Geschiedenis Hoofdstuk 5 tot 10 + HC
Tijdvak 5- de ontdekkers en hervormers (1500-1600)
Kern: begin moderne tijd.
Ontdekkingsreizigers zoals Columbus.
Begin van handel over de wereld (kolonialisme).
Reformatie (Maarten Luther protesteert tegen de kerk.- splitsing christendom.
Godsdienstconflicten in Europa.
Begin verspreiding van ideeën.
De renaissance: Nieuwe mens en wereldbeeld 1500-1600
Toename wetenschappelijke belangstelling.
Wat zijn de oorzaken?:
Humanisme
nieuwsgierig
de kerk die minder machtig wordt.
Hoe kun je dit herkennen in een bron?:
Wetenschappelijk denken en verwijzingen naar de klassieke oudheid.
Individueel centraal.
De gevolgen: er komt aandacht voor wetenschap en het individu
Heroriëntatie op de klassieke oudheid.
Hoe te herkennen
Interesse in oudheid (Grieken en romeinen.)
Zichtbare vormentaal, zoals zuilen, koepels en goden.
Europese overzeese expansie (ontdekkingsreizen)
Waarom ging men op ontdekkingsreizen?
Economische reden= handel
Politiek reden= het land uitbreiden
Religieuze reden= het christelijke geloof verspreiden.
Wat zijn de gevolgen?
De grootste sterfte onder oorspronkelijke bevolking.- HC Britse Rijk.
Een groter en sterker wereldbeeld.
Competitie onder Europese landen.
Reformatie= De godsdiensthervorming
Dit leidt tot een splitsing in de christelijke kerk= Katholiek en protestant.
Wat zijn de oorzaken?
Kritiekpunten van de hervormers (Maarten Luther en Johannes Calvijn) of protestanten op de kerk. Ze zijn tegen aflaatbrieven, de bijbelvertaling, versieringen en celibaat.
De gevolgen:
De splitsing
Godsdienstoorlogen.
Nederlandse opstand: 80 jarige oorlog. 1568-1645.
Waarom kwamen de Nederlanders in opstand?
Religieuze: Nederland was protestant en wilde geen vervolgingen.
Politiek: Spaanse koning voert centralisatiebeleid- steden en gewesten willen meer eigen zeggenschap.
Economisch: de Spaanse koning heeft hoge belastingen.
De 80 jarige oorlog gaat leiden tot onafhankelijke staat: wordt de Republiek der Verenigde Nederlanden. In 1581 plakkaat van verlating(= onafhankelijkheidsverklaring).
In 1588= vorming republiek, land zonder koning.
Tijdvak 6- Regenten en vorsten (1600-1700)
Kern: Nederland wordt machtig
Gouden eeuw
Handel via VOC en WIC.
Absolutisme- Lodewijk XIV
In Nederland regenten aan de macht (rijke burgers).
Wereldhandel+wereldeconomie.
VOC en WIC-
Wanneer en waarom opgericht?
Functie van deze bedrijven (overeenkomsten en verschillen).
Wereldhandel zorgt voor wereldeconomie.- Als er internationaal gehandeld wordt, word je afhankelijk van verschillende producten.
Wereldhandel zorgt voor wereldeconomie.
Handelskapitalisme.
Bestuur van de Nederlandse Republiek Gouden Eeuw
Geen koning
Wel overleg door regenten op verschillende niveaus.
Lokaal
Regionaal (provincie of gewest)
Landelijk (staten-generaal)
Stadhouder per wes-in de praktijk hebben meerdere gewesten dezelfde stadhouder
De Gouden Eeuw (1575-1675) is de tijd van welvaart, internationale handel met VOC en WIC en internationale erkenning.
Veel mogelijkheden met wetenschap, kunst, literatuur.
Oorzaken: Welvaart- financiële ruimte om te investeren.
Gemeenten vrijheid in de republiek- geen vervolging voor andere geloven/opvattingen soms wel beperkingen.
Nederland is een republiek, er zijn diverse regenten- dat zorg voor meerdere opvattingen mogelijk.
3) Absolutisme= koning met absolute macht, hoeft zich aan niemand te verantwoorden.
De koning legitimeert zijn macht als door god verkregen.
Bestuur van een absolute vorst (kenmerken)
Centralisatie- met betrekking tot geloof.
Beperking macht adel + probeert adel aan het hof te binden.
