
- Column
- Cursiefje (vaste bijdrage van vaste schrijver in krant/tijdschrift, humoristisch/ironisch over onderwerpen praten
- Polemische tekst (buiten opinie geven ook andere hun opvattingen aanklagen, emotioneel
- Het essay
o Alles kan onderwerp zijn, beschouwing (nadenken en oordelen), correct taalgebruik, lezer overtuigen over persoonlijke dingen
o Michel de Montaigne ligt aan basis van het essay
o Conclusie in wetenschappelijk onderzoek verplicht, in essay niet. Geen humor in wetenschappelijk onderzoek, in essay wel.
o Bij essay moet je mening beargumenteren over actueel onderwerp (a.d.h.v. bewijzen)
- Michel de Mongtaigne:
o Historische achtergrond, biografie:
Franse filosoof
16e eeuw
Bordeaux à godsdienstenoorlog
Vader: Duitse burgemeester Bordeaux à kon dus geen Frans en werd in Latijns opgevoed
o Moeder: Spaans (Joods)
o Broer: protestant
o Zuster: abdist
o Hijzelf: vrije geest
o Politieke carrière: parlementslid van Bordeaux, 2x burgemeester geweest maar hij bleef op afstand van gebeurtenissen
o Machiavellist:
o Zijn werk:
à tot op de dag van vandaag zijn zijn werken nog actueel
à hij schrijft dingen af waarvan hij nauw bij betrokken is
à12 jaar gedaan om Les Essays uit te schrijven
à is dus grondlegger/uitvinder van essay
→ Les Essays
o Zijn taalgebruik:
in het Frans (la langue vulgaire), veel Latijnse woorden. Werk is moeilijk te vertalen aangezien men toen nog niet aan grammatica deed.
o Centrale idee:
“Que sais-je?’ = wat weet ik ?
→ zoeken naar jezelf, hij weet dat de mens te veranderlijk is en stelt zichzelf als onderwerp van zijn werk
Theatergeschiedenis
Les 3: theater in de middeleeuwen
Herontdekking v.h. toneel
1. Romeinen kopiëren Grieks toneel + brengen naar ons à bouwen grote theaters
Deuren gesloten want Katholieken vonden inhoud niet ok.
· Heropleving +/- 900
→ religie: doel= ongeletterden leren hoe te leven om in hemel te komen
→ didactische waarde van gesproken woorden
→ parallel Grieks drama: drama is rond Christus
· Wereldse + komische elementen
→ los van misviering
→ niet meer in Kerk maar kerkplein
→ later marktplein / elders in stad
→ ontstaan wagenspelen (= op wagen gespeeld, makkelijk bereiken + alles is op kar)
· Midden 15e eeuw
- religieus + wereldlijk/profaan toneel
· Rol Kerk bij ontstaan van middeleeuws toneel = paradoxaal: voor 391 gesloten wegens onzedelijk feiten rond 900 gewoon terug doen.
2. Overgenomen door barbaren.
3. Franse revolutie: gevangenis
4. 19e eeuw: hersteld
Het religieus theater
Het mysteriespel
· Mysterieuze zaken die men ging vertellen à over Jezus, Maria…
· Passiespel: Jezus (vertakking van mysteriespel)
· Bewerkingen uit OT en NT
· Episodisch karakter = losse tafereeltjes/intrige bevatten geen rode draad
VB’s: de 7 bliscappen van Maria à mysteriecyclus (opvoering in dagen)
· Allegorie: menselijke eigenschappen die in menselijke personage gegoten worden
De moraliteit / het spel van sinne
Moraliteit:
- gewone mensen en zijn zoektochten naar het goede
- didactisch
- einde = moraal (zedenles)
- allegorische personages
- weinig actie, veel discussie en beschouwing
Elckerlyck = prototype van moraliteit:
- allegorisch personage
- didactische waarde
- einde verhaal: moraal zedeles
- weinig actie à veel discussie
Spel van Sinne:
- rederijkskamers:
- soort culturele vereniging
- organiseerden landjuwelen (toneelwedstrijden)
à toneel rond vastgelegd thema = een sin
Het heiligen- of mirakelspel
- bekend verhaal over heiligenleven of mirakel
- zondaar wordt dankzij tussenkomst van Maria of God gered
- VB: Mariken van Nieumeghen
Mariken van Nieumeghen
C: nonkel stuurt Mariken naar de winkel. Door de afstand wilt hij haar bij de tante laten slapen want in het donker is het niet veilig door vieze mannen.
