GES woordenschat H5
nationale identiteit: gemeenschapsgevoel binnen een natiestaat dat vaak voorkomt uit gemeenschappelijke waarden, dezelfde geschiedenis of gemeenschappelijke tradities (2, 4, 5)
propaganda: vorm van communicatie waarbij een belanghebbende partij het publiek wil bespelen, vaak door het bewust verspreiden van eenzijdige en/of verzonnen informatie (4, 5, 6)
technologie: toepassing van de wetenschappen in een techniek (1, 4, 5, 6)
wetenschap: geheel van kennis over mens, samenleving, natuur, wereld en heelal waarop men kan voortbouwen om nieuwe kennis te ontwikkelen (1, 4, 5)
grondstof: onbewerkt of ruw materiaal dat kan bewerkt of verwerkt worden tot een afgewerkt product (3, 4, 5)
(hyper)inflatie: (heel sterke en plotse) algemene stijging van de prijzen van goederen en diensten waardoor de munt (sterk) in waarde daalt (5, 6)
alliantie: bondgenootschap (2, 5)
autocratisch: de macht naar zich toetrekkend zonder inspraak van de onderdanen (5)
bezetting: toestand in oorlogstijd waarbij het grondgebied van een land gedeeltelijk of helemaal bestuurd wordt door de vijand (5)
capitulatie: officiële overgave van een leger of een land aan de tegenstander (5, 6)
communisme: politieke ideologie waarin het gemeenschappelijk bezit van de productiemiddelen en een klasseloze samenleving centraal staan (3, 5, 6)
deserteren: zonder toestemming het leger of de militaire dienst verlaten, wat een strafbaar feit is (5)
expansie: uitbreiding van bijvoorbeeld grondgebied, politieke en/of economische macht (5)
grootmacht: staat die door haar grote economische, politieke en militaire macht de mogelijkheid heeft om invloed en druk uit te oefenen op de internationale politiek (2, 4, 5)
imperialisme: streven naar gebiedsuitbreiding of uitbreiding van de macht (1, 4, 5)
invloedssfeer: gebied of ruimte waarbinnen grootmachten politieke en/of economische invloed uitoefenen op andere (4, 5)
kolonie: nederzetting of (overzees) gebied dat onder dwang door een ander land (metropool) bestuurd wordt (1, 4, 5)
mobilisatie: krijgsmacht van een land in staat van paraatheid brengen door lichtingen soldaten op te roepen om in het leger te dienen (algemene dienstplicht), strategische plekken veilig te stellen en voertuigen en voorraden te vorderen (5)
mogendheid: grootmacht of dominante staat (2, 4, 5)
monarchie: staatsvorm waarbij de vorst door erfopvolging wordt aangeduid (1, 2, 5)
natie: gemeenschap van mensen die zich verbonden voelen door gedeelde kenmerken, zoals taal, geschiedenis en culturele tradities (2, 5)
natiestaat: (nationale staat) staat die gevormd is op basis van een dominante natie met haar culturele identiteit (2, 4, 5)
neutraliteit: onpartijdigheid, zich niet mengen in een conflict of geen positie kiezen in een oorlog (5)
niemandsland: gebied tussen de frontlinies van twee vijandelijke legers in oorlogstijd (5)
offensief: aanval (5)
politieke revolutie: plotselinge opstand van het volk die tot een blijvende politieke verandering leidt (1, 5)
president: voor een termijn verkozen staatshoofd van een land of republiek (5, 6)
socialisme: politieke ideologie waarin het recht op sociale bescherming van elke burger, een eerlijk loon voor arbeid en de eerlijke verdeling van de welvaart in een samenleving centraal staan (1, 3, 5)
sovjet: raad van arbeiders, boeren en soldaten in Rusland voor, tijdens en na de communistische revolutie van 1917 (5)
tsaar: erfelijke vorst die Rusland als een keizer bestuurde tijdens het ancien regime tot 1917 (‘Tsaar’ is afgeleid van het Latijnse woord ‘caesar’.) (5)
wapenstilstand: officieel bestand of staakt-het-vuren tussen oorlogvoerende partijen (5, 6)
wapenwedloop: wedloop tussen twee of meer machten om de andere te overtreffen op het gebied van wapentechnologie of in aantallen wapens, waarbij de bewapening systematisch wordt opgevoerd aan beide zijden (5)
asiel: bescherming van een vluchteling die gevaar loopt in zijn eigen land (5)
loopgravenoorlog: oorlog waarin soldaten van beide partijen zich tegenover elkaar ingraven in loopgraven of andere versterkte posities (5)
uitbuiting: van iemand gebruikmaken om er zo veel mogelijk voordeel uit te halen waardoor je van misbruik kunt spreken (4, 5)