Mercantilisme- staatsbemoeienis met de economie.
Propaganda.
4) wetenschappelijke revolutie
Een tijd met veel natuurwetenschappelijke ontdekkingen (zwaartekracht, hoe het heelal werkt.
Vastlegging systematische beoefening.
observeren (empirisme)
Hypothese
Experiment
Logische verklaring (rationalisme)
Gevolgen:
Vele nieuwe kennis
Verspreiding van die kennis via universiteiten, tijdschriften etc.
Optimisme (de mens is geweldig)
Tijdvak 7- Pruiken en revoluties (1700-1800)
Kern: ideeën veranderen en revoluties.
Verlichting- nadenken over vrijheid en gelijkheid.
Amerikaanse revolutie.
Franse revolutie.
Grondrecht en democratie.
Napoleon Bonaparte- hij verspreidt ideeën van revolutie door Europa.
Tijdvak 8- Burgers en stoommachines (1800-1900)
Kern: Industriële samenleving ontstaat.
Industriële revoluties (machines en fabrieken)
Stoommachine verandert alles.
Slechte arbeidsomstandigheden.
Kinderarbeid.
Verstedelijking (mensen trekken naar steden)
Later sociale wetten en begin democratie.
Industriële revolutie- verzorging van hand/dier/natuurkracht door machinekracht (stoommachine),
Oorzaken:
Directe oorzaak= bevolkingsgroei (zorgt voor noodzaak naar snellere productie)
Het begint met een agrarische revolutie, die zorgt voor betere landbouwopbrengst. Dat zorgt voor groei van de bevolking, die groeiende bevolking zorgt voor de noodzaak, dan kunnen mensen zich specialiseren.
Die opbrengst zorgt ook voor handelsmogelijkheden.
Gevolg/oorzaak
De transportrevolutie= verbetering van de infrastructuur (stoomtrein/stoomboot).
Dit zorgt ervoor dat nu overal fabrieken kunnen worden gebouwd= verdere verspreiding, ontwikkeling , industriële revolutie.
Gevolg:
Ontstaan industriële samenleving
Mensen zijn werkzaam in de industrie.
Mensen wonen voornamelijk in steden (verstedelijking)
2) Politiek-maatschappelijke stromingen.
Liberalisme: Aandacht voor individu/weinig staatsbemoeienis. Vrije markt economie, voorstander van (beperkte) democratie.
Nationalisme: Sterke natiestaat, overheid moet zorgen voor veiligheid.
Socialisme: gelijkheid staat centraal, overheid moet actief ingrijpen om gelijkheid te kunnen krijgen.
Communisme: Gelijkheid krijgen door middel van revolutie.
Sociaal democratie: gelijkheid krijgen door wetgeving in democratie.
Conservatisme: gaat om het behoud van oude tradities, staan centraal, sterke overheid.
Feminisme: Strijd voor gelijke rechten voor vrouwen (stemrecht, opleiding)
Confessionalisme: Politieke bedrijven met christelijke grondslag= katholieken= die willen eerherstel na jarenlang te zijn onderdrukt door protestanten geloof
Protestanten richten zich tegen opstand atheïsme
(Schoolstrijd= gelovige scholen krijgen geld voor hun school)
3) Democratisering-ontwikkeling van de democratie.
Nederland is een monarchie met grondwet, maar de koning heeft best veel macht. Er is een parlement, maar de koning mag mee bepalen hoe we in dat parlement zitten.
1948: Grondwetswijziging o.l.v. Thorbecke.
Parlement gekozen via censuskiesrecht.
Parlement controleert ministers
Koning raakt een groot deel van zijn macht kwijt.
1917: Algemeen mannen kiesrecht.
1919: Algemeens kiesrecht (mannen en vrouwen)
4) Emancipatiebeweging is strijden voor gelijkberechtiging.
Féminisme, socialisme en confessionnalisme.
5) Sociale kwestie- Factory acts
Slechte leef- en werkomstandigheden van de arbeiders als gevolg van de industrialisatie.
Discussie: wie moet die situatie verbeteren?
Overheid?
Arbeiders zelf?
Fabriekseigenaren?
Gevolg:
Wetgeving om de situatie te verbeteren
Minimum loon
Maximum aantal lessen dat je mag werken.
Tijdvak 9- Tijd van de wereldoorlogen (1900-1950)
Kern: grote conflicten.