B: de tante wilt Mariken niet, volgens haar is ze een hoer (slaapt met nonkel).
A: Moenen (duivel) wilt Mariken ‘hebben’ en naar bed gaan met haar. Hij is heel gevaarlijk.
D: Moenen wilt haar meenemen, Mariken wilt niet. Duivel laat haar vallen.
E: Paus geeft boete (ringen rond nek), bij een goddelijke interventie zijn de zonde verdwenen.
DE PROLOOG:
Het stuk is waerachtig/wonderlijck: concrete beschrijving: politieke gedoe à situering plaats en tijd
Het stuk is een mirakelspel: goddelijke interventie = wonder (in dit geval toen de Duivel Mariken liet vallen)
Het profaan theater
à ging door in openlucht
à primitief decor, kar waar iets op stond, kleedruimte gewoon achter doek
à aandacht was niet exclusief voor toneel. Je kon dus gewoon praten met buur en niet opletten.
Het abelspel
· 14e eeuw
· Anoniem (wie schreef het?)
· Hoofse sfeer
à abel = nobel, ernstig, kunstig, verfijnd, verheven
· Hoofdfiguur: edele ridder van hoge afkomst (verliefd op) edeldame
· Belangrijkste thema’s:
- edelheid en dapperheid (=hoofsheid) <-> lafheid
- de liefde in al haar aspecten (ook erotiek)
- standenverschil tussen geliefden als hinderpaal voor relatie
- botsing 2 culturen: christelijke <-> mohammedaanse
· Weinig structuur = juxtapositie (Aristoteles zou hier niet tegen kunnen)
à taferelen worden zonder enige overgang naast elkaar geplaatst
· 4 abele spelen:
1. Esmoreit
2. Gloriant
3. Lanseloet van Denemarken
4. Vanden Winter ende vanden Somer
· Bewaard gebleven in Hulthemsche Handschrift
à naam komt van Gentse bibliofiel Karel van Hulthem
à bevat 4 abele spelen en 7 sotternieën
à oudste wereldlijke dramatische teksten in West-Europa
Lanseloet van Denemarken:
1. Expositie (alle personages): Lanseloet in love met dienstmeisje moeder. Moeder keurt af door lage stand
2. Motorisch moment (alle personages): Lanseloet gaat in op moeders voorstel.
3. Hoogte- / laagtepunt (per personage): Lanseloet (H): seks met Sanderijn; Sanderijn (L): seks met Lanseloet
4. Climax (per personage): Lanseloet: denkt dat Sanderijn dood is; Sanderijn: leert iemand nieuw kennen.
- Abelspel
- Volop middeleeuws:
o Standen van de personages à dienstmeisje en man van Adel
o Liefde: erotisch, platonisch, gedramatiseerde ridderroman
- Motorisch moment:
wanneer Lanseloet ingaat op voorstel van moeder om seks te hebben met Sanderijn en haar dan te dumpen
- Houdt zich niet aan de drie eenheden: geen eenheid van handeling en plaats à juxtapositie
- hoofs taalgebruik: allegorie / beeldspraak à metaforie
De klucht / sotternie
· Altijd na abel spel speelt met een clute
à na inspanning = ontspanning
à na ernst = amusement
· Kenmerken:
- vrij kort
- grofkomisch (komisch maar toch wat grof)
- karikaturale overdrijving (overdrijven met uiterlijke kenmerken)
- voorliefde voor seksuele allusies
· Personages: de bedrogen echtgenoot, bazige vrouw, sullige pastoor, domme boer…
· Bekendste cluten:
- de buskenblazer (na Gloriant)
- lippijn (na Esmoreit)
- Rubben (na Vanden Somer ende vanden Winter)
- Playerwater
= bestaat niet, partner moet dit halen zo kan je vreemdgaan, vrouw ging dan vreemd op
de man à klucht na abelspel/grofkomisch
- Hexe (na Lanseloet van Denemarken)
Opvoeringspraktijken
Religieus theater
· Plaats:
- oorspronkelijk in de kerk
- verhuisde geleidelijk aan naar kerkplein, marktplein, de straat
· Groeide uit tot grootste spektakels
- veel acteurs en figuranten
- opvoering verzorgd door gilden o.l.v. spelbegeleider