Eerste wereldoorlog (1914-1918)
Tweede wereldoorlog (1939-1945)
Adolf Hitler en Nazisisme.
Bezetting van Nederland (1940-1945)
Holocaust
Tijdvak 10- Televisie en computer (1950-heden)
Kern: moderne tijd.
Koude oorlog (1954-1991)- VS tegen USSR.
Val van berlijnse muur (9 november 1989)
Globalisering
Media
Dekolonisatie van indonesië en Suriname.
Historische context “Nederland” (1945-2008)
1948: Na WOII kwam er een wederopbouw. De marshallhulp versnelde de wederopbouw. Er kwam meer industrie en rond 1950 groeide de economie.
2008: In 2008 brak er een bankencrisis uit in Amerika. Dit vormde het startschot van een wereldwijde economische crisis. Nederlanders kregen minder vertrouwen in de politiek, de rechtsstaat en elkaar.
Leidende vragen:
Waardoor veranderde de maatschappelijke verhoudingen in Nederland van 1948-1978?
Waardoor veranderde de maatschappelijke verhoudingen in Nederland tussen 1978 en 2008?
3.1 Een welvarende samenleving (1948-1978)
Leidende vraag 1
Wederopbouw
Babyboomers
3.1 verzuiling in Nederland
We onderscheiden in 4 zuilend:
Katholieken
Ṕrotestanten
Socialisten -arbeiders
Neutraal (meestal liberalen)
De zuilen stichtten eigen organisaties en instellingen op alle denkbare terreinen: politieke pratijen, vakbond, scholen ,kranten en tijdschriften, bibliotheken, jeugdvereniging, toneel-muziek en sportverenigingen, ziekenhuizen, bejaardenhuizen en later ook radiozenders en tv zenders.
Ook hadden werkgevers een voorkeur voor personeel van hun eigen zuil en werd bij voorkeur ook gekocht bij winkeliers van de eigen zuil.
3.1 Politiek na de oorlog
Op politiek niveau werken de verzuilde partijen wel samen, Dat moet ook wel, er is anders geen meerderheid om een coalitie te vormen.
Na de oorlog verandert politiek wel : voor de oorlog hadden de confessionele christelijke partijen vaak de macht. Na de oorlog veranderde dit: er volgden rooms-rode-kabinetten.
Rooms; van katholieken partijen zoals de katholieke volkspartij
Rood: van socialistische partijen zoals de Partij van de Arbeid.
De sociaaldemocraten waren vanouds gericht op beter leven en woon- en werkomgeving voor de arbeiders en (lange) middenklasse.
De confessionele partijen gaven een geordende samenleving en naastenliefde.
Gevolgen: Opbouw van de verzorgingstaat.=Een staat waarin burgers die geen inkomen uit werk hebben,voortaan een uitkering ontvangen. Werkende betalen premies waarmee deze uitkeringen worden betaald.
3.1 Nederland en buitenlandse politiek na WO II
In de periode 1948-1978 koos Nederland voor een actievere rol in de wereldpolitiek. De neutraliteitspolitiek van voor de oorlog keerde niet meer terug.
Oorzaken:
WO II: ondanks haar neutrale status werd Nederland in 1940 aangevallen door nazi-duitsland en bezet.
Koude Oorlog: Nederland was een trouwe bondgenoot van het westerse blok.
Gevolgen:
Begin van de Europese samenwerking want,
Kans op meer economische groei en welvaart,
Europese vrede waarborgen.
Samen sterk tegen de dreiging vanuit de Sovjet Unie
NAVO
EGKS
3.1 Economische veranderingen na WO II
Een periode van economische groei en toenemende industrialisatie door:
Oorzaken:
Marshallhulp
Geleide loonpolitiek
Wirtschaftswunder in Duitsland
Gasbel in groningen
Nieuwe mentaliteit na de oorlog
Marshallplan: Hulp van VS aan Europa
Geleide loonpolitiek: Lonen werden laag gehouden en vaste prijsafspraken gemaakt. Nederland werd een lageloonland. Het aantrekkelijk voor andere landen om hun productie daar naartoe te brengen stimuleert de werkgelegenheid waar je de werkloosheid kan laten dalen.
Wirtschaftswunder: Duitsland werd een sterke industrie en handelsnatie van de wereld, Duitsland importeert veel Nederlandse producten. Ze werden de grootste handelspartner van Nederland.
Gasbel in Groningen: door de verkoop van aardgas nam de inkomsten van de overheid sterk toe.
Nieuwe mentaliteit: De oorlogsschade was zo overweldigend dat iedereen vond dat hij/zij hard moest werken en sober moest leven. Zelfs minister-president was het toonbeeld van soberheid. Willem Drees dronk geen alcohol, ging op de fiets naar zijn werk en vond luxe overbodig.
Maken 1-4 en 16 blz 84-87
KA: Koude oorlog-eenwording van Europa.
A)Verzuiling is dat de samenleving in groepen werd verdeeld (politiek)
B)Rooms-rode-katholieken= De socialisten en de katholieken samen.
C)
A)De industrie- De gouden jaren (1848-1973) .
B) Buitenlandse factoren: Marshallhulp en EEG (wegvallen handelsbelemmering.
Binnenlandse factoren: Geleidelijk loonpolitiek en gasbel in Groningen.
A) Een verzorgingsstaat is een staat waarin de overheid verantwoordelijk is voor het sociale en economische welzijn van de burgers. (AOW)
B) Het idee kwam uit christelijke sociaaldemocraten.
C) Sociale partners maken afspraken Sociaal-economisch raad. Stabiele samenleving met weinig armoede.
In bron 1 zie je via de tekst past bij een verzorgingsstaat, “geef uw kind een betere toekomst”.
In bron 2 zie je het door de hand in de olie die wordt “opgeheven”. Er worden materiële zorgen dus zodanig weggehaald door de katholieke volkspartij.
Begrip uitleggen…
Verzorgingsstaat is…..
Begrip koppelen aan affiches,
Beide affiches geven blijk dat ze het volk willen helpen.
16. A, B
3.1 Economische veranderingen: jaren “60
Vanaf de jaren 1960 werd de geleide loonpolitiek losgelaten vanwege de succesvolle wederopbouw. De lonen stegen en mensen hadden meer geld om te besteden.
Door de toegenomen welvaart ontstond er een consumptiemaatschappij: huishoudens hebben voldoende inkomen om naast de basisbehoefte ook allerlei luxe producten aan te schaffen. (KA)
Gevolg: Dagelijks leven veranderde, Het leven werd comfortabeler.
3.1 Maatschappelijke veranderingen
Na WO II vonden diverse maatschappelijke en sociaal-culturele veranderingen plaats.
De levensstijl verandert door de consumptiemaatschappij.
Hogere verwachting van leven. Het draaide niet meer alleen om werken maar ook genieten van je vrije tijd. Mensen konden zich gemakkelijker verplaatsen door bezit van auto (toenemende mobiliteit) Hierdoor werden vakanties in het buitenland mogelijk. En verstedelijking: in de gemeente rondom de grote steden werden grote nieuwe jakken (frozen steden) gebouwd waar men comfortabel en goedkoop kon wonen in tegenstelling tot een drukke stad.
Proces van ontzuiling.
Ontzuiling= verdwijning van de verzuiling van het sociale en politieke leven.
Door de opkomst van de verzorgingsstaat werden mensen minder afhankelijk van hun zuil. Door de secularisering ontkerkelijking) gingen steeds minder mensen naar de kerk en nam de binding met de katholieke/protestantse zuil af.
Door nieuwe communicatiemiddelen zoals televisie ontstonden er nieuwe denkbeelden.
De toenemende mobiliteit bracht mensen vaker buiten hun eigen kring en gaf hun de mogelijkheid meer van de wereld te zien. Er kwamen nieuwe politieke partijen die niet aan een zuil verbonden waren.
De jongeren hoefden niet direct na de middelbare school te gaan werken, maar gingen studeren. ZIj hadden ten opzichte van hun ouders meer vrije tijd en geld te besteden. Waardoor er een jongeren/jeugd cultuur ontstond.
(Babyboom=babys na de 2e oorlog geboren)
De jongere generatie kwam in verzet tegen de gevestigde orde/jeugdcultuur kwam op.
Jeugd kreeg de beschikking over meer vrije tijd,
Jeugd kreeg de beschikking over meer geld
Een deel van de jongeren volgde steeds langer onderwijs.
De invloed van popmuziek uit Engeland en de VS.