- veel uitgewerkte decors naast elkaar = simultaan toneel
à publiek schoof mee door
- veel speciale effecten
- kon meerdere dagen duren
Profaan/wereldlijke theater
· Publiek behoort tot verschillende rangen en standen
à burgerlijk milieu kijkt op naar hoofse elementen in de abele spelen
à lagere volk wordt op de korrel genomen in sotternieën
· Voorstelling = vrij realistisch
· Taal: meestal gewoon, volks
àin latere rederijkersstukken: woordkunst (refreinen, rondelen…)
· In bijna alle stukken: komische elementen of personages
· Lagere volk vaak onderwerp van kluchten en sotternieën
Les 4: Commedia dell’arte
Herkomst:
einde 16e eeuw in Italië: tijdens renaissance. Toen bestond ook puur liturgisch (religieus) theater en werelds toneel (kon volks/hoofs zijn)
à rondtrekkende toneelgezelschappen
Kenmerken:
- maskers (half maskers voor belangrijke personages à karaktertrek uitdrukken
- enkele personages kwamen steeds terug (acteurs konden wijden aan rol omdat ze altijd zelfde rol speelden)
Tekst/speelstijl:
- geen vaste tekst, vooral improvisatie à spontane speelstijl
- mimiek en gebarenspel erg belangrijk
- thema’s uit dagelijkse leven, liefde, bedoeling = vermaak + kritische boodschap overbrengen
CARLO GOLDONI = belangrijkste auteur:
zette enkele improvisaties op papier, bekendste werken: knecht van 2 meesters, herbergierster
Afbeelding | Naam en beschrijving |
| Il Dottore - Overdreven vervelende geleerde man (meestal dokter) - Parodie op universele geleerde - Blaaskaak en betweter - Werkt iedereen op zenuwen - Houdt van vrouwen, lekker eten en drinken - Vormt obstakel voor geliefden |
| Capitano - Ridder of kapitein - Schept voortdurend op met heldendaden |
| Zanni - Knecht of bediende - Komisch figuur |
| Brighella - Sluwe knecht: vol leugens en listen |
| Arlecchino - Brave knecht (van minnaar), zich nooit van enig kwaad bewust - Danst, zingt en springt - Haalt altijd fratsen uit - Zijn briljante ‘oplossing’ zorgen steeds voor nieuwe problemen - = de harlekijn - Komisch figuur |
| Pedrolino - Mogelijk model gestaan voor Pierrot - Eeuwige droefheid - Melancholisch figuur - knecht |
| Pulcinella - boertige knecht - kan zowel man als vrouw zijn - ontwikkelde zich in Vlaanderen tot “Poeschenelle” - “pulcino”=kuikentje, d.w.z. dat hij enkele kenmerken van ene kip heeft: een kwakende stem, snavelvormige neus, hij loopt als een kip… |
| Colombina - Dienstmeisje: vertrouwenspersoon van meesteres - Sleutelrol voor goede afloop - Kletskous, koppelaarster (houdt van roddelen) - Komische vrouwenrol |
| Innamorati - De geliefden - Hun liefde voor elkaar is de aanleiding voor allerlei dramatische verwikkelingen: listen, verwarring, verraad, intriges… - De enige personages zonder maskers - welsprekend |
| Pantalone - rijke, vrekkige koopman - is steeds op zoek naar geld - zit achter de vrouwen aan - wordt gedwarsboomd door zijn dochter en zijn knecht |
Psycholinguïstiek
Waar zit je talenknobbel?
- Spreken moet je leren
- Dieren communiceren via geluiden, patronen
o Communiceren is niet spreken
o Taal = complexer, ingewikkelder
- Vermogen tot taal is meer dan goed ontwikkelt spraakorgaan
o Ook hersenen moeten in staat zijn om taal te produceren en te verwerken
- Er zijn 2 plaatsen in brein waar taal zich ontwikkelt
- Kind kan meer dan 1 moedertaal hebben. Ze zitten in 1 plek opgeslagen. Als dit later aangeleerd wordt, slaagt dit op andere plek op.