Nozems: naam staat voor” Nederlands onderdaan zonder enig moraal” Zij kleedden zich in spijkerbroek, leren jack en een kuif in het haar. Met brommers. Bier was hun drank en Rock and Roll hun muziek. Het kwam nogal eens tot gewelddadigheden en vernielingen.
Kikkers: kleine groep onder schoolgaande jeugd (in Den Haan) Zij waren meer op Frankrijk georiënteerd, droegen zwarte kleding, dronken Franse wijn en luisterden naar chansons.
Provo’s: Naam afgeleid uit dagen. Die willen een heel ander beleid. Brommers zijn verschrikkelijk. Zij willen door statements maken dat ze het er niet mee eens zijn. Provo is een reactie op de consumptiemaatschappij.
Hippies: de hippies begonnen als groep jongeren in de VS. Die leven nu in het heden. Niet politiek actief. Verdomme om oosterse godsdiensten en door drugs als marihuana. Muziek was in hun cultuur van groot belang Qua uiterlijk staan de hippies bekend om hun lange haar en tweedehands kleding met vrolijke motieven.
Vrouwenrechtenorganisaties startte een Tweede feminitsicge golf.
De samenstelling van de samenleving veranderde.
Maken 5. 6 en 9 blz 84-87
5 A) Mensen gingen meer kopen door de consumptiemaatschappij en gingen meer vrije tijd besteden aan hun hobby’s.
B) Mensen uit buitenwijken gingen in de stad werken en dat was mogelijk door verstedelijking er werden meer huizen gebouwd. En de toenemende mobiliteit. Veel mensen gingen met de auto.
6 Ontzuiling is dat mensen geen zuilen meer nodig hadden, mensen waren afhankelijk van de verzorgingsstaat.
9. Er zijn veel jongeren-die dragen leren jacket, een heeft een bongo-de hippies waren belang van muziek.
4. Vrouwenrechtenorganisaties startte een Tweede feminitsicge golf.
De maatschappelijke verandering: positie van de vrouw.
Tijdens de jaren van de wederopbouw lag de levensbestemming van de vrouw vats: kinderen krijgen, trouwen etc.
Vanaf de jaren 1960 kwam hier verandering in.
Oorzaken:
Consumptiemaatschappij.
Verandering van denken bij de confessionele (christelijke) politieke partijen.
Vanaf 1955 blokkeerde de confessionele meerderheid in het parlement niet langer veranderingen in de positie van de gehuwde vrouw Dat leidde in 1956 tot de een einde van de wettelijke handelingsonbekwaamheid van vrouwen.
Handelingsonbekwaam=
Vrouwen waren handelingsonbekwaam. Dit betekende dat zij zelf geen rechtsgeldige overeenkomsten mochten sluiten. Vanaf de dag van hun huwelijk stonden vrouwen onder het wettelijk gezag van hun man en mochten geen grote aankopen doen of geld van de bank opnemen.
LET OP: dit speelt dus tot 1956, terwijl vrouwn al wel kiesrecht hadden gekregen in 1919.
2e feministische golf.
In de jaren 60 kwam er dus een verandring in opvattingen over de positie van de vrouw.
Gevolg: Tweede feministische golf ( eind jaren 60).
Tijdens de eerste feministische golf, aan het eind van de 19e eeuw werd vooral gestreden voor het recht van vrouwen op deelname aan hoger onderwijs en openbaar bestuur (passief en actief kiesrecht).
De tweede golf
Man-Vrouw-Maatschappij (MVM) 1968: richtte zich op het verandering van beleid en wetgeving.
Dolle Mina (1969): Streed vor het recht op abortus (baas in eigen buik) Goede sekucsel voorlcihting en anticonceptie.
Echtscheidingswetgeving (1971): Huwelijk kon makkelijker ongedaan gemaakt worden. Eerder was dat alleen als er sprake was van overspel, mishandeling en misdaad.
5. De samenstelling van de samenleving veranderde.
Na WO II kwamen er meer mensen uit andere culturen (immigratie) naar Nederland en emigreerden jonge Nederlanders naar landen als Australië, Nieuw-Zeeland en Canada.
Oorzaken:
Emigratie
Babyboomers: een grote geboortegolf na WO II veroorzaakte een enorme bevolkingsgroei.
Als gevolg hiervan ontwikkelde de regering een migratiebeleid. Vanaf de jaren 50 bevorderde de nieuwe opgezette Nederlandse emigratiedienst de emigratie naar Australië, Nieuw-Zeeland en Canada actief.
REDEN: Voorkomen dat de snelle toename van de bevolkingsgroei in de toekomst tot problemen zou leiden van bijvoorbeeld werkloosheid.
Immigratie:
Door de economische groei en toenemende industrialisatie van de jaren 50 en 60 was er voldoende werk voor iedereen en een ruime keuze uit banen.
Gevolg: Hierdoor ontstond een tekort aan ongeschoolde arbeidskrachten voor de zware fysieke beroepen in de industrie.
Gevolg: Er waren steeds meer arbeidskrachten nodig uit het buitenland.
Gevolg: Gastarbeiders komen uit Spanje, Italië ,Turkije en Marokko. Deze gastarbeiders zouden in eerste instantie tijdelijk in Nederland verblijven, maar uiteindelijk bleven ze recht op gezinshereniging waarmee zij hun gezinsleden naar Nederland lieten komen.
Maken 8, 14,15 en 20 blz 84-87
8. A) Handelingsonbekwaamheid: Dat vrouwen zelf geen geld mochten lenen van de bank en geen overeenkomsten kunnen sluiten. En dat werd afgeschaft in 1956. Vrouwen mochten “niets’ doen zonder de toestemming van hun man, broer of vader.
B) Dolle mina’s en de MVM= Man-Vrouw-Maatschappij.
C) Drie factoren:
Introductie anticonceptie.
Toename in onderwijs en economische zelfstandigheid.
Tweede feministische golf.
14.
Oefenopdrachten havo 5
3.1
Opgave 1:
Gemeenschappelijk doel: wilde werkgelegenheid stimuleren.
Eind jaren 50 stijgt de economie, omdat door de werkgevers problemen hadden om werknemers te werven. (loonpolitiek houdt de lonen laag)
Opgave 2:
Provo wilde het gezag uitdagen, maar door de verkiezing in de Amsterdamse gemeenteraad werden ze onderdeel van het gezag, waardoor de beweging zichzelf zou moeten provoceren.
Provo (tegen gevestigde orde)
Opgave 3:
Door ontzuiling, nieuwe jongere culturen. Er ontstond behoefte aan omroepen die programma's aanbieden voor andere doelgroepen.
Het ontstaan van de consumptiemaatschappij. De toenemende welvaart waardoor bedrijven via televisiereclame probeerde meer producten te verkopen. Te profiteren van de toegenomen koopkracht.
Opgave 4:
Economisch: jongerejaars willen de zorg wegnemen die de werkzaamheden waarvoor ze nodig zijn niet kunnen vervullen. Door te benadrukken dat hij mensen selecteert die geen analfabeet zijn.
Sociaal: omdat ze de cultuur niet begrijpen/dat de gastarbeiders zich niet kunnen aanpassen. Hij benadrukt dat hij mensen selecteert die behoorlijk kunnen communiceren in Nederland.
Opgave 5:
Van Meekeren wil dat de regering haar beleid verandert, is het mogelijk dat hij wil aantonen dat de selectie niet eerlijk verloopt, dat de vragen aan de opmerkingen tegen Jongejan sturend zijn. Zoals de vergelijking over de slavenmarkt. De vraag die Jongejan stelde is een twee drie zonder echt na te denken.
3.2 Nieuwe ontwikkelingen (1978-2008)
Leidende vraag: wat veranderde de maatschappelijke verhouding in Nederland tussen 1978 en 2008?
3.2 Crisis
De oliecrisis van 1973 maakt een einde aan de economische groei.
Oorzaken ciris:
Oorlog tussen Israël en Syrië/Egypte.
Nederland kiest openlijk de kant van Israël.
De Arabische landen besloten de olieprijs sterk te verhogen en het olietransport naar o.a Nederland te boycotten.
Direct gevolg: tekort aan olie.
3.2 Politieke veranderingen: 1978-2008
In de jaren 80 ontstond een andere politieke trend: Er werden meer rechts-liberale partijen in de regering gekozen (ook wel Neoliberale regeringen genoemd).
Bijvoorbeeld: Kabinetten Lubbers samenwerking tussen CDA en VVD.
(1982-1994) Ruud Lubbers.
3.2 Politieke veranderingen: neoliberalen aan de macht (1978-2008)
Gevolgen:
Het individu kwam centraal te staan-rol overheid is klein.