- Fonologische doofheid: je onthoudt geen klanken die in eigen moedertaal geen betekenis hebben. (Three en tree)
Gebied van Broca en gebied van Wernicke
- Taal zit overal, er zijn overal vertakking die terug te trekken zijn naar Broca en Wernicke
- Broca sneed hersenen van man open, het bleek dat dat gebied van Broca weggevreten was. De man zei enkel 1 woord
- BROCA:
o Paul Pierre Broca
o Motorisch spraakcentrum
o Linker frontale kwab
o Belangrijk voor het spreken
o Bij beschadiging:
§ agrammatisme = niet in staat zijn te weten wat corrext grammaticale zin is (begrijpen/produceren)
§ motorische afasie: spontane spraak nazeggen
- WERNICKE:
o Carl Wernicke
o Sensorisch spraakcentrum
o Linker temporaalkwab
o Verwerken van talen
o Bij beschadiging:
§ Sensorische afasie: gesproken taal mist betekenis, kan leiden tot dyslexie
Taalontwikkeling bij een kind
De 4 grote stadia in taalverwervingsproces:
1. Voortalige periode = prelinguale periode (0-12 maanden)
· = brabbelfase
· Nog geen woorden, wordt specifieker na 10 maanden
2. De vroegtalige periode = vroeglinguale periode (12-24 maanden)
· Ze laten onbeklemtoonde lettergrepen of letters uit clusters weg (schr, br…)
· Reduplicatie: ze herhalen eerste of beklemtoonde lettergreep van woord helemaal of gedeeltelijk weg (boterham = bobo)
· Fronting: kind articuleert bepaalde consonanten (k, s) meer naar voor in de mond (f, t) (dank u = dant u)
· Gliding: kind vervangt liquidae (l, r…) door semivocalen (j, w…) (loopt = joopt)
· Assimilatie:
· Medeklinker in begin van woord schuift op naar midden (progressieve assimilatie)
· Consonant uit midden van woord keert terug naar begin van woord (regressieve assimilatie)
· Ze imiteren heel veel
· Via 1 woord zin uitdrukken (holofase)
3. Verrijkings- of differentiatiefase (24 maanden – 5 jaar)
a. Langere zinnen
b. De klanken worden rijker/duidelijker
c. Vaak terugvallen op zelfstandige naamwoorden
4. Voltooiingsfase (vanaf lagere school)
a. Correcte en vlottere zinnen
b. Basisregels zouden gekend moeten zijn
c. Vanaf 9 jaar zwakke en sterke werkwoorden ook gekend
Psycholinguïstisch onderzoek
Analogieprincipe: woorden die men op dezelfde manier gebruikt krijgen plots zelfde vorm. Ik loop à hij loop+t ; ik word à hij word+t deze analogie niet overal toepassen waar je zo hoort
Sociolinguïstiek
Wat is het?
= interdisciplinaire wetenschap
- Sociologie
- Linguïstiek
Bestudeert relatie tussen taal en samenleving vanuit veronderstellingen dat taal beïnvloed wordt door sociale context waarin ze wordt gebruikt.
Is de studie van taalgebruik in taalgemeenschap
à opvallend kenmerk: taal is niet eenvoudige/uniforme = er bestaan verschillende taalvarianten die alle onderzoeksgebieden zijn van de sociolinguïstiek
1. geografische taalvariant: dialect/regiolect
Niet iedereen gaat even druk met elkaar om. Sommige bewegen over taalgebied en andere komen niet in aanraking met mensen die in nabijheid wonen
à variatie in uitspraak en/of grammatica
2. sociale taalvariant: sociolecten (taal van sociale klasse/groep)
Iedereen is/praat verschillend. Dit wordt bepaald door leeftijd, geslacht, opvoeding, scholing, cultuur, godsdienst, beroep…
à verschillende sociale groeperingen geven leiding tot sociolecten
3. stilistische taalvariant
Afhankelijk van situatie waarin we ons bevinden, dan gebruiken we verschillende taalregisters/stijlniveaus:
- formeel <-> informeel
- schriftelijk <-> mondeling
- modieus/trendy <-> archaïsch
4. idiolect
Elk individu gebruikt eigen taalsysteem dat tot uiting komt in manier waarop hij spreekt/schrijft (stopwoorden, accent…) => heel typisch taalgebruik voor 1 persoon
Taalcontinuüm
Continuüm = vloeiende lijn die van ene naar andere overvloeit
Taal = taalcontinuüm/spanningsveld tussen 2 polen
1. standaardtaal (1e pool):
à officiële taalvariant van land
à m.a.w. geschikt om in publiek domein te gebruiken (d.w.z. media, onderwijs, bestuur..)