Progressief: Overheidsbeleid van de regering stond open voor veranderingen.
Gedoogbeleid: Een aanpak van de overheid waarbij activiteiten die volgens de wet verboden zijn, binnen bepaalde beperkingen worden toegelaten.
Wet Gelijke Behandeling (1994)-Iedereen moet gelijk behandeld worden.
De verzorgingsstaat leek onbetaalbaar te worden: Er wordt door de nieuwe regering een bezuinigingspolitiek gevoerd- Inperking van de verzorgingsstaat door het minimumloon en de uitkeringen laag te houden.
Privatisering van staatsbedrijven door het eigendom van bedrijven terug te geven aan de particuliere sector- Bijvoorbeeld de Nederlandse spoorwegen, postbezorging en KPN.
Liberale aandacht en vrijheid voor individu en bezuinigingspolitiek want de verzorgingsstaat was te duur.
De nieuwe politieke koers werkt volgens het zogenaamde poldermodel.
Overheden, werkgevers en werknemers proberen door overleg conflicten te voorkomen. Zij zoeken daarbij naar een compromis, wat betekent dat alle partijen iets toegeven om tot overeenstemming te komen.
Gevolgen:
Het blijft in NL, ondanks de bezuiniging, toch economisch en politiek gezien rustig.
In het buitenland stond Nederland bekend als een welvarende, vrije en zeer tolerante samenleving.
Nederland zag zichzelf lang als gidsland: een voorbeeld voor anderen. De politici vonden dat Nederland een andere weg moest wijzen op het gebied van vrede, mensenrechten en hulp aan arme landen.
Gevolgen:
Vanaf 1966 werd door NL meer geld besteed aan ontwikkelingshulp dan in andere landen.
Nederland probeerde een leidende rol te nemen bij de nucleaire ontwapening BV: protest tegen kernwapens in Amsterdam in november 1981.
Srebrenica 11 juli 1995
Joegoslavië is uiteengevallen.
Nederland is daar namens de Verenigde Naties en Nederland met blauwe helmen.
Serviërs willen het gebied en sturen vrouwen weg maar vermoorden mannen achter de bergen.
Nederland bleef zich in de jaren 80 en 90 inzetten voor de samenwerking in Europa.
Verdrag van Schengen (1985)- Grenscontroles kwamen te vervallen en er was vrij verkeer. De Schengenzone = België, Luxemburg , Duitsland, Frankrijk en Nederland.
Verdrag van Maastricht (1992)- basis voor Europese Unie en de invoering van de euro.
Gevolg:
De uitbreiding van de EU zorgde ervoor dat de invloed van Nederland kleiner werd.
Maak opgave 1, 2 en 4
A)Minder geld naar het kabinet rol van bedrijfsleven, en doordat er meer individualisering is.
B) Verdrag van Maastricht en het motief is meer handelscontacten.
De sociale zekerheid moet verkleint worden,
B) Alle drie partijen sluiten een compromis.
4. A)De plaatsing van kruisraketten.
B) Ze zijn meer samen gaan werken.
C) Door de EU werd de invloed van Nederland kleiner.
3.2 Sociaal-culturele veranderingen: 1978-2008: digitale revolutie
Digitale revolutie: vanaf 2000 veranderde de leefstijl van zowel jongeren als ouderen door de introductie van digitale technologie. Onderling contact is veel makkelijker geworden.
Oorzaken:
Opkomst van internet.
Doorbraak van de mobiele telefoon.
Opkomst van digitale sociale netwerk in (social media)
Gevolgen:
Globalisering: groeiende verbondenheid met de wereld.
Multiculturele samenleving: een multiculturele samenleving is een samenleving waarin de verschillende culturen gelijkwaardig zijn.
3.2 Pim Fortuyn (1948-2002)
Socioloog, maar keert zich in de politiek tegen de islam en tegen het paarse kabinet. Werd in korte tijd populair.
Hij was een populist: Iemand die beweert namens het volk te spreken en zich afzet tegen de heersende elite.
Stichtte de politieke partij Lijst Pim Fortuyn (LPF) die in korte tijd een serieus aantal kiezers achter zich kreeg.
Echter, 9 dagen voor de verkiezingen werd Fortuyn vermoord door een links radicale activist.
Ondanks de dood van Fortuyn won de LPF veel zetels.