à maakt uniformiteit in spreken en schrijven mogelijk, vergemakkelijkt communicatie
2. dialect (2e pool):
heeft sterke invloed op alle varianten
à beïnvloed hele taalcontinuüm
à iedereen kent dialect en zo goed als iedereen, in elke sociale klasse gebruikt het
à het is code die taalpraktijk nog steeds beheerst: veel mensen kennen en spreken het
à dialect = waardevol!
à ‘lokalisering’
dialect = lokale vorm, typische uitspraak, woordenschat en zinsbouw
regiolect = tussen dialect en tussentaal, grotere groep aanvaart en begrijpt dit
tussentaal = pal in midden van as, wordt door beide kanten beïnvloed (portie warm gemengd) eerder naar Brabant-Antwerpen accenten
standaardtaal =algemeen Nederlands, we moeten dit volgen
We zijn eigen mengpaneel: we passen ons taalgebruik aan bij onze gesprekspartner
Taalgeschiedenis
Oorsprong Nederlands
Volgens wetenschappers komen alle talen van 1 oertaal
- Geen bewijzen want niets bewaard
- Oertaal splitst in verschillende grote families
- Nederlands: grote Indo-Europese taalfamilie
- Indo-Europees = prototaal
Oudnederlands (800-1150)
Zeer weinig bewaard: aparte namen, glossen (=verklarende aantekeningen of vertaling van woord tussen regels of in marge van tekst)
è Oorzaken:
o Schrijftaal in vroege middeleeuwen was Latijn
o Literatuur in volkstaal werd voorgedragen, gezongen, doorverteld
à taalmateriaal verloren gegaan door de tijd
EXTRA: ‘Hebban olla vogola nestas hagunnan’ = oudste en eerste neergepende zin in het Oudnederlands; ‘Lex Salica’ = wetboek van Salische Franken
Middelnederlands (1150-1550)
Werd in middeleeuwen ‘Diets’ genoemd = taal van volk <-> Latijn = taal van Kerk
Oudste teksten
- Aantal overgeleverde teksten stuk hoger dan bij Oudnederlands (vb. Karel ende Elegast, Reinaert, Beatrijs…)
- Eerste Middelnederlandse schrijver wiens naam we kennen = Limburgse minnezanger Hendrik van Veldeke
à 1170: Het leven van Sinte Servaes = oudste literaire werk dat niet anoniem is
- Oudste ambtelijke tekst = de schepenbrief van Boechoute
à oorkonde uit 1249
à regelt een grondtransactie/renteverkoop
à voorloper notariële akte
à voornamelijk de ambtelijke teksten zijn authentiek
Kenmerken
- Middelnederlands bestaat eigenlijk niet = verzameling dialecten (Vlaams, Limburgs, Brabants)
à economische bloei van een gebied bepaalde welk dialect in de literatuur werd gebruikt
- Spelling: onvast + min of meer fonetisch
à veel woorden aan elkaar (bv. Segghic – tswaert) = inclinatie: onbeklemtoond woord sluit aan bij beklemtoond woord
- Tweeledige ontkenning vb. daer en was niemen
- Uitgebreid naamvalsysteem (zal geleidelijk afslijten)
EXTRA:
verschillen ambtelijke en literaire tekst:
- Publiek: geïnteresseerde burgers vs adel clerus
- Doel: informeren vs amuseren
Waarom zijn ambtelijke teksten taalkundig interessanter voor ons?
Ze kunnen exact gelokaliseerd en gedateerd worden + ze bevatten meer dialectkenmerken + maar 1 origineel exemplaar ter handen
Nieuwnederlands (…)
- = volgende stap in ontstaan van moderne Nederlands
- Centraal staat geboorte en ontwikkeling van standaardtaal
- AN is bedoeld als LINGUA FRANCA = algemeen gebruikte omgangstaal tussen sprekers van verschillende talen, met bedoeling elkaar te kunnen verstaan op politiek, economisch en sociaal vlak.
à AN werd dus lingua franca van hele Nederlandse gebied
Ontstaan AN
- Rond 1600 ontstond behoefte aan algemene schrijftaal/eenheidstaal om beter te kunnen communiceren met mensen uit andere dialectgebieden (politiek/economisch/religieus…)
- AN = kunstmatig gecreëerde taal als compromis tussen belangrijkste dialecten in onze streken: Holland/Brabant/Vlaanderen
Factoren die rol spelen bij ontwikkeling AN (15e-17e eeuw)
1. Economische factoren
Ontstaan van steden
à belangrijkste centrum = Amsterdam (na val Antwerpen)
Grotere mobiliteit/contacten tussen dorpen/steden à mensen in sociale beroepen (meester, kapper, bakker…) hadden nood aan bovengewestelijke variant
2. Uitvinding boekdrukkunst (1450 Gütenberg)
Uitgevers wilden boeken in zo groot mogelijke oplage drukken
à groot spreidingsgebied
à streekgebonden woorden werden weggepoetst en spelling geüniformeerd
3. Opkomst eerde massamedium: de krant
1 taal, 1 artikel
4. Het onderwijs:
Schoolboekjes werden in hele land gebruikt en propageerden een uniforme spelling
Wetenschap, ook aandacht voor taalwetenschap
5. Religieuze factor:
Bij opkomst van protestantisme (16e eeuw) kozen hervormers (anders dan katholieken) ook voor Nederlands (=volkstaal) in Kerk i.p.v. Latijn
à hervormers legden nadruk op kennis van Bijbel
à dagelijkse lectuur was noodzakelijk
à was alleen mogelijk als iedereen over eenzelfde eenvormige Bijbel kon beschikken in
het hele gebied
à drukkers drongen aan op vorming van STATENBIJBEL
Braindrain: veel intellectuelen vertrokken naar Amsterdam, dus weg uit Zuidelijke-taalgebied
Statenbijbel: protestanten wouden Bijbel in het Nederlands à veel invloed op cultureel en taalkundig vlak.
Vlaamse Beweging: opgericht door Jan-Frans Willems en Jan Baptist David, Vlaamse volk bewust maken van schoonheid eigen taal en roemrijke verleden. Er zijn 4 fasen:
1873: eerste taalwetten voor gebruik Nederlands in rechtszaken, middelbaar onderwijs en
bestuurszaken.
1898: Nederlands werd als officiële taal erkend.
1910: nu pas in het onderwijs
1930: eerste Nederlandstalige universiteit (Ugent)
Toekomst van Nederlands
Taalverwantschap
Gelijkenissen:
Fonologie: de tweeklank ‘ui’ komt overeen met ‘au’ (Duits) en ‘a’/’au’ (Engels). Er zijn ook bijna identieke klankparen: eet-eat/glas-Glas
Morfologie: geburik van lidwoorden in alle 3 de talen. Aanduiding meervoudsvorm (s of ¨). Uitgang voor 3e persoon is -s of -t
Syntaxis: Zelfde zinsvolgorde: O+PV+LV/NWD
Historisch-vergelijkende taalwetenschap
Doel: aantonen van taalverwantschap en reconstructie van prototalen
Methode: onderzoeken van regelmatige klankcorrespondenties bij woorden uit centrale woordenschat => beschreven als klankwetten. Op basis van overeenkomsten en systematische correspondenties kan men concluderen dat bepaalde talen met elkaar verwant zijn en teruggaan op een gemeenschappelijke taalbron
Taalverwantschap = als er tussen woordenschat van 2 talen regelmatige overeenkomsten in klank en vorm optreden
Indo-Europese stamtaal
Valse Vrienden:
Afrikaans:
Wie: Jan van Riebeeck + bemanning
Doel: bevoorradingspost te stichten aan Kaap de Goede Hoop voor Nederlandse schepen die op weg waren naar Indië/het Oosten
Waar: vanuit Nederland naar Kaap de Goede Hoop
Wanneer: 1652
Hoe: met 3 schepen
Waarom: ze moesten een taal vinden waarin ze konden communiceren met inheemse bevolking. Resultaat: vereenvoudigd Nederlands
Taalvaardigheid
Kijk bundel









